< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering van een WW-uitkering. Geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW. Geen sprake van een met een privaatrechtelijke dienstbetrekking gelijk te stellen arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder d, van de WW .

Uitspraak



10/98 WW + 10/2312 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 november 2009, 08/1918 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Namens appellante is verschenen mr. A. van Deuzen, advocaat te Alkmaar. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.M.C. Beijen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante genoot een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) sinds mei 2004. Na het overlijden van haar moeder in 2003 heeft appellante de zorgtaken van haar moeder ten aanzien van de partner van haar moeder, de heer [B.] (hierna: [B.]) overgenomen. Per 1 februari 2005 heeft zij hiertoe een “zorgovereenkomst met inwonend familielid” gesloten met [B.] en per 1 februari 2005 ontving zij loon van [B.], hetgeen hij betaalde uit het hem toegekende persoonsgebonden budget (PGB). Zij woonde bij hem in huis. Na het overlijden van [B.] in december 2007 heeft appellante (opnieuw) een WW-uitkering aangevraagd per 1 januari 2008 in verband met het verlies van de door haar verrichte werkzaamheden ten behoeve van [B.].

1.2. Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante een WW-uitkering toe te kennen met ingang van 1 januari 2008 omdat appellante niet verzekerd is voor de WW. Bij besluit van 20 mei 2008 heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 20 mei 2008 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Hiertoe heeft zij overwogen dat het Uwv geen onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke omstandigheden, maar slechts is afgegaan op de door de Sociale Verzekeringsbank geleverde informatie. Het besluit is dan ook niet zorgvuldig voorbereid en dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is vervolgens, na zelf feitenonderzoek ter zitting te hebben verricht, tot de conclusie gekomen dat de arbeidsverhouding tussen appellante en [B.] in overwegende mate werd beheerst door de familierelatie, waardoor een gezagsverhouding ontbrak en er om die reden geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW noch van een met een privaatrechtelijke dienstbetrekking gelijk te stellen arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder d, van de WW . De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat vanwege de familierelatie geen recht op een WW-uitkering bestaat, maar ziet desalniettemin geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 20 mei 2008 in stand te laten omdat het Uwv heeft nagelaten te beoordelen of appellante alsnog recht heeft op herleving van het recht op een WW-uitkering ingevolge de Regeling herlevingstermijn WW. De rechtbank heeft het Uwv dan ook opgedragen om een nieuw besluit te nemen waarbij rekening moet worden gehouden met haar overweging ten aanzien van de herleving van het WW-recht.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat wel degelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen haar en [B.]. De rechtbank en het Uwv spreken ten onrechte van een familierelatie, aangezien [B.] de partner van de overleden moeder van appellante was en er geen ouder-kind relatie heeft bestaan tussen appellante en [B.]. Subsidiair stelt appellante dat zelfs indien een familierechtelijke relatie zou hebben bestaan tussen appellante en [B.] dit niet hoeft te impliceren dat er geen arbeidsverhouding is. Voorts wijst zij erop dat [B.] wel degelijk aanwijzingen en opdrachten gaf, hetgeen kenmerkend is voor een gezagsverhouding. Tenslotte heeft appellante aangevoerd dat zij geen bewuste keuze heeft gemaakt voor een zorgovereenkomst in plaats van een arbeidsovereenkomst.

4.1. Bij nader besluit op bezwaar van 6 april 2010 heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Hierbij is het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van het niet verzekerd zijn ingevolge artikel 3 noch ingevolge artikel 5 van de WW gehandhaafd en is vervolgens vastgesteld dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van de Regeling herlevingstermijn WW.

4.2. Appellante heeft hierop aangegeven dat met het nadere besluit niet volledig aan haar bezwaren is tegemoet gekomen.

4.3. De Raad ziet aanleiding om, onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb , bij de behandeling van het hoger beroep tevens een oordeel te geven over het besluit van 6 april 2010, nu met dit nadere besluit niet geheel aan het beroep van appellante is tegemoetgekomen.

5.1. Ten aanzien van het hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

5.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW, die in geval van werkloosheid recht heeft op uitkering ingevolge deze wet. Gelet op artikel 3 van de WW is daarvoor vereist dat zij tot [B.] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden (zie de arresten van 13 juli 2007, LJN BA6231 en van 25 maart 2011, LJN BP3887) en van de Raad (zie de uitspraken van 1 april 2011, LJN BQ0098 en van 15 april 2011, LJN BQ1775) is voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maatgevend of tussen beiden sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

5.3. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW tussen appellante en [B.] gelet op de, door de rechtbank vastgestelde, feitelijke situatie. Appellante heeft sinds het overlijden van haar moeder in 2003 de zorg voor [B.] van haar moeder overgenomen en heeft met ingang van 1 februari 2005 een zogenoemde “zorgovereenkomst met inwonend familielid” gesloten met [B.], waarbij [B.] haar betaalde uit het hem toegekende PGB. Gelet op alle feitelijke omstandigheden, zoals door de rechtbank genoemd onder overwegingen 6.3 en 6.4 van de aangevallen uitspraak, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat sprake was van een gezagsrelatie. Hierbij hecht de Raad vooral belang aan het volgende. Naar het oordeel van de Raad had appellante een dermate grote mate van vrijheid en zelfstandigheid in het uitvoeren van de werkzaamheden dat geen sprake was van een gezagsrelatie. Zij verrichtte de werkzaamheden die naar haar eigen inzicht nodig waren en kreeg hiervoor betaald voor zover het PGB reikte. Het moge zo zijn dat [B.] haar, zeker in het begin, aanwijzingen en/of opdrachten gaf ten aanzien van de te verrichten werkzaamheden, maar dit maakt nog niet dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen beiden. De Raad wijst er in dit verband op dat uit artikel 7:400 van het BW blijkt dat een opdrachtgever bevoegd is om aanwijzingen te geven aan de opdrachtnemer in het kader van de uitvoering van een overeenkomst van opdracht. Voorts heeft de Raad betekenis gehecht aan de volgende omstandigheden. Appellante woonde bij [B.] in huis zonder dat daar enige vergoeding van haar kant tegenover stond, zij deed de boodschappen en was gemachtigd ten aanzien van de bankzaken van [B.].

5.4. Vervolgens ligt ter beoordeling voor de vraag of sprake was van een met een privaatrechtelijke dienstbetrekking gelijk te stellen arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder d, van de WW . De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat dit niet het geval was, gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid sub e van het Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd (Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655). Op grond van deze bepaling wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding die in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding. Onder verwijzing naar de overwegingen onder 5.3 met betrekking tot de wijze waarop de zorgovereenkomst tot stand is gekomen en op de wijze waarop deze werd uitgevoerd is de Raad van oordeel dat het ging om dienstverlening die in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding. Hierbij acht de Raad met name de volgende feiten en omstandigheden van belang. Hoewel [B.] weliswaar niet de biologische vader was van appellante, kan niet gezegd worden dat de arbeidsverhouding tussen [B.] en appellante niet werd beheerst door de familierelatie. [B.] en appellante beschouwden elkaar over een weer als (stief)vader en (stief)dochter, zoals ook blijkt uit de door hen ingevulde formulieren: de zorgovereenkomst en het formulier aanmelding salarisadministratie PGB van 16 september 2005, en de aanvraag WW van 29 januari 2008. Op deze formulieren duiden appellante en [B.] elkaar over en weer aan als vader en dochter dan wel als stiefvader en stiefdochter. Ook de omstandigheid dat [B.] voordat de zorgovereenkomst werd afgesloten enige tijd bij appellante in Amsterdam heeft ingewoond omdat het heen en weer rijden tussen Amsterdam en Heerhugowaard, de woonplaats van [B.], voor appellante te belastend werd, acht de Raad een aanwijzing dat de zorgverlening door appellante in overwegende mate werd beheerst door een familieverhouding. Ten slotte acht de Raad van belang dat appellante blijkens een notitie op het formulier Overdracht CWI naar Uwv van 31 januari 2008, bij haar aanvraag om een WW-uitkering als toelichting op de late indiening van de aanvraag heeft aangegeven dat zij druk was geweest met de administratieve afhandeling van het overlijden van haar (stief)vader, aangezien zij de enige (stief)dochter was.

5.5. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.

6.1. Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 6 april 2010 is de Raad van oordeel dat dit beroep niet slaagt voor zover het zich richt tegen de weigering van een WW-uitkering op grond van artikel 3 en/of artikel 5 van de WW en verwijst hiervoor naar de onder 5.3 en 5.4 vermelde overwegingen. Voor zover het beroep zich richt tegen de weigering om de WW-uitkering van appellante te laten herleven per 1 januari 2008 is de Raad van oordeel dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd waarom het Uwv onjuiste toepassing heeft gegeven aan de Regeling herlevingstermijn WW.

6.2. Het beroep tegen het besluit van 6 april 2010 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

6.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 april 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) R.L. Rijnen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 2 tot en met 12 en 14, eerste lid, van de WW en de daarop berustende bepalingen.

RK


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature