Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering rentedragende geldlening, die medeondertekend is door appellante. De rechtbank heeft terecht aangenomen dat betrokkene en appellante ten tijde hier van belang voor de verlening van de bijstand als een gezin dienden te worden aangemerkt. Het bedrijfskrediet wordt derhalve geacht aan betrokkene en appellante tezamen, als gezin, te zijn verleend.

Uitspraak



09/3820 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juli 2009, 09/797 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Zee, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Zee. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van der Eijk, werkzaam bij de gemeente Purmerend.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De toenmalige partner van appellante, [naam H.] (hierna: Van den H.), exploiteerde als zelfstandige onder de handelsnaam [naam bedrijf] een onderneming in aluminium schuifdaken en vouwwanden.

1.2. Op 30 augustus 2006 hebben Van den H. en appellante gezamenlijk een aanvraag ingediend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) om toekenning van een uitkering ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en een bedrijfskrediet.

1.3. Bij besluit van 7 november 2006 heeft het College de gevraagde bijstand op grond van artikel 2, tweede lid, en artikel 20 van het Bbz 2004 toegekend in de vorm van een rentedragende geldlening van € 72.000,--. In dat kader heeft appellante zich door medeondertekening van een tussen Van den H. en de gemeente Purmerend opgemaakte akte van geldlening, als hoofdelijk medeschuldenaar verbonden tot terugbetaling van al hetgeen Van den H. uit hoofde van de te verstrekken geldlening verschuldigd zal zijn of worden en heeft appellante tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan de voornoemde geldlening verbonden rente- en aflossingsverplichting ten behoeve van de gemeente Purmerend het recht van hypotheek verleend op de aan haar in eigendom toebehorende woning aan de [adres] te [woonplaats]

1.4. Bij besluit van 22 mei 2008 heeft het College het op dat moment van de voornoemde lening resterende bedrag van € 67.097,51 van Van den H. teruggevorderd, op de grond dat is geconstateerd dat de uit de geldlening voortvloeiende terugbetalingsverplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 22 mei 2008 heeft het College aan appellante meegedeeld dat zij op grond van artikel 59, eerste en derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele vordering.

1.5. Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 mei 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

27 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het College gehouden was het in het besluit van 22 mei 2008 genoemde bedrag van Van den H. terug te vorderen.

4.2. Van den H. en appellante hebben de aanvraag van 30 augustus 2006 gezamenlijk ingediend, waarbij appellante de aanvraag als partner van Van den H. mede heeft ondertekend. Het besluit van 7 november 2006, waarbij op deze aanvraag positief is beslist, is aan Van den H. en appellante gericht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht aangenomen dat Van den H. en appellante ten tijde hier van belang voor de verlening van de bijstand als een gezin dienden te worden aangemerkt. Het bedrijfskrediet wordt derhalve geacht aan Van den H. en appellante tezamen, als gezin, te zijn verleend. De stelling van appellante dat het element van (duurzame) lotsverbondenheid tussen haar en Van den H. feitelijk heeft ontbroken - wat daarvan verder ook zij - kan daar niet aan afdoen. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de WWB was het College derhalve bevoegd het verleende bedrijfskrediet mede van appellante terug te vorderen. Ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB is appellante hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van dat krediet.

4.3. Appellante kan zich niet met vrucht beroepen op onbekendheid met de handelwijze of het niet betrokken zijn bij de activiteiten van Van den H. Voor zover appellante heeft betoogd dat het College onzorgvuldig heeft gehandeld, door appellante onvoldoende bij de verlening van het bedrijfskrediet te betrekken, acht de Raad relevant op te merken dat, zo blijkt uit een zich onder de gedingstukken bevindende rapportage van 9 oktober 2006 van de Bbz Adviesgroep CI, appellante uitgebreid met een adviseur heeft gesproken over de exploitatievooruitzichten en de financieringsmogelijkheden van het bedrijf van Van den H. en dat appellante betrokken was bij de bespreking van de onder 1.3 genoemde akten, die zij vervolgens ook heeft getekend, hetgeen erop wijst dat zij wel degelijk op de hoogte was. Van het door appellante gestelde misbruik van omstandigheden door een medewerker van de gemeente Purmerend bieden de gedingstukken voorts geen concrete aanknopingspunten.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature