< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Omgevingsvergunning voor bouwen van een woning. Herbouw of nieuwbouw? In het verleden heeft op dit perceel een woning gestaan, die in de jaren ’80 van de vorige eeuw is afgebrand. Volgens verweerder is daarom sprake van herbouw. De voorzieningenrechter constateert echter ook dat het afgebrande huis niet centraal op het perceel maar tegen de rechter erfgrens was gesitueerd, dat die calamiteit zo’n 25 jaar geleden heeft plaatsgevonden, dat het afgebrande huis door de toenmalige eigenaar nimmer is herbouwd en dat het perceel thans een nieuwe eigenaar heeft. Daarnaar gevraagd ter zitting heeft verweerder bovendien niet kunnen bevestigen dat het bouwplan vergelijkbaar is met het afgebrande huis. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken van een herbouw.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 11 / 3354 WABO VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Gilze,

verzoeker,

gemachtigde [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen,

verweerder.

1. Procesverloop

Namens verzoeker en [naam B.V.] is op 27 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 17 mei 2011 (bestreden besluit), waarbij aan [vergunninghouder] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning (nummer OV/2011181) is verleend voor het bouwen van een woning en twee bijgebouwen, het slopen van een landbouwschuur en berging, het kappen van drie bomen en het aanleggen van een inrit op het adres [adres] te Gilze.

Op 27 juni 2011 hebben zij tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 juli 2011. Daarbij was [gemachtigde] aanwezig als gemachtigde van verzoeker en als middellijk directeur van [naam B.V.] Namens verweerder is [woordvoerder verweerder] verschenen. Vergunninghouder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Ter zitting is het verzoek om voorlopige voorziening van [naam B.V.] ingetrokken.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 29 maart 2011 heeft verweerder van vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning en twee bijgebouwen, het slopen van een landbouwschuur en een berging, het kappen van drie bomen en het aanleggen van een inrit aan de [adres] te Gilze. De vergunning ziet specifiek op de activiteiten: uitvoeren van sloopwerkzaamheden, kappen van houtopstanden, bouwen, handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening en het aanleggen/veranderen van een inrit.

Tegen dat besluit heeft verzoeker op 27 juni 2011 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is aangevoerd dat het vergunde bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan Buitengebied. Die strijdigheid zit in het oppervlak van de bijgebouwen, de inhoud van de woning, de helling van het dak van de woning en in de toepassing van de regels voor herbouw van een woning terwijl geen sprake is van herbouw. Verder is ontheffing verleend voor strijdig gebruik in plaats van strijdig bouwen en loopt er een procedure tegen het bestemmingsplan. Tot slot wordt er gebouwd in milieucirkels van naastgelegen bedrijven.

2.2 In deze procedure heeft verzoeker gevraagd het bestreden besluit te schorsen totdat onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist, teneinde onomkeerbare situaties te voorkomen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover het bestreden besluit inhoudelijk wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2.4 Ingevolge artikel 2.1, eerste lid onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren als dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo luidt:

“Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…):

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.”

2.5 De voorzieningenrechter constateert dat verzoekers bezwaren alleen betrekking hebben op de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Om die reden laat de voorzieningenrechter de activiteiten slopen, kappen en aanleggen buiten beschouwing. Kern van de bezwaren van verzoeker is de strijdigheid van het vergunde bouwplan met het bestemmingsplan.

Het bouwplan van vergunninghouder heeft betrekking op een nieuwe woning met twee vrijstaande garages op het perceel aan de [adres] te Gilze. Tussen partijen staat vast dat daar sinds januari 2011 het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen geldt. Weliswaar is dat bestemmingsplan nog inzet van een beroepsprocedure, maar dat neemt niet weg dat dit bestemmingsplan feitelijk wel van kracht is geworden.

Volgens de ter zitting getoonde plankaart rust op het perceel de bestemming ‘Wonen’ met de nadere aanduiding ‘voormalig agrarisch bedrijf’. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen en bijbehorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en (ontsluitings-)wegen.

In artikel 25.2 van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - is bepaald dat op deze gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. (…)

b. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

met dien verstande dat:

c. algehele herbouw van de woning uitsluitend mag plaatsvinden op bestaande fundamenten;

d. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘voormalig agrarische bedrijf’ het volgende geldt:

1. bestaand is toegestaan, maar het uitbreiden van bestaande bebouwing is in geen geval toegestaan;

2. nieuwbouw is in geen geval toegestaan;

3. (…);

4. van het bepaalde onder 2 kan worden afgeweken indien voormalige agrarische bebouwing wordt gesaneerd, met dien verstande dat een bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen is toegestaan van 100m2, vermeerderd met 25% van het oppervlak aan gesloopte bebouwing, waarbij de totale oppervlakte van bijgebouwen plus de oppervlakte aan te herbouwen bijgebouwen nooit meer mag bedragen dan 200m2;

e. overigens geldt het volgende:

woning: dakhelling (min./max.) 20/55 graden, tenzij anders op de verbeelding aangegeven;

(…).

Omdat het bouwplan voorziet in de bouw van een woning buiten de bestaande fundamenten en er nieuwe bijgebouwen worden opgericht, voldoet het niet aan planvoorschrift 25.2. Verweerder heeft echter door middel van het toepassen van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden de bouw van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen mogelijk geacht.

Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of hier sprake is van herbouw van een woning of van nieuwbouw. Ter zitting is gebleken dat er in het verleden op dit perceel een woning heeft gestaan, die in de jaren ’80 van de vorige eeuw is afgebrand. Volgens verweerder is daarom sprake van herbouw. De voorzieningenrechter constateert echter ook dat het afgebrande huis niet centraal op het perceel maar tegen de rechter erfgrens was gesitueerd, dat die calamiteit zo’n 25 jaar geleden heeft plaatsgevonden, dat het afgebrande huis door de toenmalige eigenaar nimmer is herbouwd en dat het perceel thans een nieuwe eigenaar heeft. Daarnaar gevraagd ter zitting heeft verweerder bovendien niet kunnen bevestigen dat het bouwplan vergelijkbaar is met het afgebrande huis. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken van een herbouw. Dat betekent dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de herbouwbepalingen in de artikelen 25.2 onder c en 25.3.3 van de planvoorschriften.

Uitgaande van nieuwbouw, is planvoorschrift 25.2 onder d van toepassing. Dat artikel sluit onder punt 2 alle nieuwbouw uitdrukkelijk uit. Het bestemmingsplan biedt onder punt 4 een vrijstellingsmogelijkheid indien agrarische gebouwen worden gesaneerd. Weliswaar is dat in dit geval aan de orde, maar blijkens de bewoordingen van dit voorschrift mogen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter alleen bijgebouwen nieuwgebouwd worden, niet een hoofdgebouw. In de toelichting op dit voorschrift staat expliciet dat bijgebouwen nieuwgebouwd mogen worden indien agrarische gebouwen worden gesaneerd; over een hoofdgebouw wordt in de toelichting niets bepaald. Ter zitting kon verweerder niet bevestigen dat er op basis van dit voorschrift vrijstelling van het bestemmingsplan kan worden verleend voor de nieuwbouw van een hoofdgebouw.

Op basis van voorgaande overwegingen concludeert de voorzieningenrechter dat er aan de verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan een wezenlijk gebrek kleeft en ter zitting is niet gebleken dat dit gebrek eenvoudig kan worden hersteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt dit gebrek dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen, gericht op de vergunning die is verleend voor de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Voor die activiteiten zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit schorsen tot zes weken na de datum dat er een beslissing op de bezwaren van verzoeker is genomen én verzonden.

In het kader van de heroverweging van de verleende omgevingsvergunning dient verweerder bovendien aandacht te schenken aan de berekening van het oppervlak van de bijgebouwen (de opgave van het totaaloppervlak op de bouwtekening stemt niet overeen met de gestelde maten van de buitengevels van de bijgebouwen), aan de berekening van de inhoud van het hoofdgebouw (de gegevens op de bouwtekening stemmen niet overeen met de opgave in het aanvraagformulier), aan de helling van het dak van het hoofdgebouw en de uitbouwen (die blijkens de bouwtekening niet binnen het in artikel 25.2, aanhef en onder e, in de planvoorschriften voorgeschreven gebied van 20 tot 55 graden vallen) en aan het afstandscriterium in artikel 39.4 van de planvoorschriften (dat bepaalt dat de afstand tussen een woning en een agrarisch gebouw met dieren tenminste 100 meter moet bedragen).

2.6 Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient het griffierecht aan verzoeker te worden vergoed. Niet is gebleken dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

gelast dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, en ondertekend door deze en door mr. M.A.M. de Baar, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 27 juli 2011


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature