< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie ; samenwonen als waren zij gehuwd, behoefte, draagkracht, ingangsdatum.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 20 juli 2011

Zaaknummer : 200.072.708

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-8504

[verzoeker],

voorheen wonende te [vorige woonplaats], thans wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.P. van der Schraaf te Hilversum,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N. Kloosterboer te Deventer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 20 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 mei 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 12 oktober 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 23 november 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 25 januari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 2 februari 2011 een faxbericht;

van de zijde van de vrouw:

- op 20 januari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 1 februari 2011 een faxbericht;

- op 2 februari 2011 een faxbericht.

De zaak is op 4 februari 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Zutphen van 29 januari 2003 en van de door partijen onderling getroffen regeling – de door de man met ingang van 12 oktober 2009 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.552,- per maand bepaald. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie ).

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

-te verklaren voor recht dat de vrouw vanaf 1 augustus 2008, althans met ingang van een datum die het hof redelijk acht, samenleeft met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij een partnerschap laten registreren;

-de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw te beëindigen per 1 augustus 2008, althans per datum die het hof redelijk acht;

-te verklaren voor recht dat de man met ingang van 1 augustus 2008, althans met ingang van een datum die het hof redelijk acht, onverschuldigd partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan en dat de vrouw hetgeen onverschuldigd aan haar is betaald binnen een maand na afgifte van de beschikking aan de man dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente voor iedere dag dat de vrouw in verzuim is;

subsidiair:

-te bepalen dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld, althans wordt verlaagd naar een nog nader vast te stellen bedrag, nadat de vrouw inzage heeft verstrekt in haar inkomens- en vermogenspositie, met ingang van 1 augustus 2008 tot heden, althans met ingang van een datum die het hof redelijk acht, en voor recht te verklaren dat hetgeen de man onverschuldigd heeft betaald binnen een maand na afgifte van de beschikking door de vrouw moet worden terugbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente voor iedere dag dat de vrouw in verzuim is.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man zal dienen bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.986,16 per maand, althans met een bedrag dat het hof juist acht, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw in het incidenteel beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep af te wijzen.

Samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW

5. De grieven 1 tot en met 6 zien op de door de man gestelde samenleving van de vrouw met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren in de zin van artikel 1: 160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

6. De man stelt dat de vrouw vanaf 1 augustus 2008 met de heer [na[X] (hierna: [X]) samenleeft als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Hij voert daartoe kort weergegeven het volgende aan. De vrouw en [X] hebben (nog steeds) een affectieve relatie. Voorst is sprake van een gezamenlijke huishouding en financiële verstrengeling van de vrouw en [X]. Volgens de man heeft de vrouw in de periode 11 augustus 2008 tot en met 8 april 2009 slechts € 100,- per maand aan boodschappen en benzine uitgegeven. Dit bedrag kan haar feitelijke kosten niet dekken indien sprake zou zijn van een eigen huishouding van de vrouw. Bovendien hebben de vrouw en [X] een gezamenlijk internetadres en gebruikt de vrouw de auto van [X] zonder dat blijkt van enige vergoeding hiervoor. De vrouw heeft voorts niet aangetoond dat sprake is van twee afzonderlijke woonruimtes. Het bedrag van € 500,- per maand dat de vrouw aan [X] betaalt, is dan ook geen bedrag aan huur maar een bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

7. De vrouw stelt dat zij niet samenwoont met [X] als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren in de zin van artikel 1:160 BW en voert daartoe kort weergegeven het volgende aan. Zij heeft geen affectieve relatie met [X]. Voorts heeft zij haar eigen zelfstandige woonruimte, waarvoor zij huur aan [X] betaalt. Ook voert zij haar eigen huishouding. Zo doet zij haar eigen boodschappen en wast en kookt zij voor zichzelf. De vrouw en [X] eten en/of drinken af en toe samen en de vrouw gebruikt soms de auto van [X]. De overgelegde bankafschriften tonen ook aan dat de vrouw haar eigen huishouding voert.

8. Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 1: 160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de andere gewezen echtgenoot onder meer wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Een positieve beantwoording van de vraag of artikel 1: 160 BW van toepassing is heeft verstrekkende gevolgen, nu daarmee definitief en in zijn geheel een einde komt aan de verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud. Het artikel dient dan ook restrictief te worden uitgelegd.

9. Voor de vaststelling dat sprake is van samenleven als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de partners een affectieve relatie van duurzame aard bestaat die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen en dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Voor het criterium ‘het voeren van een gemeenschappelijke huishouding’ en ‘het elkaar wederzijds verzorgen’ zoekt het hof aansluiting bij de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat daarvan onder meer sprake is als de partners hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Niet is vereist dat moet zijn gebleken van een financiële verstrengeling van beide inkomens.

10. Het hof oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof niet gebleken dat de vrouw een affectieve relatie van duurzame aard met [X] heeft (gehad). De vrouw heeft een vriendschappelijke relatie met [X]. Anders dan de man ter zitting heeft gesteld, heeft de vrouw niet aangegeven dat er in het begin sprake was van een affectieve relatie die door de onderhavige procedure is bekoeld. In het verweerschrift in appel is te lezen dat de relatie die zij met [X] had in een hechtere vriendschap was overgegaan, maar dat deze relatie vervolgens niet tot een affectieve relatie is uitgegroeid vanwege de spanningen die de onderhavige procedure met zich meebrengen. Ook de inhoud van het door de man overgelegde rapport van recherche- en informatiebureau FIF 33 van 25 juni 2009 is naar het oordeel van het hof onvoldoende om daaruit een affectieve relatie van duurzame aard tussen de vrouw en [X] af te leiden.

11. Voorts is het hof van oordeel dat de man ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw samenwoont met [X]. Uit de door de vrouw overgelegde plattegrond van het huis is duidelijk op te maken dat er sprake is van twee geheel van elkaar afgescheiden woonruimtes die ieder beschikken over een eigen ingang, woon- en slaapruimte, badkamer en keuken. De vrouw en [X] maken wel gezamenlijk gebruik van de tuin. Voorts heeft de vrouw onweersproken gesteld dat officieel is geregeld dat zij een zelfstandig woonrecht heeft en onder andere in haar appartement mag blijven wonen indien [X] komt te overlijden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij een inschrijving in het Grundbuch van de gemeente [naam gemeente] overgelegd, waaruit blijkt dat de vrouw een “beschränkte persönliche Dienstbarkeit” op de woning heeft. Ook blijkt uit de bankafschriften genoegzaam dat de vrouw maandelijks € 500,- per maand aan [X] overmaakt. Dat dit bedrag niet zou zien op huur, zoals door de man is gesteld, is door hem niet aangetoond.

12. De man heeft naar het oordeel van het hof voorts niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw en [X] elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De man heeft niet aangetoond dat de vrouw en [X] bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Dat de vrouw en [X] hetzelfde e-mailadres hebben (gehad), is hiertoe naar het oordeel van het hof onvoldoende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde bankafschriften niet kan worden afgeleid dat de vrouw geen eigen huishouding voert, nu daaruit blijkt dat zij vanaf haar eigen rekening betalingen deed aan supermarkten en tuincentra en contante bedragen opnam waaruit zij kosten van haar huishouding zou hebben kunnen voldoen. De man stelt op grond van de bankafschriften dat [X] de vrouw financieel steunt door boodschappen en benzine voor haar te betalen, nu de vrouw zelf slechts € 100,- per maand aan levensmiddelen en benzine heeft besteed in de periode 11 augustus 2008 tot en met 8 april 2009. Het hof gaat aan deze stelling van de man voorbij. Een bedrag van € 100,- per maand voor levensmiddelen en benzine is wellicht aan de lage kant, echter de vrouw is alleenstaande en heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij een zogenaamde ruiltuin heeft. Het fruit en de bloemen die zij in deze tuin kweekt, ruilt zij tegen (andere) levensmiddelen.

13. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast van zijn stelling dat sprake is van een samenleven van de vrouw met [X] in de zin van artikel 1:160 BW. In het licht van het vorenstaande en mede in aanmerking genomen de gemotiveerde betwisting door de vrouw, gaat het hof voorbij aan het verzoek van de man om aan de vrouw een concrete bewijsopdracht te verlenen. Het hof zal ook niet, zoals door de man ter zitting naar voren is gebracht, de vrouw tot tegenbewijs toelaten nu het hof niet komt tot een rechterlijk vermoeden van samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW .

14. Met betrekking tot het verzoek van de man tot het overleggen van een cd-rom met daarop een video-opname van het recherchebureau FIF 33 oordeelt het hof als volgt. De advocaat van de man heeft duidelijk omschreven wat op de cd-rom is te zien, en het hof heeft daaruit begrepen dat uit die beelden blijkt van een zekere affectie tussen de vrouw en [X]. Dit doet echter niet af aan hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen. Niet zelden bestaat affectie ook in een vriendschapsrelatie. Het hof hoeft derhalve voor de oordeelsvorming de beelden op de cd-rom niet te bekijken, zodat het verzoek van de man tot het overleggen van deze cd-rom wordt afgewezen.

15. Nu het primaire verzoek van de man derhalve wordt afgewezen, komt het hof toe aan het subsidiaire verzoek van de man tot wijziging van de vastgestelde partneralimentatie op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Wijziging van omstandigheden

16. Door partijen is geen grief gericht tegen de door de rechtbank aangenomen wijziging van omstandigheden, zodat het hof ook van deze wijziging uitgaat.

Partneralimentatie

Behoefte

17. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de behoefte van de vrouw op een lager bedrag vast te stellen dan het bedrag van de partneralimentatie. Hij voert daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. De behoefte van de vrouw wordt verlaagd door haar affectieve relatie met [X]. Zo maakt de vrouw gebruik van de auto van [X], waardoor zij haar eigen auto heeft kunnen verkopen en haar maandelijkse lasten zijn verminderd. Voorts wordt de behoefte van de vrouw verlaagd door de mogelijkheid tot verkoop van haar woning in [plaatsnaam]. Tot slot voert de man aan dat de behoefte van de vrouw wordt verlaagd zodra zij in april 2011 een AOW-uitkering ontvangt.

18. Het hof oordeelt als volgt. Ter zitting van het hof heeft de vrouw gezegd dat haar behoefte destijds is berekend als zijnde 60% van het gezamenlijk inkomen van partijen in 2003 van ruim € 80.000,- netto per jaar. De man heeft betwist dat dit het uitgangspunt zou moeten zijn voor de berekening van de behoefte van de vrouw. Nu de vrouw geen incidenteel appel heeft ingesteld tegen de vaststelling door de rechtbank van de behoefte op het bedrag van de partneralimentatie zoals deze bij beschikking van 29 januari 2003 en bij het convenant van partijen is bepaald op € 2.642,- per maand, gaat het hof aan de opmerkingen van de vrouw omtrent haar behoefte voorbij. Het hof gaat derhalve uit van een behoefte van de vrouw van € 2.642,- per maand, geïndexeerd per 1 januari 2011 op € 3.055,- per maand. Vanaf 1 april 2011 gaat het hof uit van een behoefte van de vrouw van € 1.962,- per maand, nu de vrouw vanaf die datum een AOW-uitkering voor een alleenstaande ontvangt. In hetgeen de man voorts heeft gesteld ziet het hof geen aanleiding om de behoefte van de vrouw op een lager bedrag vast te stellen. Immers, naar het hof begrijpt had de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen een auto, zodat deze auto behoort tot de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Dat de vrouw nu geen auto heeft, doet hieraan niet af. Ook de mogelijke verkoop van haar woning in [plaatsnaam] levert naar het oordeel van het hof thans geen verlaging van haar behoefte op. De verkoop van de woning, die nu te koop staat, is een onzekere gebeurtenis in de toekomst, zodat het hof uitgaat van de situatie zoals deze thans is. De vrouw verhuurt de woning aan haar dochter voor een bedrag van € 500,- per maand. De man heeft zijn stelling, dat dit bedrag niet marktconform zou zijn en de vrouw de woning voor een hoger bedrag aan de dochter of derden had kunnen verhuren, in het geheel niet nader onderbouwd zodat het hof reeds hierom aan deze stelling voorbij gaat. Nu het hof voorts niet is gebleken dat de vrouw beschikt over overige behoefteverlagende inkomsten of vermogen, gaat het hof uit van een behoefte van de vrouw conform het bij convenant overeengekomen bedrag tot 1 april 2011 en van een behoefte van € 1.962,- vanaf 1 april 2011.

19. Ter zitting heeft de vrouw onweersproken verklaard dat zij voor haar huwelijk pensioen heeft opgebouwd en dat zij dit bedrag ineens of in de vorm van een uitkering van € 6,- per maand kan laten uitkeren. Gelet op de geringe maandelijkse uitkering zal het hof dit pensioen bij de bepaling van de behoefte van de vrouw buiten beschouwing laten.

20. Het hof gaat voorts voorbij aan de verklaring van de vrouw dat zij met het geven van massages circa € 30,- per week verdient, nu de man hierop slechts heeft gereageerd door te zeggen dat hij hiervan niet eerder op de hoogte was doch hieraan geen rechtsgevolgen heeft verbonden.

Ingangsdatum

21. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw niet eerder op de hoogte was van zijn ontslag dan op het moment van indiening van het inleidende verzoek door de man, te weten 12 oktober 2009. De man voert daartoe aan dat de vrouw reeds bij faxbericht van 4 september 2009 is geïnformeerd over het ontslag van de man.

22. Nu de vrouw in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel erkent dat zij bij voornoemd faxbericht op de hoogte is gebracht van het ontslag van de man, gaat het hof als ingangsdatum voor een eventueel gewijzigde partneralimentatie uit van 4 september 2009.

Draagkracht man

Inkomen

23. Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de door de man bij brief van 25 januari 2011 als productie 5 overgelegde draagkrachtberekening.

24. De vrouw heeft geen bezwaar gemaakt tegen het door de man in voornoemde draagkrachtberekening opgenomen bruto arbeidsinkomen uit zijn stamrecht-BV van € 42.000,- per jaar, het inkomen uit WW-uitkering van € 31.455,- bruto per jaar en de bruto vakantietoeslag van € 1.612,- per jaar, resulterend in een belastbaar loon van afgerond € 77.407,-. Het hof gaat derhalve van dit belastbaar inkomen uit.

25. De incidentele grief van de vrouw ziet op het oordeel van de rechtbank dat het redelijk is dat de man jaarlijks een bedrag in zijn stamrecht BV reserveert om zijn pensioen op niveau te krijgen als hij 65 jaar wordt. De man heeft zowel in de overgelegde stukken als ter zitting de noodzaak van de reservering voor zijn pensioenopbouw toegelicht. Het hof begrijpt de opmerking van de vrouw ter zitting, dat in het geval de man daadwerkelijk de gelden gebruikt om zijn pensioengat te vullen dit dan zo is, zo dat zij daar dan geen moeite mee heeft. Derhalve behoeft de incidentele grief van de vrouw geen verdere bespreking meer. Het hof laat, evenals de rechtbank, het bedrag gebruikt voor de reservering voor de pensioenopbouw buiten beschouwing bij de bepaling van de draagkracht van de man.

Maandelijkse lasten

26. Het hof houdt aan ziektekosten rekening met de door de man opgevoerde en door de vrouw niet betwiste premie basisverzekering van € 74,- per maand. Het hof houdt, evenals de rechtbank, geen rekening met de door de man opgevoerde bedragen aan verplicht en vrijwillig eigen risico van € 14,- respectievelijk € 25,- per maand. De vrouw heeft deze bedragen betwist en de man heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat van daadwerkelijk gemaakte onderhavige kosten sprake is. Het hof houdt voorts rekening met het door de man opgevoerde en door de vrouw niet betwiste bedrag van € 195,- per maand aan inkomensafhankelijke bijdrage en het in de bijstandsnorm begrepen deel van de premie zorgverzekering van € 43,- per maand.

27. Met betrekking tot de woonlasten van de man blijkt uit de overgelegde stukken het volgende. De man huurde een woning in [vorige woonplaats] voor een huur van € 978,- per maand. Hij heeft een woning gekocht in [plaatsnaam], die uiterlijk 15 juni 2011 wordt geleverd. De woonlasten van de man zullen dan € 1.282,- per maand bedragen, zijnde het bedrag aan rente op de hypothecaire geldlening. De man huurt vanaf 1 januari 2011 tijdelijk woonruimte in [woonplaats] voor een huur van € 538,- per maand. Hij heeft het merendeel van zijn inboedel opgeslagen en betaalt hiervoor € 160,- per maand.

De vrouw heeft tegen de woonlasten als zodanig geen verweer gevoerd. Zij heeft de woonlasten slechts betrokken in haar stelling dat geen rekening moet worden gehouden met de door de man in de draagkrachtberekening opgevoerde schulden. Het hof houdt derhalve met de door de man opgevoerde woonlasten, die door de man met bescheiden zijn onderbouwd, rekening. Het hof houdt voorts rekening met het door de vrouw niet betwiste eigenwoningforfait van € 1.810,- en het forfait eigenaarslasten van € 95,- per maand. Het hof houdt voor de periode van 1 januari 2011 tot 15 juni 2011 ook rekening met het bedrag aan opslag van € 160,- per maand. Het hof acht het aannemelijk dat de man, gelet op het verschil in huurprijs, tijdelijk kleiner is gaan wonen en dat hij voor die periode een deel van zijn inboedel elders moet opslaan.

28. De man voert een bedrag van € 431,- per maand op aan aflossing huwelijkse schulden. Vast staat dat de man in 2003 de schuld voortvloeiende uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning voor zijn rekening heeft genomen. Na verkoop van die woning resteerde een schuld van € 46.000,-. De man heeft ter zitting verklaard dat hij deze schuld direct heeft afgelost door middel van een doorlopend krediet bij de Postbank . Voorts heeft hij verklaard dat hij een lening is aangegaan bij zijn stamrecht BV van € 42.000,- om dit doorlopend krediet af te lossen.

Het hof gaat er in redelijkheid vanuit dat de man deze schuld per 1 januari 2012 in zijn geheel zal hebben afgelost en zal tot die datum rekening houden met deze schuld.

29. De man voert voorts een bedrag van € 467,- per maand op aan rente en aflossing op een op een boot rustende hypothecaire geldlening. De man heeft deze boot gekocht voor € 151.000,-. Voor de financiering van de boot heeft de man een hypothecaire geldlening afgesloten van € 135.000,-. Uit de inruilwaarde van zijn vorige boot heeft de man het resterende bedrag van € 16.000,- voldaan. Ook heeft hij uit deze inruilwaarde de op de oude boot rustende hypothecaire geldlening afgelost.

Het hof is van oordeel dat de aanschaf van de nieuwe boot voor rekening en risico van de man komt en niet prevaleert boven de op hem rustende verplichting tot het voldoen van partneralimentatie. De aanschaf van een boot en financiering van de aankoop daarvan is nodeloos en het daarmee rekening houden zou onredelijk zijn jegens de vrouw. Het hof houdt dan ook geen rekening met lasten die uit de aanschaf van deze boot voortvloeien. Dat de door de man voor de aankoop van de nieuwe boot ingeruilde boot hem bij de verdeling van de gemeenschap is toebedeeld doet hieraan niet af.

30. Rekening houdend met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkracht percentage van 60, volgt uit het vorenstaande dat de man in de periode van 4 september 2009 tot 1 januari 2011 een alimentatie kan voldoen van € 1.888,- per maand, in de periode van 1 januari 2011 tot 15 juni 2011 van € 2.177,- per maand, in de periode van 15 juni 2011 tot 1 januari 2012 van € 1.888,- en in de periode vanaf 1 januari 2012 van € 2.334,-.

Rekening houdend met de behoefte van de vrouw zal het hof de alimentatie bepalen zoals hieronder vermeld.

31. Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 29 januari 2003 en van de onderling getroffen regeling - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man in de periode van 4 september 2009 tot 1 januari 2011 op € 1.888,- per maand, in de periode van 1 januari 2011 tot 1 april 2011 op € 2.177,- per maand, in de periode van 1 april 2011 tot 15 juni 2011 op € 1.962,- per maand, in de periode van 15 juni 2011 tot 1 januari 2012 op € 1.888,- en in de periode vanaf 1 januari 2012 op € 1.962,-, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Pannekoek-Dubois en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature