< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoekers rijbewijs is ongeldig verklaard. De voorzieningenrechter oordeelt dat op voorhand niet kan worden aangenomen dat verzoekers bezwaar hiertegen een redelijke kans van slagen heeft. Gebleken is dat er nog veel onderzoek moet worden gedaan hangende de bezwaarfase.

De uitkomsten van dit onderzoek zijn ongewis. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3564 WVW

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juli 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven,

tegen:

de Stichting Centraal bureau rijvaardigheidsbewijzen,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2011 heeft verweerster het rijbewijs van verzoeker met ingang van 1 juni 2011 ongeldig verklaard, omdat uit een tweetal onderzoeken is gebleken dat verzoeker niet voldoet aan de eisen van geschiktheid.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 30 juni 2011 bezwaar gemaakt. Bij brief van eveneens 30 juni 2011 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 juli 2011, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het Centraal bureau rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker is op 23 mei 2007 als bestuurder van een motorvoertuig aangehouden met een alcoholgehalte van 515 µg/l (= 1,185 ‰ ). In 2007 heeft verzoeker een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) gevolgd. Verzoeker is vervolgens op 8 oktober 2010 als bestuurder van een motorvoertuig aangehouden met een alcoholgehalte van 615 µg/l (= 1,415‰). Op 13 oktober 2010 heeft de regiopolitie Utrecht aan verweerster een mededeling gezonden zoals bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Op grond hiervan heeft verweerster bij besluit van 22 oktober 2010 aan verzoeker een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Verzoeker heeft vervolgens op 24 december 2010 een bloedonderzoek ondergaan en op 17 januari 2011 een lichamelijk en psychiatrisch onderzoek. Laatstgenoemde onderzoeken zijn uitgevoerd door de psychiater N. van Loenen. Deze concludeert in zijn verslag van bevindingen tot misbruik van alcohol volgens de DSM IV TR-criteria en tot misbruik van alcohol in ruime zin. Verzoeker heeft vervolgens gevraagd om een tweede onderzoek. Op 28 maart 2011 heeft een tweede laboratoriumonderzoek plaatsgevonden, waarna op 11 april 2011 een lichamelijk en psychiatrisch onderzoek volgden. Deze laatste onderzoeken zijn verricht door de psychiater H.N. Dijkstra. Deze psychiater concludeert in zijn verslag van bevindingen tot alcoholmisbruik volgens de DSM IV TR-criteria en tot alcoholmisbruik in ruime zin, beide in remissie sinds januari 2011. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Op 31 mei 2011 heeft verzoeker aan het klinisch laboratorium van het Waterlandziekenhuis verzocht het bloedmonster van verzoeker op te sturen naar een ander laboratorium voor een contra-expertise. Deze contra-expertise heeft (nog) niet plaatsgevonden.

2.2 Verweerster stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de houders van een rijbewijs. In dit verband wijst verweerster op de resultaten van de door beide voormelde psychiaters uitgevoerde onderzoeken. Op grond hiervan heeft verweerster het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard.

2.3 Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij wijst erop dat er bij de DSM IV TR-criteria moet worden getoetst aan de definitie hiervan. Hierbij geldt volgens verzoeker een toetsingsperiode van twaalf maanden voorafgaand aan de laatste aanhouding. Verzoekers laatste aanhouding was op 8 oktober 2010. Aan deze toetsing heeft psychiater Van Loenen zich niet gehouden. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker verwijst in dit verband naar enkele rechtbankuitspraken en naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling). Volgens verzoeker wordt de DSM IV TR-diagnose ‘alcoholmisbruik’ niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen. Psychiater Van Loenen motiveert niet waarom het volgen van de EMA en de laatste aanhouding wijzen op voortdurend gebruik van alcohol. Verzoeker stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009, dat een enkele aanhouding na het volgen van een EMA onvoldoende is om over te gaan tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Hierbij zijn volgens verzoeker ondersteunende elementen noodzakelijk, die in dit geval ontbreken. Psychiater Dijkstra motiveert volgens verzoeker niet inzichtelijk waarom bij verzoeker sprake is van tolerantie. Ook voert verzoeker aan dat hem op het punt van de gemeten bloedwaarden ten onrechte de mogelijkheid tot een contra-expertise is onthouden. Ook in dit verband wijst verzoeker op een aantal rechtbankuitspraken. Voorts betoogt verzoeker gemotiveerd dat aan de verhoging van het GGT en de ALAT in zijn bloed geen waarde kan worden toegekend. Daarnaast voert verzoeker aan dat psychiater Dijkstra ten onrechte aan verzoeker geen inzage- en correctierecht heeft verleend. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat verweerder beide rapportages van de psychiaters Van Loenen en Dijkstra niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Tot slot voert verzoeker aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Als hij zijn rijbewijs nog langer moet missen, dreigt voor verzoeker ontslag.

2.4 Verweerster heeft op 15 juli 2011 een uitvoerig verweerschrift ingediend. Een telefoonnotitie van een gesprek van een gemachtigde van verweerster met psychiater Dijkstra maakt daar onderdeel van uit.

2.5 Ter zitting heeft verzoeker verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 1 juli 2011. Voorts heeft verzoeker een rapport van de psychiater G.W. de Graaff van 20 juni 2011 in het geding gebracht. Bovendien heeft hij gewezen op de recente ‘Richtlijn diagnostiek van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen’ van de richtlijncommissie alcoholrapportage van de Nederlandse vereniging voor psychiatrie.

2.6 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.7 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.8 In de nu voorliggende procedure zijn de volgende, onder 2.8 tot en met 2.11 opgenomen, wettelijke bepalingen van belang. Verweerster wordt hierin aangeduid met de benaming: het CBR.

2.9 Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de WVW doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien zodanige mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid onderwerpt.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, van dit artikel deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit aan de houder mede, onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

2.10 Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wvw, indien de uitslag van het onderzoek, onderscheidenlijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen voldoet.

2.11 Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 8.8 van de bijlage van de regeling staat dat voor de beoordeling of sprake is van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die van dergelijke middelen misbruik maken zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd, voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid, aldus die passage.

2.12 Verweerster heeft het bestreden besluit gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van de psychiaters Van Loenen en Dijkstra. Zij concluderen beiden zowel tot alcoholmisbruik volgens de DSM IV TR-criteria als tot misbruik van alcohol in ruime zin. Verweerster heeft ter zitting aangevoerd dat indien uitsluitend sprake is van de diagnose ‘misbruik van alcohol in ruime zin’, deze diagnose op zichzelf al voldoende grondslag biedt voor ongeldigverklaring van het rijbewijs. Verzoeker heeft dit niet bestreden. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ten aanzien van de beoordelingsperiode in het kader van de toepassing van de DSM IV TR-criteria onbesproken laten, te meer daar deze kwestie zich niet leent voor een beoordeling in het kader van een voorlopigevoorzieningprocedure.

2.13 In het licht van het voorgaande zal de voorzieningenrechter beoordelen of op voorhand kan worden aangenomen dat het bezwaar van verzoeker, gericht tegen de ongeldigverklaring een redelijke kans van slagen heeft. Of de recidiefvrije periode op een eerder tijdstip moet worden gesteld, laat de voorzieningenrechter in het kader van deze procedure, eveneens buiten beschouwing.

2.14 Het is vaststaande jurisprudentie van de Afdeling dat het enkele feit dat een betrokkene na een gevolgde EMA opnieuw is aangehouden wegens het rijden onder invloed van alcohol, onvoldoende is om over te gaan tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Verzoeker heeft in dit verband terecht gewezen op de uitspraak van de

Afdeling van 22 juli 2009 (LJN: BJ3386). In die uitspraak heeft de Afdeling immers overwogen dat het feit dat iemand is aangehouden nadat hij een EMA heeft gevolgd, slechts een van de ondersteunende elementen vormt voor de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin. Dit impliceert dat een dergelijke diagnose tevens moet zijn gebaseerd op een of meer andere elementen. Deze lijn is door de Afdeling bevestigd in de uitspraak van 12 mei 2010 (LJN: BM4197).

2.15 Psychiater Van Loenen heeft in zijn verslag opgenomen dat :

- verzoeker binnen vijf jaar twee keer is aangehouden met alcohol in het verkeer, beide keren met een relatief hoog alcoholpromillage;

- verzoeker de EMA heeft gevolgd;

- verzoeker zich bij de laatste aanhouding goed in staat voelde te rijden;

- bij verzoeker sprake was van tolerantie voor alcohol;

- bij verzoeker mogelijk sprake was van het bagatelliseren van alcoholgebruik;

- bij verzoeker sprake was van verhoogde bloedwaarden in relatie tot het gamma-GT en de ALAT;

- het niet aannemelijk is dat verzoeker met het misbruik van alcohol is gestopt.

Psychiater Dijkstra heeft in dit verband in zijn verslag opgenomen dat:

- verzoeker twee keer met alcohol in het verkeer is aangehouden met een relatief hoog alcoholpromillage;

- verzoeker zich (bij de laatste aanhouding) goed in staat voelde te rijden met een verhoogd promillage;

- verzoeker een EMA heeft gevolgd;

- bij verzoeker sprake was van tolerantie voor alcohol;

- verzoeker ten tijde van het tweede onderzoek nog geen jaar alcoholprobleemvrij was; - bij verzoeker het rijden onder invloed geen incident lijkt;

- er ten tijde van het eerste onderzoek bij verzoeker sprake was van licht afwijkende bloedwaarden.

2.16 Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd toegelicht dat en waarom hij na de laatste aanhouding is gestopt met het gebruik van alcohol. Deze verklaring komt de voorzieningenrechter niet ongeloofwaardig voor. Ook heeft verzoeker ter zitting toegelicht waarom hij middelen als ‘ibuprofen’ en ‘paracetamol’ niet als medicijnen/medicatie zag. Hierdoor heeft verzoeker de vraag in de alcoholanamnese die gaat over medicijngebruik ontkennend beantwoord. Deze verklaring van verzoeker komt de voorzieningenrechter eveneens niet ongeloofwaardig voor. Verzoeker heeft ter zitting gewezen op een (korte) rapportage van de psychiater G.W. de Graaff van 15 juni 2011. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat dit rapport geen alcoholanamnese bevat. Verzoeker heeft aangekondigd dat hij psychiater De Graaff na diens vakantie zal vragen een om een uitgebreidere versie van de rapportage. Dit kan echter nog enige tijd in beslag nemen. Voorshands stelt de voorzieningenrechter vast dat het rapport van De Graaff slechts conclusies bevat en dat de bevindingen die tot deze conclusies zouden leiden, ontbreken.

2.17 Voorts heeft verzoeker erop gewezen dat hij, voor zover het gaat om de rapportage van psychiater Dijkstra, gebruik wil maken van het inzage- en correctierecht. Verweerster heeft verklaard zich hiertegen niet te verzetten. In dit verband heeft verzoeker aangevoerd dat hij bij Dijkstra de vragenlijsten zal opvragen die verzoeker heeft ingevuld.

2.18 Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat hij tijdig heeft verzocht om een contra-expertise op het punt van enkele van de op 24 december 2010 gemeten bloedwaarden. Aanvankelijk werd door het laboratorium waar het bloedonderzoek had plaatsgevonden gesteld dat het bloedmonster van verzoeker vernietigd zou zijn. Inmiddels is gebleken dat dit bloedmonster is doorgestuurd naar het Meander Medisch Centrum in Amersfoort. Daar kan dus naar alle waarschijnlijkheid alsnog een contra-expertise plaatsvinden. Uit de stukken blijkt dat een contra-expertise op het punt van de ALAT gelet op het tijdsverloop, niet meer mogelijk is. Een contra-expertise op het punt van het gamma-GT is nog wel mogelijk, hetgeen eveneens geldt voor de bloedwaarde %CDT. Verzoeker heeft in dit verband gewezen op de hierboven onder 2.5 vermelde richtlijn. Uit deze richtlijn komt volgens verzoeker naar voren dat een solitair verhoogd gamma-GT pas een ondersteuning voor de diagnose alcoholmisbruik oplevert, als andere oorzaken op aannemelijk gemaakte wijze zijn uitgesloten. Volgens verzoeker speelt hierbij het %CDT ook een rol. Verzoeker wijst erop dat de waarde hiervan bij hem altijd goed, dat wil zeggen laag, is geweest. Hij heeft dan ook een groot belang bij de gevraagde contra-expertise. Verweerster heeft zich niet tegen deze contra-expertise verzet. Zoals de Afdeling nog onlangs heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 maart 2011 (LJN: BP8772 ) is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de afwijkende waarde in het laboratoriumonderzoek is veroorzaakt door andere factoren dan alcoholmisbruik. Van deze mogelijkheid wil verzoeker gebruik maken.

2.19 Uit het voorgaande komt naar voren dat er in de bezwaarfase nog onderzoek gaat worden verricht en stukken worden overgelegd. De uitkomsten van dit onderzoek zijn vooralsnog ongewis, zodat niet op voorhand kan worden aangenomen dat het bezwaar van verzoeker, gericht tegen het bestreden besluit, een redelijke kans van slagen heeft. Onder deze omstandigheden dient de belangenafweging in het voordeel van de verkeersveiligheid uit te vallen, ook al heeft verzoeker belang bij het kunnen beschikken over zijn rijbewijs. Verzoeker heeft overigens desgevraagd ter zitting verklaard dat hij hulp heeft van mensen in zijn omgeving die hem naar zijn (werk)afspraken rijden.

2.20 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek dan ook af.

2.21 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature