< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De Nederlandsche Bank N.V. is een b-orgaan. Niet alle overheidstaken die aan haar zijn opgedragen en waarvoor haar publiekrechtelijke bevoegdheden toegekend, vallen onder de uitzonderingen op de Wob genoemd in het Besluit van 11 september 1998, houdende uitzondering respectievelijk aanwijzing van bestuursorganen als bedoeld in de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet evident geen sprake is van enige publiekrechtelijke rechtsplicht en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 18 maart 2010 dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De Afdeling heeft overwogen dat declaraties die door een minister in de uitoefening van zijn ambt bij zijn departement zijn ingediend en die zijn gehonoreerd worden aangemerkt als documenten over een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob. De rechtbank ziet niet in waarom het vorenstaande niet zou gelden voor declaraties van de directieleden van De Nederlandsche Bank N.V.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3835 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland,

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

gemachtigde mr. R.J.E. Vleugels,

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank,

verweerder,

gemachtigde mr. C.M. Bitter.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van verweerder van 18 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2011. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres heeft bij brief van 8 januari 2010 verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om informatie over, kort gezegd, het salaris van de directieleden van verweerder en de overige vergoedingen die zij ontvangen.

1.2. Bij brief van 18 maart 2010 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij niet verplicht is om de gevraagde documenten openbaar te maken. Op grond van artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit van 11 september 1998, houdende uitzondering respectievelijk aanwijzing van bestuursorganen als bedoeld in de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur (het Besluit) is verweerder uitgezonderd van de werkingssfeer van de Wob voor zover zij is belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met bepaalde taken en bevoegdheden op grond van de Bankwet 1998. Dit betreft de werkzaamheden die verweerder verricht in haar hoedanigheid van integrerend onderdeel van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Verder is verweerder uitgezonderd van de werkingssfeer van de Wob voor zover zij is belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met de taken en bevoegdheden van verweerder op het gebied van toezicht op ondernemingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen, waaronder de Wet op het financieel toezicht. Hieronder vallen tevens de werkzaamheden van de directie, zodat verweerder niet verplicht is om documenten betreffende de werkzaamheden van de directie openbaar te maken op grond van de Wob.

Niettemin heeft verweerder uit oogpunt van transparantie een overzicht van het salaris, de werkgeverslasten en overige vergoedingen, de pensioenlast, de binnenlandse reiskosten, de buitenlandse reis- en verblijfkosten, de opleidingskosten en overige kosten per directielid over de jaren 2008 en 2009 verstrekt. Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat een gedeelte van de gevraagde informatie, zoals de jaarrekeningen inclusief de toelichting, al openbaar is.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 18 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 18 maart 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de Wob niet van toepassing is op de informatie die eiseres heeft verzocht en zij daarom niet bevoegd is op het informatieverzoek te beslissen.

1.4. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de brief van 18 maart 2010 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De informatie die eiseres aan verweerder heeft verzocht ziet niet op de inhoud van het werk van eiseres, maar op met belastinggeld betaalde salarissen en vergoedingen. Eiseres merkt op dat vele bestuursorganen, waaronder de Stichting Autoriteit Financiële Markten, aan soortgelijke verzoeken van eiseres gehoor hebben gegeven.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld,

of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

2.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wob is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

[…..]

d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

2.4. Artikel 1 van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (het Besluit) luidt:

“Als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman onderscheidenlijk artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet openbaarheid van bestuur, zijn uitgezonderd:

[…]

b. de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3 van de Bankwet 1998, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het notarisambt en de Wet op het financieel toezicht, alsmede, voor zover nog van toepassing op grond van de artikelen 2a, 5, 8, 17, 18, 19, 20a, 22, 25a, 46 en 49 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, de Pensioen- en spaarfondsenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals deze luidden op 31 december 2006;

[…]”.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 30 maart 2011, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummer BP9590) moet een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen, in beginsel worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt aangaande de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager om een besluit veronderstelde bevoegdheid. Indien aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, geen enkele bevoegdheid is toegekend ter uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering of handhaving van deze wettelijke regeling, is echter geen sprake van een besluit.

3.2. De mededeling van verweerder in haar brief van 18 maart 2010 houdt een beoordeling in van de reikwijdte van de door eiseres veronderstelde bevoegdheid op grond van de Wob. Deze mededeling is, zo volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak, een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, tenzij evident geen sprake zou zijn van enige publiekrechtelijke rechtsplicht en daaruit voortvloeiende bevoegdheid.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 26 oktober 2005, LJN AU4987) is de Nederlandsche Bank een naamloze vennootschap, dat wil zeggen een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Zij is dan ook geen rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld en geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Bepalend voor de vraag of verweerder kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, is de vraag of haar één of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend. Zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd zijn aan haar overheidstaken opgedragen en zijn haar daarvoor de benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden toegekend. De Nederlandsche Bank N.V. is ten aanzien van die overheidstaken dan ook een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

3.4. De Nederlandsche Bank N.V. is, gelet op artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit slechts als bestuursorgaan van de Wob uitgezonderd, voor zover zij is belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met de daarin omschreven taken en bevoegdheden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet evident geen sprake is van enige publiekrechtelijke rechtsplicht en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid. De brief van 18 maart 2010 dient dan ook te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 18 maart 2010 dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal het beroep van eiseres gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen vanwege strijd met de wet. De rechtbank zal in het navolgende bezien of zij aanleiding ziet zelf in de zaak te voorzien of om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.5. Verweerder heeft ter zitting erkend dat aan haar overheidstaken zijn opgedragen en haar daarvoor publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend, die niet voortvloeien uit, dan wel verband houden met haar taken op grond van de wetgeving die is vermeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit. Voor die taken en bevoegdheden is zij als bestuursorgaan dan ook niet uitgezonderd van de werkingssfeer van de Wob.

3.6. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat ongeveer 20% van haar Zelfstandig Bestuursorgaan-begroting (ZBO-begroting) uit Nederlands belastinggeld wordt betaald.

De overige 80% van de ZBO-begroting en overige kosten worden uit eigen middelen of Europese middelen gefinancierd, aldus verweerder. Ter zitting heeft eiseres haar beroep beperkt tot de niet openbaar gemaakte declaraties van de directieleden van De Nederlandsche Bank N.V. die zijn betaald uit Nederlandse publieke middelen.

3.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 25 april 2000, LJN AA5630) moeten declaraties die door een minister in de uitoefening van zijn ambt bij zijn departement zijn ingediend en die zijn gehonoreerd worden aangemerkt als documenten over een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob. Die bestuurlijke aangelegenheid is de wijze waarop de minister zijn ambt vervult. De nota’s en bonnen hebben geheel op zichzelf beschouwd geen betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob, maar zij kunnen niet worden los gezien van de functievervulling. Op declaratieformulieren wordt veelal, al dan niet expliciet, naar nota’s en bonnen verwezen. Deze zijn zodanig met de formulieren verweven, dat zij moeten worden geacht daarvan onderdeel uit te maken. Aldus bezien vallen ook de aan de declaraties ten grondslag liggende nota’s en bonnen onder de Wob, aldus de Afdeling in voornoemde uitspraak. De rechtbank ziet niet in waarom het vorenstaande niet zou gelden voor declaraties van de directieleden van De Nederlandsche Bank N.V. voor zover zij die declaraties hebben ingediend in de uitoefening van hun ambt op grond van overheidstaken en publiekrechtelijke bevoegdheden die aan hen daarvoor zijn toegekend, die niet voortvloeien uit dan wel verband houden met hun taken op grond van de wetgeving die is vermeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit en die uit de Nederlandse publieke middelen zijn betaald.

3.8. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder met inachtneming van de in artikelen 10 en 11 van de Wob genoemde belangen had dienen te beoordelen of zij het verzoek van eiseres voor zover dat ziet op de openbaarmaking van de declaraties, en de daaraan ten grondslag liggende nota’s en bonnen in de hierboven onder rechtsoverweging 3.7. genoemde zin, zou toewijzen. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, haar systeem niet zodanig is ingericht dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de financiering van de declaraties en de taak waarvoor die kosten zijn gemaakt, doet daaraan niet af. Dit geldt te minder nu verweerder ter zitting heeft toegelicht dat de kosten ten behoeve van de jaarrekening aan bepaalde posten worden toegerekend.

3.9. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Nu een nieuwe beslissing op bezwaar nader onderzoek en nadere besluitvorming van verweerder vergt, ziet de rechtbank evenmin aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3.10. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de proceskosten van eiseres te veroordelen. Eiseres heeft eerst ter zitting kenbaar gebruik gemaakt van professionele rechtsbijstand. De kosten van eiseres worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair begroot op een bedrag van € 437 (1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 437 x wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 437 (zegge: vierhonderd zevenendertig euro), te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 298 (zegge: tweehonderd achtennegentig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Riem, voorzitter, mrs. C.J. Polak en P.H.A. Knol, leden, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature