< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking Anw-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Voldaan aan criterium van wederzijdse zorg.

Uitspraak



09/2156 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 april 2009, 08/715 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft G. Paskamp als adviseur werkzaam bij Repas, rechtspraktijk en letselschade te Hengelo, hoger beroep ingesteld. Mr. H.J.M. van Denderen, advocaat te Hengelo, heeft namens appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2011. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2006 in aanvulling op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip inhoudende dat [C.D.] (hierna: [C.D.]) op haar adres, [adres] te [woonplaats], samenwoont met appellant is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende nabestaandenuitkering. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn getuigen gehoord en zijn appellant en [C.D.] door twee sociaal rechercheurs verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 8 januari 2008. Op grond hiervan heeft de Svb geconcludeerd dat appellant en [C.D.] vanaf juni 2002 een gezamenlijke huishouding voeren op voornoemd adres.

1.3. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft de Svb de nabestaanden uitkering van appellant met ingang van 1 juli 2002 ingetrokken op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

1.4. Bij besluit van 18 juni 2008 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij vanaf juni 2002 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren omdat van wederzijdse zorg geen sprake was. Voorts heeft appellant aangevoerd dat wanneer hij, als kostganger, af en toe de tuin van zijn hospita schoffelt en weleens voor haar de boodschappen doet, dit niet met zich brengt dat een situatie ontstaat die een zakelijke relatie te boven gaat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

4.2. Niet in geschil is dat appellant vanaf juni 2002 zijn hoofdverblijf had in de woning van [C.D.] aan de [adres] te [woonplaats].

4.3. Anders dan appellant is de Raad met de rechtbank van oordeel dat aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant heeft verklaard dat hij sinds juni 2002 bij [C.D.] woont en een gezamenlijke huishouding met haar is gaan voeren, dat hij tot april 2007 niets betaalde voor het onderdak dat [C.D.] hem bood, dat hij haar hielp met haar werk op de markt, dat [C.D.] kookt, wast en strijkt, dat zij meestal samen eten en dat hij weleens de boodschappen en de benzine betaalt. [C.D.] betaalt de verzekeringen en appellant betaalt de doorlopende reisverzekeringen. Ook verricht appellant klusjes in huis en tuin. De verklaring van [C.D.] komt hiermee overeen. De voormelde feiten en omstandigheden gaan hetgeen in een zakelijke relatie gebruikelijk is te boven.

4.4. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat vanaf juni 2002 sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw . Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature