Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verplichting tot verstrekking van levensonderhoud. Artikel 1:392 BW: strekking van de ze bepaling ten aanzien van meerderjarige kinderen na 21-jarige leeftijd.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 maart 2011

Zaaknummer : 200.074.839/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-921

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.J. van Smaalen te Rotterdam,

tegen

1. [de zoon],

hierna te noemen: [de zoon],

2. [de dochter],

hierna te noemen: [de dochter],

hierna gezamenlijk te noemen: de verweerders,

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep,

advocaat mr. W.H. Benard te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 5 oktober 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 juli 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De verweerders hebben op 3 december 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 11 januari 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 4 november 2010, 14 december 2010 en 31 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 13 januari 2011 is de zaak, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.066.990/01, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, de verweerders, bijgestaan door hun advocaat, en de vrouw. Het hof heeft ter zitting partijen in de gelegenheid gesteld om nog nader met elkaar in overleg te treden.

Nadien is van de zijde van de vader op 14 februari 2011 een faxbrief ingekomen waarin is bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 9 juni 1992 van de rechtbank Rotterdam, gewijzigd in die zin dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de verweerders, welke bijdrage sinds hun meerderjarigheid geldt als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, met ingang van 1 september 2008 tot en met 31 december 2008 wordt bepaald op € 540,- per maand per jongmeerderjarige en met ingang van 1 januari 2009 wordt bepaald op € 538,- per maand per jongmeerderjarige. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat het volgende vast:

- de man en de vrouw zijn de ouders zijn van:

1. [de zoon], geboren [in 1987];

2. [de dochter], geboren [in 1989].

- Bij beschikking van 9 juni 1992 van de rechtbank Rotterdam is, voor zover van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 november 1992 fl. 100,- per kind zal uitkeren.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, dan wel kosten van levensonderhoud, (verder tevens: de alimentatie) ten behoeve van verweerders.

2. De man verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de door de man aan de verweerders te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie over het jaar 2008 te bepalen op een bedrag van maximaal

€ 28,24 per maand per jongmeerderjarige en met ingang van 1 januari 2009 op nihil te stellen, althans op een bijdrage als het hof vermeent te behoren.

3. De verweerders bestrijden het beroep en verzoeken het hof primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, subsidiair zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van deze procedure. In incidenteel hoger beroep verzoeken de verweerders het hof de draagkracht van de man opnieuw vast te stellen waarbij uitgegaan wordt van een hoger bedrijfsresultaat voor 2008 en de alimentatie voor de verweerders daaraan aan te passen met inachtneming van de verhouding in draagkracht tussen de man en de vrouw.

4. Het hof ziet aanleiding het principale en het incidentele appel gezamenlijk te behandelen.

5. Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 359 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het appelschrift de gronden waarop het appel berust te bevatten. De eisen van de goede procesorde brengen met zich mede dat partijen helder inzichtelijk dienen weer te geven waartegen de grieven zich richten, zodat de wederpartij voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zich te verweren tegen de standpunten. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak het beroepschrift en verweerschrift tevens houdende incidenteel appel in veel opzichten onvoldoende duidelijk zijn; ook gedurende de mondelinge behandeling is voor het hof onvoldoende inzichtelijk geworden waar de grieven zich precies tegen richten en wat partijen precies verzoeken. Het hof is van oordeel dat, voor zover de standpunten van de man en de verweerders voor het hof niet voldoende inzichtelijk zijn geworden, dit voor rekening en risico van partijen komt, en gaat daar aan voorbij.

Ingangsdatum

6. Nu de ingangsdatum van de alimentatie geen onderwerp is van het debat, zal het hof aanknopen bij de door de rechtbank bepaalde datum, te weten 1 september 2008.

Behoefte van de verweerders gedurende hun jongmeerderjarigheid

7. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de verweerders ten onrechte is uitgegaan van een behoefte van € 1.000,- per maand per kind.

8. De verweerders bestrijden de stelling van de man, stellende dat zij onverminderd behoefte hebben aan dit bedrag en dat zij onderbouwd hebben dat hun behoefte hoger is dan de maandbedragen die op grond van de Wet Studiefinanciering gelden.

9. Het hof overweegt als volgt. [de zoon] is op 13 oktober 2008 eenentwintig jaar oud geworden en [de dochter] op 22 september 2010. [de dochter] is, zo heeft zij ter terechtzitting onweersproken verklaard, sinds april 2010 uitwonend. In eerste aanleg hebben de verweerders twee behoefteoverzichten overgelegd. Het hof passeert het behoefteoverzicht van [de zoon], nu de aan het hof overgelegde afschriften daarvan niet leesbaar zijn.

10. Het hof acht het redelijk om voor de vaststelling van de behoefte van [de zoon] en [de dochter] met ingang van 1 september 2008 conform de Tremanormen aan te sluiten bij de in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 vermelde maandbedragen voor het levensonderhoud van een in het middelbaar beroepsonderwijs studerend thuiswonend en uitwonende kind. De verweerders hebben, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende onderbouwd waarom in onderhavig geval van deze normen dient te worden afgeweken. Het hof zal daarbij, mede gelet op het standpunt van de man ter zitting, uitgaan van de door de verweerders in hun verweerschrift genoemde maandbedragen.

11. Gelet op het vorenstaande stelt het hof de behoefte van:

- [de zoon] over de periode van 1 september 2008 tot 13 oktober 2008 vast op € 526,46 per maand;

- [de dochter] over de periode van 1 september 2008 tot 1 april 2010 op € 526,46 per maand;

- [de dochter] over de periode van 1 april 2010 tot 22 september 2010 op € 737,04 per maand.

Behoefte van de verweerders na hun eenentwintigste

12. De vader heeft ter zitting gesteld dat zijn alimentatieplicht jegens de jongmeerderjarigen eindigt als ze eenentwintig jaar worden en dat indien de verweerders na hun eenentwintigste behoeftig zijn, zij een nieuw verzoek tot vaststelling van alimentatie bij de rechtbank dienen in te dienen.

13. De verweerders hebben gesteld dat zij zich beroepen op artikel 1:392 Burgerlijk Wetboek (verder: BW).

14. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:392, tweede lid, BW bestaat de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud op grond van bloed- en aanverwantschap slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoudgerechtigde. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit wetsartikel blijkt dat het niet de strekking van die bepaling is ouders te verplichten hun meerderjarige kinderen, die overigens in staat zijn door arbeid of anderszins in hun eigen levensonderhoud te voorzien, te onderhouden. Dit brengt mee dat het op art.1:392 BW gegronde verzoek van de verweerders voor zover het betrekking heeft op het tijdvak na het bereiken van de eenentwintigjarige leeftijd, moet worden afgewezen, omdat de verweerders hebben nagelaten gespecificeerd te onderbouwen dat zij niet in staat zijn in hun eigen levensonderhoud te voorzien.

Aandeel van de man en de vrouw in de kosten van de verweerders

15. Wettelijk uitgangspunt is dat beide ouders onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen en naar rato van hun draagkracht in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van hun kinderen dienen te voorzien. Het hof zal met inachtneming van de stukken en hetgeen partijen ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, ter beantwoording van de vraag wie welk deel in de kosten van de jongminderjarigen moet dragen, de draagkracht van de man en de vrouw vergelijken.

Draagkracht man

16. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van het gemiddelde van de bedrijfsresultaten van 2006, 2007 en 2008. Hij meent dat uitgegaan dient te worden van het jaar 2008. Voor zover de draagkracht zou worden berekend op basis van een gemiddelde over drie jaren, meent de man dat het bedrijfsresultaat over het jaar 2009 bij de berekening dient te worden betrokken.

17. De verweerders bestrijden het standpunt van de man, stellende dat er gekeken dient te worden naar het inkomen dat de man kan verwerven. Daarvoor is het noodzakelijk dat er meerdere jaren in ogenschouw genomen worden. Voorts stellen de verweerders dat de rechtbank ten onrechte de door de man overgelegde jaarstukken niet heeft gecorrigeerd. Daartoe voeren verweerders aan:

- dat er geen rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 31.582,– dat in 2008 aan privéonttrekkingen in contanten ten laste van het eigen vermogen is opgenomen;

- dat de accountantskosten in 2008 ten opzichte van 2007 zijn verdubbeld;

- dat geen rekening dient te worden gehouden met in de jaarrekening van 2008 opgenomen advocaatkosten, aangezien deze eenmalig zijn;

- dat discutabel is in hoeverre autokosten ten laste van het resultaat mogen worden gebracht als het gaat om alimentatie;

- dat het onduidelijk is waarom de algemene kosten in de jaren 2007 en 2008 zijn verdubbeld ten opzichte van de algemene kosten in het jaar 2006.

Ter zitting hebben verweerders gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met de jaarrekening over het jaar 2008 omdat de man een gedeelte van dat jaar in Suriname verbleef.

18. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de bedrijfsresultaten van de man in de jaren 2006 tot en met 2009 zijn gedaald. In de stellingen van verweerders ziet het hof, temeer nu in de jaren 2008 en 2009 sprake is van een negatief eigen vermogen, geen aanleiding om de bedrijfsresultaten van het bedrijf van de man te corrigeren als door verweerders voorgestaan teneinde zijn draagkracht te verhogen.

19. Ter zitting heeft de man zich verweerd tegen de stelling van de verweerders dat hij gedurende een deel van 2008 in Suriname verbleef, stellende dat hij daar enkel gedurende vier weken met vakantie is geweest. Nu het hof op geen enkele wijze is gebleken dat de man voor een langere periode dan vier weken in Suriname heeft verbleven in het jaar 2008, zal het hof aan deze stelling van de verweerders als onvoldoend onderbouwd voorbijgaan.

20. In het licht van het vorenstaande, acht het hof het, mede gelet op het verweer van de verweerders, redelijk om bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening te houden met een inkomen van € 35.908,50 per jaar, waarbij is uitgegaan van het gemiddeld bedrijfsresultaat over de jaren 2006 (€ 54.463,-), 2007 (€ 53.284,-), 2008 (€ 19.072,-) en 2009 (€ 16.815,-).

21. Ter zitting heeft de man gesteld dat hij op dit moment geen inkomen heeft, omdat hij niet mag werken. Voor zover de man daarmee beoogd te stellen dat hij met ingang van de datum van de mondelinge behandeling (13 januari 2011) geen draagkracht heeft, gaat het hof aan deze stelling voorbij, nu zoals hierboven is overwogen de periode waarvoor de alimentatie door het hof zal worden vastgesteld reeds vóór deze datum eindigt.

22. Voorts houdt het hof rekening met een gemiddelde zelfstandigenaftrek over de jaren 2006 (€ 4.903,-), 2007 (€ 5.645,-), 2008 (€ 6.968,-) en 2009 (€ 7.953,-), van € 6.367,- en met de MKB-winstvrijstelling.

23. Daarnaast houdt het hof rekening met de niet in geschil zijnde maandelijkse lasten van de man, zoals door de rechtbank vastgesteld.

24. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de man een alimentatie toelaat:

- bij een draagkrachtpercentage van 60% tot een bedrag van € 796,- per maand;

- bij een draagkrachtpercentage van 70% tot een bedrag van € 919,- per maand.

Draagkracht vrouw

25. Het hof sluit voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw aan bij de door de rechtbank vastgestelde bedragen. Daaruit volgt dat de draagkracht van de vrouw een alimentatie toelaat:

- bij een draagkrachtpercentage van 60% tot een bedrag van € 664,- per maand;

- bij een draagkrachtpercentage van 70% tot een bedrag van € 775,- per maand.

Draagkrachtverhouding en -percentage

Draagkrachtpercentage

26. Nu niet is gegriefd tegen het door de rechtbank gehanteerde draagkrachtpercentage, zal het hof evenals de rechtbank voor de periode van 1 september 2008 tot en met 31 december 2008 een draagkrachtpercentage van 60% hanteren en met ingang van 1 januari 2009 een percentage van 70%.

Draagkrachtverdeling man en vrouw

27. De man stelt dat zijn draagkracht verdeeld dient te worden over vier kinderen. De verweerders hebben dit gemotiveerd bestreden. Voorts hebben zij gesteld dat de draagkracht van de vrouw verdeeld dient te worden over de verweerders en de minderjarige dochter van de vrouw, welke stelling de man gemotiveerd heeft bestreden.

28. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van het hof het volgende vast komen te staan. De man is gehuwd met [de huidige echtgenote]. Zij heeft drie kinderen uit een eerder huwelijk. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam is bepaald dat de vader van deze kinderen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zal uitkeren een bedrag van € 129,- per maand. Twee van deze kinderen zijn woonachtig bij de man. Voorts staat vast dat de vrouw samenwoont met haar huidige partner, zij hebben een minderjarige dochter.

29. Het hof overweegt als volgt. Nu de man en de vrouw op geen enkele wijze inzicht hebben verschaft omtrent de behoefte van de kinderen van [de huidige echtgenote] respectievelijk de dochter van de vrouw, de inkomsten van [de huidige echtgenote] en de inkomsten van de huidige partner van de vrouw, kan het hof niet bepalen op welke wijze de man bijdraagt in de kosten van de kinderen van [de huidige echtgenote] en op welke wijze de vrouw bijdraagt in de kosten van haar minderjarige dochter. Het hof moet het er dan ook voor houden dat de draagkracht van de man en de vrouw moet worden verdeeld over de twee verweerders.

Draagkrachtvergelijking

Draagkrachtpercentage 60%:

30. Uitgaande van de vastgestelde draagkracht van de man voor de verweerders (€ 796,-) en van de vrouw (€ 700,-) bedraagt na draagkrachtvergelijking het aandeel van de man in de behoefte van de verweerders met ingang van 1 september 2008 tot 13 oktober 2008 (796:1.496 x 1.053=) € 560,- per maand, ofwel € 280,- per verweerder per maand, en met ingang van 13 oktober 2008 tot 31 december 2008 bedraagt het aandeel van de man in de behoefte van [de dochter] (796:1.496 x 526,46 =) € 280,- per maand.

Draagkrachtpercentage 70%

31. Uitgaande van de vastgestelde draagkracht van de man voor [de dochter] (€ 919,-) en van de vrouw (€ 775,-) bedraagt na de draagkrachtvergelijking het aandeel van de man in de behoefte van [de dochter]:

- met ingang van 1 januari 2009 tot 1 april 2010 (919:1.694 x 526,46 =) € 286,- per maand.

- met ingang van 1 april 2010 tot 22 september 2010 (919:1.694 x 737,04 =) € 400,- per maand.

Proceskostenveroordeling

32. Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van de procedure en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de verweerders tot veroordeling van man in de proceskosten wordt daarom afgewezen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 9 juni 1992 van de rechtbank Rotterdam - de door de man aan [de zoon] te betalen bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 september 2008 tot 13 oktober 2008 op € 280,- per maand;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 9 juni 1992 van de rechtbank Rotterdam - de door de man aan [de dochter] te betalen bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie:

- met ingang van 1 september 2008 tot 31 december 2008 op € 280,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2009 tot 1 april 2010 op € 286,- per maand;

- met ingang van 1 april 2010 tot 22 september 2010 op € 400,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, De Haan-Boerdijk en Stollenwerck, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature