< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Het tappen van een medeverdachte buiten de periode waarvoor een machtiging is verleend, leidt niet tot een vormverzuim ex artikel 359a Sv in de strafzaak tegen verdachte.

De rechter-commissaris heeft in de zaak tegen medeverdachte een tapmachtiging afgegeven voor de duur van één week. Abusievelijk was aanvankelijk een onjuiste einddatum doorgegeven aan het opsporingsteam. Deze fout is nog dezelfde dag ontdekt en getracht is deze fout door middel van een fax te corrigeren. Aan de inhoud van de fax is geen gevolg gegeven, met als gevolg dat er na afloop van de tapmachtiging is doorgetapt op de telefoonlijn van medeverdachte zonder machtiging daarvoor van de rechter-commissaris. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv in het onderzoek jegens medeverdachte. Als uitgangspunt geldt dat verdachte zich in beginsel niet kan beroepen op de eventuele onregelmatigheden die kleven aan de tapmachtiging die ten laste van medeverdachte is afgegeven, dan wel op het feit dat medeverdachte getapt is buiten de periode waarvoor de machtiging is verleend. Verdachte is immers door het niet naleven van de voorschriften in de zaak tegen medeverdachte niet getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen (Schutznorm). Alleen wanneer sprake is van een zeer ernstige inbreuk op de rechten van de verdachte, kan sprake zijn van een doorbreking van dit beginsel. Een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid is in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het geconstateerde vormverzuim in de zaak van medeverdachte geen gevolgen dient te hebben in de strafzaak tegen verdachte.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/676142-10 (Promis)

Datum uitspraak: 21 juli 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [1985],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats],

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Demersluis" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van de Vliet en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. Drummen, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zittingen van 13 oktober 2010 en 24 februari 2011 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in/uit (woon)perceel [adres]) één of meer geldbedrag(en) totaal (circa) 19500 euro en/of een (mobiele) telefoon en/of sleutelbos (met sleutels), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders(s) de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] één of meer vuurwapen(s) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of (vervolgens) éénmaal of meermalen met de kolf van een vuurwapen, althans een hard voorwerp, op/in het hoofd/gezicht, in elk geval het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en/of (vervolgens) beide handen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan elkaar heeft/hebben vastgeboden met één of meer veter(s), althans één of meer touw(en) en/of (vervolgens) een deken over het hoofd van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gelegd en/of gegooid en/of (vervolgens) aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gevraagd: "Waar is het geld , waar is het grote geld? en/of "Als je niet zegt waar het geld ligt, verkracht ik je wijf", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 07 februari 2010 tot en met 6 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, onder andere op of omstreeks 4 april 2010 te Amsterdam Zuid/Oost in de flat Groeneveen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld één of meer (tot nu toe) onbekend gebleven personen heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van één of meer goed(eren) en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan één of meer (tot nu toe) onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,verdachte, en/of zijn mededader(s) voornoemde onbekende personen één of meer (vuur)wapen(s) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 07 februari 2010 tot en met 6 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, onder andere op of omstreeks 4 april 2010 te Amsterdam Zuid/Oost in de flat Groeneveen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld één of meer (tot nu toe) onbekend gebleven personen heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer goed(eren) en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan één of meer (tot nu toe) onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voornoemde onbekende personen één of meer (vuur)wapen(s) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden;

Subsidiair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 07 februari 2010 tot en met 6 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, onder andere op of omstreeks 4 april 2010 te Amsterdam Zuid/Oost, in de flat Groeneveen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (tot nu toe) één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (tot nu toe) één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) één of meer onbekende perso(o)n(en) één of meer vuurwapen(s) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 07 februari 2010 tot en met 6 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, onder andere op of omstreeks 4 april 2010 te Amsterdam Zuid/Oost, in de flat Groeneveen (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (tot nu toe) één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (tot nu toe) één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) één of meer onbekende perso(o)n(en) één of meer vuurwapen(s) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden;

3.

Primair:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 29 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (namelijk Engeland) te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet , (ongeveer) 247 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, opzettelijk één of meer duwersbol(len)(met daarin een hoeveelheid heroïne, althans een middel vermeld bij de Opiumwet lijst I)(in haar vagina, althans haar lichaam) heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,

welk bovengenoemd feit hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2010 tot en met 29 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door

- voornoemde [medeverdachte 1] te beloven dat hij, verdachte voornoemde [medeverdachte 1] zou beschermen tegen haar ex-vriend en/of

- voornoemde [medeverdachte 1] één of meer gift(en) en/of betaling(en) aan te bieden en/of te beloven en/of

- één of meer hoeveelhe(i)d(en) heroïne aan voornoemde [medeverdachte 1] te verstrekken en/of te geven en/of

- één of meer ticket(s) naar Engeland te kopen en/of te verzorgen en/of

- een sms naar voornoemde [medeverdachte 1] te sturen met de adresgegevens en het telefoonnummer van de contactpersoon (genaamd [contactpersoon]) in Engeland;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 29 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (namelijk naar Engeland) te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet , (ongeveer) 247 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, opzettelijk een hoeveelheid heroïne verstrekt aan één of meer van zijn mededader(s) en/of één of meer ticket(s) naar Engeland gekocht en/of verzorgd voor één of meer van zijn mededader(s) waarna één of meer van zijn mededader(s) opzettelijk één of meer duwersbol(len) (met daarin een hoeveelheid heroïne, althans een middel vermeld bij de Opiumwet lijst I) in haar vagina, althans haar lichaam, heeft/hebben vervoerd en/of aanwezig heeft/hebben gehad;

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 maart 2010 tot en met 6 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) één of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaine en/of heroine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of heroine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 maart 2010 tot en met 6 juli 2010 te Amsterdam en/of te Rotterdam en/of te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, één of meer (vuur)wapen(s) (onder andere een Glock) van categorie II en/of III, en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op één of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 15 maart 2010 tot en met 6 juli 2010, te Amsterdam, althans in Nederland, één of meer voorwerp(en), (telkens) te weten één of meer (gouden) siera(a)d(en) en/of één of meer horloge(s) en/of één of meer pandbewijs(z)(en) en/of één of meer betalingsbewijs(z)(en) en/of één of meer telefoon(s) en/of één of meer certifica(a)t(en) en of één of meer boardingpas(sen) en/of één of meer camera(s), en/of één of meer (huur)auto's (Open Corsa), in ieder geval een hoeveelheid geld (minstens 5000 euro) en of goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Rechtmatigheid bewijs

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de onderzoeksresultaten die zijn voortgekomen uit de op 17 maart 2010 gegeven machtiging van de rechter-commissaris voor een telefoontap op medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: "[medeverdachte 2]"), van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Deze machtiging is immers gegeven op basis van onrechtmatig verkregen bewijs, te weten op basis van de weergave van twee na 12 maart 2010 15.00 uur getapte telefoongesprekken, zijnde het tijdstip waarop de eerder door de rechter-commissaris afgegeven tapmachtiging afliep. Het afgeven van de nieuwe tapmachtiging op basis van dit onrechtmatig verkregen tapmateriaal is in strijd met de wet en beginselen van een behoorlijke procesorde.

Verdachte wordt door dit verzuim rechtstreeks in zijn belangen geraakt. In zijn strafzaak zijn de onderzoeksresultaten immers direct voortgekomen uit de onrechtmatige tap op [medeverdachte 2], zodat er sprake is van een causaal verband tussen de jegens [medeverdachte 2] verleende machtiging en deze onderzoeksresultaten. Ook de voor verdachte belastende verklaring die [medeverdachte 2] later heeft afgelegd is het gevolg van dit onrechtmatig tappen, omdat [medeverdachte 2] immers naar aanleiding van de resultaten van dit tappen is opgepakt en aan verhoor is onderworpen.

Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat vrijspraak van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten dient te volgen omdat de tapgesprekken die aan de tapmachtiging ten grondslag liggen onvoldoende basis vormden om te concluderen dat er sprake was van concrete feiten en omstandigheden die de inzet van een tap op dat moment rechtvaardigden. Anders dan de aanvraagnota doet voorkomen kan uit deze gesprekken immers niet worden afgeleid dat gesproken werd over een diefstal in vereniging en het voorbereiden van een woningoverval. Het gesprek over een kogelvrij vest en het gaan naar iemands woning, kan er evengoed op duiden dat zij slechts op bezoek bij iemand zouden gaan die zij niet vertrouwden.

Op beide gronden is volgens de raadsvrouwe sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv , waarop bewijsuitsluiting dient te volgen. Het bewijs is immers door het genoemde verzuim verkregen en voorts is door de onrechtmatige bewijsvergaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift respectievelijk rechtsbeginsel in aanzienlijke mate geschonden. De raadsvrouw heeft primair om deze redenen verzocht verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsvrouw betwist. De administratie van het Openbaar Ministerie heeft destijds een fout gemaakt, waardoor de tap op het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2] ten onrechte is doorgelopen na de verlening van de eerste tapmachtiging voor de periode van 6 tot 12 maart 2010 te 15.00 uur. De rechter-commissaris heeft een nieuwe machtiging verstrekt met ingang van 17 maart 2010. Bij de aanvraag daartoe zijn enkele gesprekken gebruikt uit de periode tussen 12 en 17 maart 2010, die niet werden gedekt door de eerste tapmachtiging. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op jegens [medeverdachte 2]. De belangen van verdachte zijn evenwel door dat voorverzuim niet geschonden, zodat het beroep van verdachte op dit vormverzuim niet kan slagen. De ernst van het verzuim, de mate van verwijtbaarheid, het belang van het geschonden voorschrift en het veroorzaakte nadeel zijn bovendien van dien aard dat de consequentie van het vormverzuim zich dient te beperken tot de constatering ervan. Subsidiair dient strafvermindering en meer subsidiair bewijsuitsluiting te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechter-commissaris heeft in de zaak tegen [medeverdachte 2] een tapmachtiging afgegeven voor de duur van één week, van 6 maart 2010 tot 12 maart 2010 te 15.00 uur. Abusievelijk was aanvankelijk als einddatum 12 april 2010 doorgegeven aan het opsporingsteam. Deze fout is nog dezelfde dag ontdekt en getracht is deze fout door middel van een fax te corrigeren. Aan de inhoud van de fax is geen gevolg gegeven, met als gevolg dat er na 12 maart 2010 15.00 uur is doorgetapt op de telefoonlijn van [medeverdachte 2] zonder machtiging daarvoor van de rechter-commissaris. Bij een nieuwe aanvraag tot machtiging is de weergave van twee van de in deze periode afgeluisterde gesprekken aan de rechter-commissaris voorgelegd. De rechter-commissaris heeft een nieuwe machtiging afgegeven, ingaande op 17 maart 2010. Derhalve staat vast dat de gesprekken tussen 12 maart 2010 te 15.00 uur en 17 maart 2010 zonder machtiging van de rechter-commissaris zijn opgenomen en afgeluisterd. De officier van justitie heeft meegedeeld dat de onrechtmatig opgenomen gesprekken inmiddels zijn gewist met uitzondering van de twee gesprekken die aan de aanvraag van de nieuwe machtiging ten grondslag lagen. Derhalve is voor wat betreft die twee gesprekken sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in het onderzoek jegens [medeverdachte 2]. Tevens is sprake van een onherstelbaar vormverzuim nu de twee onrechtmatig opgenomen gesprekken gebruikt zijn voor de aanvraag van een nieuwe machtiging voor het afluisteren van de telefoon van [medeverdachte 2] en deze machtiging ook door de rechter-commissaris is verleend.

Als uitgangspunt geldt dat verdachte zich in beginsel niet kan beroepen op de eventuele onregelmatigheden die kleven aan de tapmachtiging die ten laste van [medeverdachte 2] is afgegeven, dan wel op het feit dat [medeverdachte 2] getapt is buiten de periode waarvoor de machtiging is verleend. Verdachte is immers door het niet naleven van de voorschriften in de zaak tegen [medeverdachte 2] niet getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen (Schutznorm). Alleen wanneer sprake is van een zeer ernstige inbreuk op de rechten van de verdachte, kan sprake zijn van een doorbreking van dit beginsel. Een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid zou kunnen bestaan uit het feit dat het openbaar ministerie en/of de politie met opzet hebben afgeluisterd buiten de periode van de machtiging, dan wel dat zij opzettelijk de tap hebben laten doorlopen, nadat zij van de fout of de hoogte waren geraakt. Dat daarvan sprake is, is in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden. Een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte heeft niet plaatsgevonden. Van overige uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat de Schutznorm in dit geval niet aan verdachte zou kunnen worden tegengeworpen, is evenmin gebleken. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank derhalve van oordeel dat het geconstateerde vormverzuim in de zaak van [medeverdachte 2] geen gevolgen dient te hebben in de strafzaak tegen verdachte. Het verweer wordt verworpen.

Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat in de strafzaak van verdachte geen sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid op basis waarvan de Schutznorm niet aan verdachte kan worden tegengeworpen, komt de rechtbank niet toe aan hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de vraag of het gerechtvaardigd was dat de rechter-commissaris de tweede tapmachtiging jegens [medeverdachte 2] heeft afgegeven. Het verweer treft dan ook geen doel en wordt verworpen.

4.2 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden dat verdachte het feit heeft begaan. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

[medeverdachte 2] heeft uit zichzelf een verklaring afgelegd over een in Rotterdam gepleegde woningoverval door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: "[medeverdachte 3]"). In een later verhoor noemt hij ook de naam van [medeverdachte 4] (hierna: "[medeverdachte 4]") als mededader. Hij gaf details die als daderwetenschap zijn te kenschetsen. De politie Amsterdam heeft contact opgenomen met de politie te Rotterdam en het bleek dat half maart 2010 in Rotterdam een woningoverval had plaatsgevonden, waarvan door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangifte is gedaan. Bij deze overval is ongeveer € 19.500,- weggenomen. Op veel punten komen de aangiftes overeen met de verklaring van [medeverdachte 2]. De verklaring van [medeverdachte 2] is geloofwaardig nu tegenstrijdigheden klein zijn en meer als uitbreidingen zijn te kenschetsen. Er zijn voorts veel overeenkomsten met ander bewijs. [medeverdachte 2] heeft bovendien geen belang om te liegen. Uit de peilgegevens van de telefoons van verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is af te leiden dat het zeer waarschijnlijk is dat de drie mannen gezamenlijk naar Rotterdam zijn gereisd, terwijl de telefoons van verdachte en [medeverdachte 4] ten tijde van de overval uitpeilden in de buurt van de plaats delict. Anderhalf tot twee uur na de overval peilden de telefoons uit in de omgeving van de Wibautstraat te Amsterdam, in de buurt van de zus van [medeverdachte 3] ([zus medeverdachte 3]). Ook dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 2] dat het geld dat bij de overval was buitgemaakt bij haar zou zijn achtergelaten. Bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 4] werden een Glock 9mm en een hagelgeweer met afgezaagde loop aangetroffen. Aangever [slachtoffer 1] denkt het geweer te herkennen als bij de overval gebruikt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] betwist. Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het uitgesloten is dat [medeverdachte 2] niet zelf enige betrokkenheid heeft gehad bij het feit en aldus op basis van eigen daderschap een verklaring heeft afgelegd. Er zijn vele redenen te bedenken waarom hij verdachte heeft willen belasten.

Met betrekking tot de peilgegevens van de mobiele telefoons bevat het dossier tegenstrijdige informatie. Het Openbaar Ministerie stelt dat de telefoon van verdachte tijdens de overval in Rotterdam uitpeilde, terwijl in een proces-verbaal op pagina A286 is vermeld dat de betreffende telefoon zich nu juist niet in Rotterdam bevond. Bovendien kan geen koppeling tussen verdachte en de betreffende mobiele telefoon worden vastgesteld. De politie koppelt nog twee andere telefoontoestellen aan verdachte, die zich ten tijde van de overval in Amsterdam en Almere bevonden. Kennelijk zijn de toestellen van hand tot hand gegaan en bevonden zich niet bij een vaste houder. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van de overval zelf gebruikt maakte van de betreffende mobiele telefoon.

Uit het verrichte DNA onderzoek naar de schoenveters van het slachtoffer [slachtoffer 1] kan de betrokkenheid van verdachte bij de overval niet worden vastgesteld. Beide aangevers hebben voorts bij een foslo-confrontatie met stelligheid andere personen dan verdachte als dader aangewezen. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De beoordeling van de bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

[medeverdachte 2] heeft tegen de politie verklaard over een overval door [medeverdachte 3] en [verdachte] in Rotterdam. Daar hebben ze ongeveer € 15.000,- opgehaald. [medeverdachte 2] heeft dit geld gezien in de omgeving van de Wibautstraat te Amsterdam, bij een familielid van [medeverdachte 3] die [zus medeverdachte 3] wordt genoemd.ii

[medeverdachte 3] is [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] wees een persoon op een foto aan als degene die hij [verdachte] noemde. Het betreft een foto van verdachte. De overval in Rotterdam was in maart 2010. [medeverdachte 3] heeft € 7000,- naar [zus medeverdachte 3] gebrachtiii

Ook [medeverdachte 4] is mee geweest naar Rotterdam.iv

Uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat er op 13 maart 2010 een overval heeft plaatsgevonden in een woning aan de [adres] te Rotterdam, gepleegd door mogelijk twee Antilliaanse mannen en een blanke man.v

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 13 maart 2010 in de woonkamer van zijn woning [adres] te Rotterdam was, samen met zijn vriendin [slachtoffer 2]. Tussen 22.00 en 22.30 uur werd er op woning geklopt. Aangever opende de voordeur. Er stond een blanke man voor de deur die zei dat hij een afspraak had. Daarop kwam een zwarte man aanlopen uit de richting van de carport. Deze zei dat aangever naar binnen moest gaan. Aangever denkt dat deze man een handvuurwapen in zijn hand had. De beide mannen pakten aangever vast en duwden hem tegen de muur. Daarop ontstond een worsteling. Een derde man kwam erbij en zei dat ze moesten stoppen en dat ze naar binnen moesten gaan. Deze man had een geweer met afgezaagde loop vast en hield dit op aangever gericht. De man had een zwarte huidskleur en een kaal hoofd.

De man sloeg aangever meermalen met de kolf van het geweer in zijn gezicht. Aangever werd door de mannen de woonkamer ingetrokken, waarna hij werd gedwongen op de grond te gaan liggen. Er werd vervolgens iets, waarschijnlijk een deken, over zijn hoofd gelegd en zijn handen werden vastgebonden met veters uit zijn schoenen. Hij hoorde dat tegen zijn vriendin werd gezegd dat zij naast hem moest gaan liggen. De zwarte kale man riep tegen aangever: "Waar is het geld, waar is het grote geld?". Aangever zei dat hij geen geld had. Daarop zei de man: "Als je niet zegt waar het geld ligt, verkracht ik je wijf". Aangever zei dat het in de lade lag. In de lade van het dressoir lag ongeveer € 3500,-. Op de eerste verdieping lag ongeveer € 16.000,-. Dit geld is meegenomen. De mannen hebben ongeveer 20 minuten in de woning gezocht. De begane grond en de eerste verdieping waren overhoop gehaald. Er is tevens een mobiele telefoon en een sleutelbos met sleutels weggenomen.

Verbalisanten hebben waargenomen dat de huid onder het rechteroog van aangever paars en blauw was. Tevens zagen zij een verwonding op zijn linkerwang.vi

Volgens aangeefster [slachtoffer 2] werd op 13 maart 2010 omstreeks 22.30 uur op de ruit van de woning geklopt. Haar man, [slachtoffer 1], is naar de voordeur gegaan en heeft de deur geopend. Zij begreep dat er gevochten werd en is naar de keuken gerend om 112 te bellen. Ze zag dat er een onbekende, vermoedelijk Antilliaanse, man, glad geschoren, achter haar stond. De man sommeerde haar te knielen. Vervolgens voelde zij dat hij een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp tegen haar hoofd duwde. Zij moest van hem naar de woonkamer lopen, waar zij [slachtoffer 1] op de grond zag liggen. De man zei: "Ga naast je vent liggen". Zij zag dat het rechteroog van [slachtoffer 1] dik en gezwollen was. Toen zij op de grond lag kreeg zij een kleed over haar hoofd gelegd. Zij hoorde één van de mannen zeggen: "Waar is het grote geld, anders verkrachten we je wijf?". Na een aantal minuten voelde zij dat haar handen op haar rug werden gebonden. Zij hoorde dat ook de handen van [slachtoffer 1] werden vastgebonden. Zij hoorde dat het huis werd doorzocht.

Een envelop met daarin €18.000,- tot € 20.000,- is weggenomen, evenals een sleutelbos met sleutels.vii

Het mobiele telefoonnummer [tel nr 1] is van verdachte.viii

De historische gegevens van de mobiele telefoonnummers van verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn opgevraagd.

De telefoon van verdachte, met nummer [tel nr 1], peilde op 13 maart 2010 om 19.37 uur uit in Hoofddorp, rond 22.45 uur in Hoogvliet en op 14 maart 2010 te 00.53 uur in de Wibautstraat te Amsterdam.

De telefoon van [medeverdachte 3] peilde op 13 maart 2010 te 19.37 uur uit in Hoofddorp, om 20.04 uur in Rotterdam en op 14 maart 2010 om 00.24 uur op het Prins Bernhardplein te Amsterdam.

De telefoon van [medeverdachte 4] peilde om 20.07 uur uit in Rotterdam en om 22.49 uur in Rotterdam-Hoogvliet, terwijl deze om 00.36 op het Prins Bernhardplein te Amsterdam uitstraalde.ix

Overweging omtrent het bewijs

Anders dan de verdediging, acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 2] geloofwaardig en betrouwbaar, zodat deze voor het bewijs kan worden gebruikt. [medeverdachte 2] heeft bij de politie uit zichzelf over de overval in Rotterdam verklaard, terwijl de overval op dat moment nog niet bij de politie in Amsterdam bekend was. Op basis van de verklaring van [medeverdachte 2] doet de politie in Amsterdam navraag bij hun collega's in Rotterdam. Dan blijkt een overval in Rotterdam gepleegd te zijn, waarvan de details overeenkomen met van [medeverdachte 2] verkregen informatie.

De verklaring van [medeverdachte 2] bevat voorts details die door andere bewijsmiddelen bevestigd worden. Zo wordt zijn verklaring dat de overval is gepleegd door verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ondersteund door de historische telefoongegevens van de telefoons van deze drie verdachten. De telefoons peilden rond de tijd van de overval uit in de buurt van de plaats delict, terwijl de telefoons even na middernacht uitstraalden in de buurt van de Wibautstraat te Amsterdam, waar volgens de verklaring van [medeverdachte 2] [zus medeverdachte 3] woonachtig is.

De rechtbank ziet in het dossier geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [medeverdachte 2] zelf bij de overval betrokken is geweest en mogelijk om die reden een belastende verklaring voor anderen zou hebben afgelegd. Evenmin is gebleken dat [medeverdachte 2] een andere reden had om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen.

Dat in het proces-verbaal op pagina A286 is vermeld dat het toestel met nummer [tel nr 1] van verdachte zich niet in Rotterdam bevond, kan naar het oordeel van de rechtbank niets anders dan als een vergissing worden aangemerkt. Dit proces-verbaal is van 3 juni 2010 en bevat geen gegevens waar de betreffende telefoon zich op 13 maart 2010 bevond. Het proces-verbaal van Operationele Analyse is echter van later datum, te weten 21 juni 2010, en bevat een overzicht van de peillocaties van de telefoon met nummer [tel nr 1]. Hieruit blijkt dat de telefoon op 13 maart 2010 wel degelijk in Rotterdam en Hoogvliet heeft uitgepeild.

Verdachte heeft ter zitting erkend dat de telefoon met nummer [tel nr 1] aan hem toebehoorde, maar ontkende op de avond van 13 maart 2010 van deze telefoon gebruik te hebben gemaakt. Verdachte beriep zich vervolgens op zijn zwijgrecht toen hem de vraag werd gesteld bij wie de telefoon dan wel was die avond. Nu verdachte de suggestie dat een ander zijn telefoon die avond bij zich had op geen enkele wijze aannemelijk heeft weten te maken en hierover geen verklaring wenst af te leggen, acht de rechtbank deze stelling ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er aldus van uit dat het verdachte is geweest die met zijn mobiele telefoon op 13 maart 2010 via Hoofddorp naar Rotterdam is gereisd.

Met de raadsvrouw is rechtbank van oordeel dat het DNA-onderzoek betreffende de schoenveters niet kan bijdragen aan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

De negatieve fosloconfrontaties doen niet af aan het overtuigende bewijs nu de waarde van een negatieve herkenning in het algemeen beperkt moet worden geacht. Voor het niet-herkennen van de foto's van verdachten als de daders, zijn in dit geval voorts verschillende andere voor de hand liggende factoren aan te wijzen naast de - door de verdediging bepleite - mogelijkheid dat de daders andere personen zouden betreffen. Hierbij wijst de rechtbank op het tijdsverloop tot het moment dat de fosloconfrontaties met de aangevers werd verricht, het feit dat het ten laste gelegde in de avonduren heeft plaatsgevonden en de slachtoffers een deken over hun hoofd heen gelegd hebben gekregen.

4.3 Ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair of subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.4. Ten aanzien van het onder 3 primair en subsidiair en 4 ten laste gelegde:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezen verklaring gevorderd met betrekking tot het onder 3 primair en 4 ten laste gelegde.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1], de observaties van verdachte, de telefonische contacten van verdachte met een persoon in Engeland, de aankoop van tickets, de discussie over geld, de aanhouding van [medeverdachte 1] op Schiphol en haar afgelegde verklaring blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] heeft uitgelokt om heroïne naar Engeland uit te voeren.

Getuige [getuige 1] (hierna: "[getuige 1]") heeft verklaard dat verdachte heeft getracht ook haar zover te krijgen dat zij drugs voor hem zou gaan vervoeren. Voorts is er een groot aantal telefoongesprekken waaraan verdachte deelnam, waar in versluierde taal lijkt te worden gesproken over handel in drugs en mogelijke ripdeals. Bij één van deze personen waarmee verdachte heeft gesproken is thuis heroïne en cocaïne gevonden. Ook in de woning van een vriendin van verdachte werd thuis een paar gram cocaïne aangetroffen. In samenhang bezien met de heroïne die verdachte voorhanden heeft gehad om aan [medeverdachte 1] te verstrekken, kan, alles geschakeld en tezamen bekeken, bewezen worden dat verdachte meermalen heroïne en cocaïne voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit geen opmerkingen met betrekking tot het bewijs naar voren gebracht. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft zij vrijspraak bepleit.

Afgezien van de verklaring van [medeverdachte 1], bevindt zich in het dossier zich geen enkele verklaring waaruit zou blijken dat verdachte op enig moment een hoeveelheid cocaïne of heroïne voorhanden heeft gehad. Er is geen cocaïne of heroïne in beslag genomen waarvan gezegd kan worden dat verdachte die op enig moment voorhanden heeft gehad. Ook aan de hand van de tapgesprekken kan niet worden vastgesteld dat verdachte drugs voorhanden heeft gehad.

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 3 ten laste gelegde feit, ligt aan het voorhanden hebben van de heroïne en de verstrekking ervan aan [medeverdachte 1] één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag en is aldus sprake van een voortgezette handeling.

Het oordeel van de rechtbank

De beoordeling van de bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 29 april 2010 werd [medeverdachte 1] op Schiphol aangehouden.x

Bij de insluitingsfouillering haalde zij een duwersbol uit haar vagina.xi

De duwersbol is inbeslaggenomenxii

In de bij [medeverdachte 1] inbeslaggenomen bol zat 247 gram van een materiaal bevattende heroïne.xiii

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij werd lastig gevallen door een ex-vriend. Zij heeft een jongen benaderd die zij kende om haar te beschermen te haar ex-vriend. Deze jongen heeft daarop een andere jongen benaderd die haar zou helpen. Deze jongen heeft vier dagen voor haar aanhouding telefonisch contact met haar opgenomen. De jongen verlangde als tegenprestatie dat zij verdovende middelen zou wegbrengen. In de vier dagen voor haar aanhouding hebben zij en de jongen elkaar diverse keren telefonisch gesproken. In de avond van 28 april 2010 is de jongen bij haar thuis in [plaats] geweest. De avond daarvoor had zij aan hem haar persoonlijke gegevens doorgegeven. Toen de jongen bij haar was, vertelde hij dat zij naar Londen moest gaan. De jongen gaf haar een ticket naar Londen.

Zij kreeg van hem een Engels telefoonnummer van een persoon genaamd [contactpersoon]. Deze persoon moest zij bellen nadat zij in Londen was geland.

In de vroege ochtend van 29 april 2010 kwam de jongen weer bij [medeverdachte 1] thuis. Hij had de verdovende middelen bij zich, in een soort worst met daaromheen zwarte tape of plastic. [medeverdachte 1] stopte vervolgens de worst met verdovende middelen in haar vagina. Daarop bracht de jongen haar naar Schiphol. Bij de douane werd zij in een hokje geplaatst. Op dat moment belde de jongen haar. Vervolgens werd zij gefouilleerd, waarbij zij de verdovende middelen uit haar lichaam haalde.xiv

Op 28 april 2010 belde verdachte met [medeverdachte 1]. Verdachte vroeg: "100?", waarop [medeverdachte 1] antwoordde: "Ja 100. Maar Europa toch?"xv

Op 28 april 2010 belde verdachte met een man. Verdachte zei: "City is er niet" en "is vandaag niet meer'. De man zei: "doe alleen geen Gatwick, Gatwick is ver."xvi

Ongeveer 6 minuten later belde verdachte opnieuw met de man. Verdachte zei: "Er is helemaal niet vandaag" en "Wat denk je van morgen?"xvii

Verdachte belde vervolgens naar [medeverdachte 1] en zei: "Het kan morgenochtend." [medeverdachte 1] zei dat het goed is.xviii

Op 28 april 2010 te 22.08 uur belde [medeverdachte 1] naar verdachte. Verdachte zei: "Ik moet naar je toekomen, ik kom nu."xix

Bij een observatie op 28 april 2010 werd waargenomen dat een Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] naar het adres van [medeverdachte 1], [adres 2] te [plaats], reed. Om 22.35 uur is de bestuurder kort uitgestapt om vervolgens weer door te rijden. Door de observant werd de bestuurder herkend als verdachte [verdachte]. Om 22.38 uur stond zijn auto geparkeerd ter hoogte van de portiek van de woning van [medeverdachte 1].xx

Op 29 april 2010 te 04.30 uur werd [medeverdachte 1] gebeld door verdachte. Verdachte zei: "He, die deur". [medeverdachte 1] zei daarop: "ik kom".xxi

Op 29 april 2010 te 06.32 uur werd [medeverdachte 1] gebeld door verdachte. [medeverdachte 1] zei tegen verdachte dat zij was aangehouden.xxii

Om 06.34 uur belde verdachte naar een telefoonnummer in Engeland. Hij zei: "Hoofdpijn, hoofdpijn", "vanaf hier al naar achteren gehaald" en "ze heeft die nummer van jou."xxiii

Overweging omtrent het bewijs.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [medeverdachte 1] heeft uitlokt om heroïne naar Engeland uit te voeren. Uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 29 april 2010 met de verdovende middelen naar [medeverdachte 1] is toegegaan. Aldus heeft verdachte op 29 april de verdovende middelen opzettelijk aanwezig gehad.

Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat aan het voorhanden hebben van de heroïne en het verstrekken ervan aan [medeverdachte 1] twee verschillende wilsbesluiten ten grondslag liggen en aldus niet gesproken kan worden van een voortgezette handeling. Bij de strafoplegging zal de rechtbank echter rekening houden met de samenhang die tussen beide feiten bestaat.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte naast de heroïne op 29 april 2010, nog op andere momenten verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Zo uit de afgeluisterde telefoongesprekken of uit de getuigenverklaring van [getuige 1] kan worden afgeleid dat verdachte zich ook in andere gevallen met verdovende middelen bezig hield, kan daarmee nog niet bewezen worden dat verdachte, al dan niet tezamen met anderen, deze drugs ook daadwerkelijk voorhanden heeft gehad. Van de drugs die bij anderen dan bij verdachte zijn aangetroffen kan niet worden vastgesteld dat verdachte hier iets mee van doen heeft gehad.

4.5. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezen verklaring gevorderd van het onder 5 ten laste gelegde. In afgeluisterde telefoongesprekken waaraan verdachte deelnam, lijkt herhaaldelijk in versluierde vorm te worden gesproken over wapens.

Zo is er een gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 2] waarin [medeverdachte 2] aan verdachte vraagt of hij dat ene ding nog heeft. Na contact tussen verdachte en zijn broer [broer verdachte], waarbij verdachte vraagt of hij 'dat ding' kan krijgen, laat verdachte aan [medeverdachte 2] weten dat hij het maandag krijgt. Bij de aanhouding van [medeverdachte 2] werd een wapen aangetroffen.

Bij de familie van verdachte wordt in de slaapkamer van broer [broer verdachte] een patroon, een doosje patronen en een gebruiksaanwijzing van een Walther vuurwapen aangetroffen.

Met betrekking tot de overval in Rotterdam heeft [medeverdachte 2] verklaard dat verdachte met zijn auto zijn wapen is gaan halen.

Bij een vriendin van verdachte, te weten [vriendin verdachte] (hierna: "[vriendin verdachte]") werd een vuurwapen Glock met patronen in beslag genomen. Deze vriendin heeft verklaard dat verdachte bij haar thuis kwam.

[medeverdachte 4], tevens aanwezig bij de overval in Rotterdam, had een hagelgeweer met afgezaagde loop in huis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

Verdachte ontkent betrokkenheid bij de overval in Rotterdam. Bovendien heeft aangever [slachtoffer 1] op hem getoonde afbeeldingen van wapens niet de Glock aangewezen als gebruikt bij de overval.

Het vuurwapen Glock dat bij [vriendin verdachte] in [plaats] is aangetroffen, kan niet aan verdachte worden toegeschreven. De enkele omstandigheid dat verdachte daar wel eens verbleef, is daartoe onvoldoende. Andere aanknopingspunten dat het vuurwapen aan verdachte toebehoorde zijn er niet.

Voor zover al uit de door de officier van justitie genoemde gesprekken kan worden afgeleid dat over wapens wordt gesproken, kan in ieder geval niet worden vastgesteld dat verdachte deze wapens ook daadwerkelijk voorhanden heeft gehad en dat het gaat om wapens die binnen de categorieën vallen zoals ten laste gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte, al dan niet tezamen met anderen, wapens of munitie van categorie II of III voorhanden heeft gehad. Onder verdachte zelf zijn geen wapens of munitie in beslag genomen.

Bij [vriendin verdachte] is een vuurwapen van het merk Glock aangetroffen. [vriendin verdachte] is een vriendin van verdachte en uit de stukken kan worden afgeleid dat hij ook in de woning van [vriendin verdachte] is geweest. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat dit wapen aan verdachte toebehoorde en hij het bij [vriendin verdachte] bewaarde. Dat verdachte aan telefoongesprekken heeft deelgenomen waarin mogelijk over wapens wordt gesproken, maakt dit niet anders. Een koppeling tussen de inhoud van deze gesprekken en het vuurwapen van het merk Glock kan niet worden gemaakt.

Ook voor de wapens en/of munitie die bij de broer van verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, geldt dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken niet zonder meer volgt dat verdachte met deze wapens en/of munitie van doen heeft gehad.

Bij de woningoverval in Rotterdam, die mede door verdachte is gepleegd, zijn wapens gebruikt. De slachtoffers hebben een omschrijving gegeven van de uiterlijke kenmerken van deze wapens. De precieze aard en categorie van de wapens kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld, hetgeen eveneens aan een bewezenverklaring in de weg staat.

De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat verdachte het onder feit 5 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.6. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:

Het standpunt van de officier van justitie

Van verdachte zijn de laatste jaren geen inkomsten bij de Belastingdienst / UWV bekend. Volgens verklaringen van een tante en de oma van verdachte, heeft verdachte vanaf 2007 diverse geldbedragen ontvangen. Ook met inachtneming van deze schenkingen zijn de uitgaven van verdachte in de ten laste gelegde periode veel hoger dan zijn legale inkomsten. Verdachte had sieraden ter waarde van € 27.815,- in zijn bezit en had een Opel Corsa voorhanden. Verdachte hield zich bezig met criminele activiteiten. Het geld dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft uitgegeven aan de huur van de Opel Corsa, aan levensonderhoud, de zorgverzekering en de duwersbol heroïne, moet afkomstig zijn van misdrijf. De officier van justitie acht met betrekking tot dit geld, alsmede voor de sieraden en de Opel Corsa witwassen bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

Verdachte heeft de inbeslaggenomen sieraden reeds jaren in zijn bezit. Door de sterk gestegen goudprijs in de afgelopen jaren vertegenwoordigen deze sieraden op dit moment een aanzienlijk hogere waarde dan op het moment van verwerving.

De sieraden zijn deels reeds lang in de familie en deels gegeven ter gelegenheid van bijzondere gelegenheden. Voorts heeft de familie van verdachte een aanzienlijke schadevergoeding ontvangen ten gevolge van de Bijlmerramp. De andere in de tenlastelegging genoemde voorwerpen vertegenwoordigen niet een waarde die dusdanig opmerkelijk is dat verdachte uitleg moet geven over de herkomst.

Verdachte is voorts niet de enige geweest die de huurauto gebruikte en heeft ook niet permanent de kosten voor deze auto betaald.

Verdachte heeft op de terechtzitting ontkend dat hij de Opel Corsa heeft geleased.

Het oordeel van de rechtbank

De beoordeling van de bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 6 juli 2010 werd tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte te [woonplaats] een autosleutel van het merk Opel aangetroffen. Op de parkeerplaats voor de flat stond een Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] geparkeerd, waarop de sleutel paste. In de auto lag het rijbewijs van verdachte.xxiv

Blijkens een mutatie rapport hebben rapporteurs op 16 februari 2010 verdachte bij Geldershoofd te Amsterdam zien rijden in een leaseauto met kenteken [kenteken 1]. Rapporteurs hebben deze auto meermalen voor de deur van Geldershoofd zien staan.xxv

Blijkens een ander mutatie rapport hebben rapporteurs op 4 april 2010 met verdachte gesproken, terwijl verdachte naast een Opel Corsa stond met kenteken [kenteken 1]. Verdachte verklaarde dat dit zijn nieuwe auto was, welke op naam van een leasebedrijf stond.xxvi

De Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] is eigendom van Prolease B.V.xxvii

Prolease heeft de Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] geleased aan Todos B.V., die het voertuig verhuurde aan [verdachte]. De huurprijs van de auto, berekend op basis van een gemiddelde huurprijs van € 36,- per dag was ongeveer € 1080,- per maand.

Uit de door de Belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat van verdachte geen inkomsten bekend zijn. Bij het UWV komt hij niet voor. Verdachte heeft aldus geen inkomen uit een dienstverband en heeft geen uitkering. Evenmin heeft hij een ooit een dienstverband of uitkering gehad.xxviii

Overweging omtrent het bewijs.

Verdachte heeft geen inkomen of uitkering en heeft deze in het verleden ook nooit gehad. De oma van verdachte en een tante van hem hebben verklaard dat zij verdachte in het verleden een geldbedrag hebben geschonken, respectievelijk hebben geleend. De verdediging heeft deze schenkingen echter niet met stukken kunnen aantonen. Echter, ook indien van de juistheid van deze verklaringen wordt uitgegaan, is het geld dat verdachte te besteden had volstrekt onvoldoende om - naast de gebruikelijke kosten voor levensonderhoud - de huur van de Opel Corsa te bekostigen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de Opel Corsa niet heeft geleased, maar weigerde vervolgens te verklaren wie dan wel. De rechtbank zal, gezien deze weigering van verdachte zijn stelling te onderbouwen, geen waarde hechten aan zijn verklaring. Verdachte heeft voorts geen inzicht willen geven op welke wijze hij aan de middelen is gekomen om deze auto te kunnen huren. Blijkens de bewezenverklaring voor de feiten 1, 3 primair en 4 houdt verdachte zich bezig met criminele praktijken. De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld waarmee de huur van de Opel Corsa is betaald, door misdrijf is vergaard. Dit maakt dat de Opel Corsa zelf middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat witwassen voor de andere op de tenlastelegging vermelde goederen dan de Opel Corsa niet kan worden bewezen en zal verdachte daarvoor vrijspreken. Met betrekking tot de sieraden heeft verdachte verklaard dat deze al langere tijd in zijn bezit zijn en deels van familie afkomstig zijn. Deze verklaring kan niet zonder meer als ongeloofwaardig of kennelijk onjuist terzijde worden geschoven. Uit het dossier blijkt immers niet dat de sieraden zelf onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn, noch dat de sieraden recentelijk door verdachte zijn gekocht of verworven.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 13 maart 2010 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in woonperceel [adres] geldbedragen totaal circa 19.500 euro en een mobiele telefoon en een sleutelbos met sleutels, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededaders voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vuurwapens hebben getoond en met de kolf van een vuurwapen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben geslagen en vervolgens voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en vervolgens beide handen van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan elkaar hebben vastgeboden met veters en vervolgens een deken over het hoofd van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gelegd en vervolgens aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gevraagd: "Waar is het geld, waar is het grote geld? en "Als je niet zegt waar het geld ligt, verkracht ik je wijf".

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde:

[medeverdachte 1] op 29 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en te Amsterdam, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (namelijk Engeland) te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet , 247 gram hero ïne, opzettelijk één duwersbol met daarin een hoeveelheid heroïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad,

welk bovengenoemd feit hij, verdachte, op in de periode van 25 april 2010 tot en met 29 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en te Amsterdam opzettelijk heeft uitgelokt door

- voornoemde [medeverdachte 1] te beloven dat hij, verdachte, voornoemde [medeverdachte 1] zou beschermen tegen haar ex-vriend en

- een hoeveelheid heroïne aan voornoemde [medeverdachte 1] te verstrekken en

- een ticket naar Engeland te kopen en te verzorgen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

op 29 april 2010 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:

in de periode van 15 maart 2010 tot en met 6 juli 2010 te Amsterdam een voorwerp, te weten een huurauto (Opel Corsa), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 3 primair, 4, 5 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 78 maanden, met aftrek van voorarrest.

Met betrekking tot het beslag heeft hij gevorderd dat de rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen sieraden en certificaten geen beslissing zal nemen met het oog op een nog in te dienen ontnemingsvordering. Van deze sieraden is uitgezonderd het horloge van het merk Guess. Nu aannemelijk is dat dit toebehoort aan [persoon 1] kan het aan haar worden teruggegeven. Het fototoestel kan worden teruggegeven aan verdachte. Het steekwerend vest dient onttrokken te worden aan het verkeer.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de eis van de officier van justitie buitenproportioneel is. Bij het bepalen van de straf dient bovendien ten gunste van verdachte rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat zijn aanhouding is gefilmd en vervolgens op de televisie is uitgezonden. Voor mensen die in zijn buurt wonen is hij herkenbaar in beeld geweest.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen een gewelddadige en bijzonder intimiderende woningoverval gepleegd. Uit het dossier is gebleken dat de overval niet in een opwelling is gepleegd. De bij de overval gebruikte attributen, zoals een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, de veters, het geweld, de bedreigingen en de onderlinge taakverdeling van de overvallers, waren bedoeld om de overval zo vlekkeloos mogelijk te laten verlopen en de slachtoffers te intimideren. Bij deze overval is één van de slachtoffers met de kolf van een geweer tegen zijn hoofd geslagen. Dit slachtoffer heeft daardoor verwondingen opgelopen. Uit de woning is onder meer een groot geldbedrag weggenomen. Verdachte heeft, uit puur geldelijk gewin, zijn slachtoffers groot onrecht aangedaan. Door aldus te handelen heeft verdachte, samen met zijn mededaders, een zeer grove inbreuk gemaakt op de integriteit van de slachtoffers. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt duidelijk dat zij de overval als traumatisch hebben ervaren en doodsangsten hebben beleefd. Dat de gewelddadigheden plaatsvonden in de avonduren in de woning van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], is strafverzwarend. Een woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Bovendien ervaart de samenleving dit soort misdrijven als schokkend. Dit soort misdrijven draagt bij tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft verdachte een vrouw ertoe gebracht om een partij heroïne naar Engeland uit te voeren. Daarbij heeft hij misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin deze vrouw zich bevond. Voordat hij de heroïne aan de vrouw gaf, had hij de drugs eerst zelf aanwezig. Heroïne levert een onaanvaardbaar risico op voor de gezondheid, nu deze stof verslavend is en regelmatig gebruik gewoonlijk schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengt. De verspreiding van en handel in heroïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen bijbedragen aan het in stand houden van de negatieve reputatie die Nederland in het buitenland heeft als uitvoerland van verdovende middelen.

Tenslotte heeft verdachte opbrengsten uit misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken, door met zijn criminele inkomsten een auto te huren. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een langdurige vrijheidsstraf. Daarbij neemt de rechtbank de oriëntatiepunten voor de straftoemeting zoals die binnen de rechtbank Amsterdam gelden als uitgangspunt. In deze oriëntatiepunten wordt voor een woningoverval - afhankelijk van de mate van gebruikt geweld - een gevangenisstraf tussen de 3 en 5 jaar passend geacht. Gezien het feit dat fors geweld door verdachte en zijn mededaders is gebruikt, dat met wapens is gedreigd en er ook ernstige verbale bedreigingen zijn geuit, zal de rechtbank uitgaan van de hoogste straf binnen deze categorie.

Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank voorts rekening met het feit dat verdachte eerder voor misdrijven, waaronder geweldsdelicten, is veroordeeld.

De omstandigheid dat verdachte's aanhouding is gefilmd en op de televisie is uitgezonden dient geen invloed te hebben op de hoogte van de straf. Zo verdachte van oordeel is dat hij op een onheuse wijze door het openbaar ministerie is bejegend staan hem andere wegen open om hierover te klagen. In de onderhavige strafzaak is verdachte hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank zal de officier van justitie niet volgen in zijn vordering om - met het oog op een nog in te dienen ontnemingsvordering - met betrekking tot een groot aantal inbeslaggenomen voorwerpen geen beslissing te nemen. Nu met betrekking tot deze goederen geen conservatoir beslag is gelegd en de goederen onder verdachte in beslag zijn genomen, zal de rechtbank thans over het beslag moeten oordelen.

8.4 Onttrekking aan het verkeer

De volgende voorwerpen zijn onder meer in beslag genomen: 2 boardingpassen en een steekwerend vest (nummers 13 en 21 van de beslaglijst).

Nu deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

8.5 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade ingediend voor een bedrag van € 19.850. De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade ingediend voor een bedrag van € 2500,-.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze materiële schade op € 19.850,- (zegge negentienduizend achthonderd en vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Wanneer tevens een ander of anderen worden veroordeeld tot vergoeding van dezelfde schade, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ) aan verdachte opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze immateriële schade op € 2500,- (zegge vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Wanneer tevens een ander of anderen worden veroordeeld tot vergoeding van dezelfde schade, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ) aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36 d,

36f, 47, 57, 312 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet .

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 2 primair en subsidiair en 5 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 primair, 4 en 6 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 3 primair bewezen verklaarde:

Uitlokking van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

13. 2.00 STK Identiteitsbewijs

BOARDINGPAS

(3872223) 2 boardpassen naar Aruba: [verdachte], [persoon 1]

21. 1.00 STK Kleding Kl: zwart

VEST

(3872050) een zwarte steekwerend vest

Gelast de teruggave aan verdachte van:

12. 3x gegevensdragers (3872159)

Opschriften: Kingston, Viking en Bibliotheek

14. 3.00 STK Certificaat Kl: Wit

CERTIFICAAT

(3872227) 18krt goud: bracelet ring en ring.

15. 2.00 STK Certificaat

CERTIFICAAT

(3872231) Diamant certificaat.

16. 1.00 STK Bankbescheiden

BANKBESCHEIDEN MA363042.

(3872333) 1 gouden bicolor armband

17. 1.00 STK Bankbescheiden

WAARDEPAPIEREN MA349513-01

(3872340) 1 gouden collier

18. 1.00 STK Fototoestel Kl: zilverkleurig

KODAK Ls633 KJCCF40900264

(3872351) compact fotocamera zonder geheugenkaart

28. 1.00 STK Horloge

GUESS 190179L1

Goudkleurig met steentjes (3872205)

29. 1.00 STK Ring

-

Goudkleurig met steentjes (3872207)

30. 1.00 STK Sieradendoos Kl: bruin

-

Sieradendoosje (3872214)

31. 3.00 STK Sieraad

-

Ketting goudkleurig (gebroken) 3872216

32. 3.00 STK Sieraad

3872218

Oorsieraad; 2x hartjes met druppel; 1x ring

33. 1.00 STK Hanger

-

Goudkleurig met zwarte steen (3872220)

34. 1.00 STK Hanger Kl: zilver

(3872357)

Kruis met zwarte en witte steentjes

35. 1.00 STK Hanger

(3872361)

Goudkleurig; fantasiekruis met Christusfiguur

36. 1.00 STK Hanger

-

Goud en zilverkleurig Christushoofd (3872367)

37. 1.00 STK Armband

-

Goudkleurig; gevlochten schakels (3872373)

38. 1.00 STK Sieradendoos Kl: groen

-

Groen fluweel (3872376)

Wijst de vordering van [slachtoffer 1], wonende op het adres [adres] [plaats], toe tot € 19.850,- (zegge negentienduizend achthonderd en vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1], € 19.850,- (zegge negentienduizend achthonderd en vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 134 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2], wonende op het adres [adres] [plaats], toe tot € 2500,- (zegge vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2], € 2500,- (zegge vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 35 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. B. van Berge Henegouwen en C.J. Petiet, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Pag. 308 e.v. (proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], d.d. 20 mei 2010)

iii Pag. 507. e.v. (proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2]. d.d. 26 mei 2010)

iv Pag. 675 e.v. (proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], d.d. 24 juni 2010)

v Pag. 527 e.v. (proces-verbaal van bevindingen Operationele Analyse)

vi Pag. 584 e.v. (proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1])

vii Pag. 596 e.v. (proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2])

viii De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 juli 2011.

ix Pag. 755 e.v. (proces-verbaal van bevindingen Operationele Analyse)

x Pag. A308 (proces-verbaal van aanhouding)

xi Pag. A309 (proces-verbaal)

xii Pag. A322-A323 (proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming)

xiii Pag. A406 (rapport politiedeskundige drs. R. Jellema)

xiv Pag. A325 e.v. (proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1])

xv Pag. A361 e.v. (tapgesprek 28-04-2010 14:37:50)

xvi Pag. A366 (tapgesprek 28-04-2010 18:50:05)

xvii Pag. A367 (tapgesprek 28-04-2010 18:56:19)

xviii Pag. A368 (tapgesprek 28-04-2010 18:57:27)

xix Pag. A371 (tapgesprek 28-04-2010 22:08:03)

xx Pag. A394 (observatie 28 april 2010)

xxi Pag. A382 (tapgesprek 29-04-2010 04:30:22)

xxii Pag. A384 (tapgesprek 29-04-2010 06:32:07)

xxiii Pag. A385 (tapgesprek 29-04-2010 06:34:28)

xxiv Pag. 777 (proces-verbaal van bevindingen)

xxv Pag. A515 e.v. (mutatie rapport)

xxvi Pag. A517 e.v. (mutatie rapport)

xxvii Pag. A519 (kenteken gegevens KTR)

xxviii Pag. A475 e.v. (proces-verbaal van bevindingen vermoeden witwassen)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature