< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Uit vijf rechtens vaststaande beoordelingen komt afdoende naar voren dat appellante onvoldoende heeft gefunctioneerd. Onvoldoende aanwijzingen om staande te kunnen houden dat de in geding zijnde ongeschiktheid (voor 24 uur per week) is veroorzaakt door ziekte of gebrek. De staatssecretaris heeft in redelijkheid van de bevoegdheid gebruik kunnen maken, gelet op de uitgebreide begeleiding en verbeterkansen die appellante zijn geboden.

Uitspraak



09/5944 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2009, 08/2033 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 28 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011. Appellante is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sinds 1 januari 2000 werkzaam bij de Belastingdienst als administratief medewerker Invordering. Met ingang van 1 augustus 2001 is zij aangesteld voor onbepaalde tijd.

1.2. In de periode 2000-2007 is appellante vijf keer beoordeeld. Uit de beoordelingen komt naar voren dat haar functioneren van onvoldoende niveau is en dat verbetering uitblijft. Appellante wordt onder meer verweten dat zij zich stelselmatig afzijdig houdt van collega’s, een te lage productie heeft, onevenredig veel tijd aan privé-activiteiten besteedt, niet in staat is werkzaamheden over te dragen en afspraken niet nakomt. Ook is er onvoldoende continuïteit in haar werk. Tegen geen van de beoordelingen heeft appellante rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Zoals blijkt uit de door de bedrijfsarts uitgebrachte werkhervattingsadviezen was appellante vanaf 7 juni 2007 voor 24 uur per week arbeidsgeschikt en voor 12 uur arbeidsongeschikt. Bij besluit van 21 augustus 2007 is appellante met ingang van 1 oktober 2007 eervol ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 25 april 2008 is het ontslagbesluit gehandhaafd, zij het dat de omvang van het ontslag is beperkt tot 24 uur van het volledige dienstverband van 36 uur per week. Appellante wordt hierdoor met terugwerkende kracht geacht nog in dienst te zijn bij de Belastingdienst voor 12 uur per week.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gedingstukken, waaronder vijf rechtens vaststaande beoordelingen, afdoende naar voren komt dat appellante onvoldoende heeft gefunctioneerd. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en verwijst daarnaar.

Voor de stelling van appellante dat de beoordelingen ten onrechte als vaststaand zijn aangenomen ziet de Raad geen grond. Uit de stukken kan ook worden afgeleid dat appellante wel degelijk van het bestaan van rechtsmiddelen tegen de beoordelingen op de hoogte was. Bovendien werd zij in deze periode bijgestaan door een advocaat.

3.2. De stelling van appellante dat haar functioneren het gevolg is van volledige arbeidsongeschiktheid en het gebrek aan passende werkzaamheden kan de Raad niet onderschrijven. Naar het oordeel van de Raad zijn er onvoldoende aanwijzingen om staande te kunnen houden dat de in geding zijnde ongeschiktheid (voor 24 uur per week) is veroorzaakt door ziekte of gebrek. Dit wordt bevestigd door zowel de schriftelijke reacties van de behandelaars van appellante als door de door appellante bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) aangevraagde second opinion waaruit blijkt dat zij niet volledig arbeidsongeschikt is. De opgedragen aangepaste arbeid op basis van 24 uur per week is door het UWV bovendien als passend aangemerkt.

Hoewel niet in geschil is dat appellante periodes van in medisch opzicht volledige arbeidsongeschiktheid heeft gekend, betekent dit niet dat van haar, voor de uren dat zij per de ontslagdatum arbeidsgeschikt werd geacht, geen normale arbeidsprestatie kon en mocht worden verwacht. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat het functioneren van appellante reeds in 2001, dat wil zeggen ruim voordat zij voor het eerst ziek werd, onder de maat was. Uit niets blijkt dat het disfunctioneren in de voorgaande periode voortkomt uit medische klachten. Ook het in hoger beroep overgelegde conceptrapport van medisch adviesbureau Kruithof, dat overigens betrekking heeft op de periode 1 januari 2007 tot 2 juni 2009, kan deze stelling niet bevestigen.

4. Naar het oordeel van de Raad heeft de staatssecretaris op goede gronden geconcludeerd dat appellante niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die vereist zijn voor een goede functievervulling en was hij derhalve bevoegd tot het geven van ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR . De Raad is voorts van oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, gelet op de uitgebreide begeleiding en verbeterkansen die appellante zijn geboden.

5. Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2011.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) R. Scheffer.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature