< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 maart 2010 heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming huurtoeslag 2008 voor [appellante] op nihil vastgesteld en het voor dat jaar uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.733,00 teruggevorderd.

Uitspraak



201011574/1/H2.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2010 in zaak nr. 10/3079 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2010 heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming huurtoeslag 2008 voor [appellante] op nihil vastgesteld en het voor dat jaar uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.733,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 26 mei 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 12 oktober 2010, proces-verbaal verzonden op 29 oktober 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2010, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2011.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, onderdeel 1, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder huurder verstaan de persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) is de belanghebbende gehouden, indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, die wijziging te melden aan de Belastingdienst.

Ingevolge het tweede lid wordt bij regeling van Onze Minister bepaald welke wijzigingen in omstandigheden aanleiding geven voor een melding en op welke wijze en binnen welke termijn de melding wordt gedaan.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Uitvoeringsregeling Awir) doet de belanghebbende, indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en zich in het berekeningsjaar een wijziging van de omstandigheden voordoet waarmee bij het verlenen van het voorschot geen rekening is gehouden en die leidt tot beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming, daarvan binnen vier weken schriftelijk dan wel elektronisch mededeling aan de Belastingdienst.

2.2. [appellante] heeft op 19 juni 2007 haar woonadres in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) gewijzigd. Zij heeft deze wijziging niet doorgegeven aan de Belastingdienst. Bij besluit van 12 maart 2010, gehandhaafd bij besluit van 26 mei 2010, heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming over 2008 op nihil vastgesteld en € 1.733,00 als teveel uitgekeerd teruggevorderd. De Belastingdienst heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [appellante] sinds 19 juni 2007 op een ander adres in de GBA is ingeschreven dan waarvoor huurtoeslag over 2008 is verleend. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd en het besluit van 26 mei 2010 in stand gelaten.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank haar oordeel dat de van toepassing zijnde bepalingen ertoe leiden dat zij over 2008 geen recht heeft op huurtoeslag en hetgeen zij verder heeft aangevoerd niet leidt tot een ander oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.3.1. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante], op grond van artikel 1, aanhef en onder c, onder 1°, van de Wht , haar hoofdverblijf moest hebben in de door haar gehuurde woning, wilde zij aanspraak kunnen maken op huurtoeslag. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat [appellante] volgens het GBA in 2008 niet haar hoofdverblijf had op het adres waarvoor het voorschot huurtoeslag 2008 is ontvangen. Met hetgeen de rechtbank heeft overwogen heeft de rechtbank haar oordeel, dat [appellante] geen recht had op huurtoeslag over 2008, afdoende gemotiveerd. Het betoog faalt.

2.4. Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij erop mocht vertrouwen dat zij recht had op hetgeen de Belastingdienst als voorschot had verleend, omdat de Belastingdienst op grond van de gegevens in de GBA kon weten dat zij niet meer op het adres woonde waarvoor het voorschot huurtoeslag was verleend, faalt dit evenzeer. Uit artikel 17, eerste en tweede lid, van de Awir , in samenhang gelezen met artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awir, volgt dat [appellante] was gehouden een relevante wijziging in de omstandigheden die van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, binnen vier weken aan de Belastingdienst te melden. Nu zij heeft verzuimd de wijziging van haar woonadres tijdig bij de Belastingdienst te melden, kon zij reeds hierom aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zij aanspraak op tegemoetkoming had.

2.5. [appellante] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat het voorschot huurtoeslag door haar dient te worden terugbetaald, terwijl voormalig minister Herfkens de aan haar uitgekeerde tegemoetkoming voor woonlasten niet hoeft terug te betalen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu de toelage aan voormalig minister Herfkens is verstrekt op grondslag van een andere regeling en door een ander bestuursorgaan dan de Belastingdienst, het geen gelijke gevallen betreft en het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds hierom faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011

47-705.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature