Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Watersysteemheffing/Belang bij taakuitoefening waterschap/Overschrijding van de redelijke termijn

Aan eiser is een aanslag watersysteemheffing opgelegd. Eiser wordt geacht belang te hebben bij de taakuitoefening van het Waterschap. Dat eisers terrein hooggelegen is en dat eiser niet tevreden is over de kwaliteit van de werkzaamheden van het waterschap kan niet afdoen aan zijn belastingplicht. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, zoals uitgelegd door de Hoge Raad bij arrest van 10 juni 2011 (LJN: BO5046).

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Reg.nr.: 10/342 WASCHB

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te [woonplaats],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van Tricijn Belastingen te Harderwijk (Waterschap Vallei & Eem)

verweerder.

1. Procesverloop

Aan eiser is voor het jaar 2009 een aanslag watersysteemheffing opgelegd ten bedrage van

€ 430,49 (met aanslagnummer [nummer]). Bij uitspraak op bezwaar van 25 januari 2010 heeft verweerder het door eiser tegen deze aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft bij brief van 1 maart 2010 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 juli 2011, waar eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].

2. Overwegingen

2.1 In geschil is of de door verweerder aan eiser opgelegde aanslag watersysteemheffing 2009 rechtmatig en voor het juiste bedrag is vastgesteld, voor zover het betreft de watersysteemheffing ter zake van ongebouwde onroerende zaken.

2.2 De bestreden aanslag is gebaseerd op de Verordening op de watersysteemheffing Waterschap Vallei & Eem 2009 (hierna: de Verordening), vastgesteld op 27 november 2008.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven.

Volgens het tweede lid, aanhef, onder b, wordt de heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap.

Volgens het tweede lid, aanhef, onder d, wordt de heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap.

Ingevolge artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet (hierna: Wsw) wordt onder natuurterreinen voor de toepassing van hoofdstuk XVII van de Waterschapswet en de daarop berustende bepalingen verstaan: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.

Ingevolge artikel 117 van de Wsw wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:

a. (…);

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;

d. (…).

Ingevolge artikel 122, derde lid, van de Wsw kan, voor zover van belang, de heffing maximaal 100 % hoger worden vastgesteld voor verharde openbare wegen.

2.3 Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij geen belang heeft bij de werkzaamheden van het waterschap, dat hij alleen maar nadeel daarvan heeft en dat het tarief in vergelijking met voorgaande jaren onredelijk is gestegen. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder niet binnen dertien weken op zijn bezwaarschrift heeft beslist en dat de uitspraak op bezwaar niet is ondertekend.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag rechtmatig en voor het juiste bedrag is opgelegd.

2.5 De rechtbank stelt vast dat – anders dan bij de met ingang van 1 januari 2009 vervallen waterschapsbelasting, na inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel, waarbij de Waterschapswet en het Waterschapsbesluit zijn gewijzigd – bij de watersysteemheffing geen sprake meer is van classificatie in omslagklassen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2005-2006, 30 601, nr. 3, blz. 13-14) is daaromtrent vermeld:

“In de nieuwe opzet worden (…) de volgende categorieën van belanghebbenden bij het watersysteembeheer onderscheiden:

– De ingezetenen.

Zij vertegenwoordigen het algemene belang van het kunnen wonen, werken en recreëren in het waterschapsgebied.

– De eigenaren van agrarische en overige ongebouwde gronden.

Vanuit hun dagelijkse bedrijfsvoeringsbelangen hebben zij een meer dan gemiddeld belang bij peilbeheer en waterkwaliteit (beregening, irrigatie).

– De eigenaren van natuurterreinen.

Het te beschermen belang betreft voor deze categorie de natuur(landschappelijke) waarde van natuurterreinen. Dit raakt het kwantitatief en kwalitatief beheer van het watersysteem.

– De eigenaren van gebouwde onroerende zaken (woningen en bedrijfspanden).

Hun belang is met name de bescherming van hun eigendom tegen wateroverlast.

Degenen die tot deze categorieën behoren, hebben per definitie belang bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun rechten (zeggenschap), maar ook hun plichten (betaling) zijn daarop gebaseerd.”

Voorts is op blz. 26 vermeld:

“In de huidige bekostigingsstructuur bestaat de mogelijkheid om – door het instellen van omslagklassen – een nadere detaillering in de kostentoedeling aan te brengen (classificatie). Door te classificeren beogen waterschappen zo goed mogelijk de kosten toe te rekenen aan degenen die belang hebben bij de maatregelen. In beginsel wordt getracht zo nauwkeurig mogelijk invulling te geven aan het beginsel van kostenveroorzaking.

Bij dit wetsvoorstel is besloten de classificatie te laten vervallen. De relatie tussen de mate van belang en de omvang van de betaling is in de nieuwe kostentoedelingssystematiek een globale, hetgeen past bij het collectieve karakter van het watersysteembeheer. Classificatie, welke veelal is gebaseerd op kostenveroorzaking, past daar niet bij en verhoudt zich ook niet goed met het streven naar een eenvoudige, transparante en fiscaal-juridisch robuuste bekostigingsstructuur.

Er is echter wel reden de tarieven van de heffing van gebouwde en ongebouwde onroerende zaken niet in alle gevallen gelijk te stellen. Voor bepaalde onroerende zaken is het belang bij het watersysteembeheer duidelijk afwijkend van andere onroerende zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur de mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief opgesomd in de wet. Om dezelfde reden is de bandbreedte van de tariefdifferentiatie wettelijk begrensd. Afwijkende tarieven kunnen alleen worden vastgesteld voor buitendijks gelegen onroerende zaken voor onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden en voor onroerende zaken die in hoofdzaak bestaan uit glasopstanden). De regeling is bedoeld voor uitzonderingssituaties waar het toepassen van het normale tarief evident onredelijk zou zijn.”

Met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 februari 2011

(LJN: BP5109), waarbij eveneens een aanslag watersysteemheffing ongebouwd terzake van hooggelegen terrein aan de orde was, overweegt de rechtbank dat uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis uitdrukkelijk blijkt dat de wetgever steeds een belang bij de taakuitoefening van het waterschap aanwezig acht en de Waterschapswet voor de watersysteemheffing, zoals ook ter zitting door verweerder naar voren gebracht, in geen andere tariefsdifferentiatie voorziet dan die in artikel 122 van de Wsw . Deze differentiatie is hier niet aan de orde. De door eiser met verwijzing naar voorgaande belastingjaren voorgedragen beroepsgronden die strekken tot het betoog dat zijn perceel geen belang heeft bij de taakvervulling van het waterschap, kunnen reeds daarom niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat. Dat eiser ontevreden is over de kwaliteit van de door het waterschap geleverde werkzaamheden noopt evenmin tot het oordeel dat de aanslag ten onrechte is opgelegd en dat eiser niet belastingplichtig is.

2.5.1 De rechtbank overweegt voorts dat de stijging van het tarief voor het belastingjaar 2009, zoals ingeroepen door eiser, het gevolg is van en samenhangt met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel, waarbij de Waterschapswet en het Waterschapsbesluit zijn gewijzigd. Op grond van artikel 120 van de Grondwet is het de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van die wetswijzigingen te beoordelen.

2.5.2 In eisers enkele verwijzing in beroep en ter zitting naar brieven van het waterschap, onder meer een brief van 30 juli 2010, waarin in zijn algemeenheid is vermeld dat, voor zover van belang, waterschappen verschillend omgaan met de afbakening van natuur en overig ongebouwd, waaronder agrarische gronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de aanslag voor het belastingjaar 2009 voor een onjuist bedrag aan eiser is opgelegd. Eiser heeft in beroep niet aangevoerd dat en waarom zijn grond ten onrechte niet door verweerder is aangemerkt als natuurterrein, zoals bedoeld in artikel 116, onderdeel c, van de Wsw .

2.6 In eisers beroepsgrond dat verweerder niet binnen dertien weken heeft beslist op het bezwaarschrift, vindt de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de aanslag niet rechtmatig is opgelegd. De rechtbank overweegt daarbij dat overschrijding van de tot 1 januari 2010 in artikel 130, eerste lid, van de Waterschapswet opgenomen beslistermijn niet kan afdoen aan eisers belastingplicht. Voorts overweegt de rechtbank dat voor eiser de mogelijkheid bestond zonodig op de voet van artikel 6:2, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift. Niet is gebleken dat eiser daartoe niet in staat was.

2.6.1 Indien en voor zover eiser een beroep heeft gedaan op overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt.

Bij arrest van 10 juni 2011 (LJN: BO5046) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij overschrijding van de redelijke termijn aanspraak kan bestaan op vergoeding van immateriële schade. Voor de vraag of de redelijke termijn is overschreden, heeft de Hoge Raad aangesloten bij het arrest van 22 april 2005 (LJN: AO9006), waarbij, voor zover van belang, is geoordeeld dat de redelijke termijn is verstreken, indien de rechtbank niet binnen twee jaren na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden zijn – onder meer – de ingewikkeldheid van de zaak en de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld.

Eiser heeft op 5 juni 2009 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Op 27 juli 2011 heeft de rechtbank op het beroep van eiser beslist.

De rechtbank stelt vast dat na de indiening van eisers bezwaarschrift tot aan de uitspraak van de rechtbank op het beroep twee jaren en (ruim) één maand zijn verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn in deze procedure, waarbij het beroep terzake watersysteemheffing door een meervoudige kamer is behandeld, niet overschreden. De rechtbank neemt daarbij als bijzondere omstandigheid nog in aanmerking dat de rechtbank bij brief van 4 februari 2011 eiser heeft meegedeeld dat het voornemen bestaat zijn beroep ter zitting van 27 april 2011 te behandelen en dat eiser daarop bij brief van 4 februari 2011 gemotiveerd heeft verzocht om uitstel van die zitting, waarna de behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 6 juli 2011.

2.7 Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat verweerder de uitspraak op bezwaar niet heeft ondertekend, overweegt de rechtbank ten slotte dat in een geval als dit, waarin sprake is van een geautomatiseerd aangemaakte brief, de enkele omstandigheid dat ondertekening ontbreekt niet noopt tot het oordeel dat die brief daardoor niet als een rechtsgeldig besluit kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer uitspraak van 7 april 2010, LJN: BM0203). Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat eiser door het ontbreken van ondertekening niet in zijn belangen is geschaad.

2.8 Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag rechtmatig is opgelegd. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten of vergoeding van het griffierecht.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren, voorzitter, en mr. Tj. Gerbranda en

mr. E.H.T. Rademaker, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature