< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vaststellen toekenning Wajong-uitkering. Met de rapportage van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is in voldoende mate gemotiveerd dat geen sprake is van een bijzonder geval. Op grond van de beschikbare gegevens is aan de Raad niet kunnen blijken van bij de ouders van appellant bestaande belemmeringen om de belangen van appellant in dit opzicht tot zijn meerderjarigheid te behartigen. Evenmin is gesteld, noch is de Raad gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat appellant vanaf dat tijdstip zelf dan wel met inschakeling van derden - bijvoorbeeld met hulp van de wijkverpleegkundige die appellant bijstond toen hij zelfstandig ging wonen - niet in staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen.

Uitspraak



10/3363 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 mei 2010, 10/207

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Voor appellant is verschenen, [naam partner], de partner van appellant. Het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Bij een op 22 juni 2009 gedateerd formulier heeft appellant, geboren [in] 1955, een uitkering ingevolge de Wajong aangevraagd.

1.3. Bij besluit van 19 november 2009, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 25 januari 2010, heeft het Uwv appellant per 22 juni 2008 een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan deze besluitvorming ligt mede ten grondslag de overweging dat appellant ter zake van zijn op zijn 18e verjaardag al bestaande arbeidsongeschiktheid niet eerder dan ingaande een jaar voor de aanvraagdatum, dus niet eerder dan 22 juni 2008, een uitkering ingevolge de Wajong toekomt. Een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong, op grond waarvan de uitkering nog eerder zou kunnen ingaan, heeft het Uwv niet aanwezig geacht, omdat onbekendheid met het bestaan van de Wajong niet als zodanig kan worden aangemerkt.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 25 januari 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat met de rapportage van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate gemotiveerd is dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong en dat de informatie van de huisarts van appellant geen aanleiding geeft anders te oordelen. De rechtbank is - in het kader van de beoordeling van de vraag of appellant redelijkerwijs kan worden geacht niet in verzuim te zijn geweest - van oordeel dat uit de beschikbare medische informatie weliswaar naar voren komt dat appellant zwakbegaafd is en sinds zijn 17de levensjaar volledig arbeidsongeschikt is, maar daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van onvermogen ten gevolge van een ernstige psychische stoornis waardoor appellant niet in staat is geweest tijdig een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen. De rechtbank is voorts niet tot de overtuiging gekomen dat niet eerder een beroep kon worden gedaan op personen uit de directe omgeving van appellant.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling gehandhaafd dat er sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv er toe over had moeten gaan om eerder dan met ingang van 22 juni 2008 de Wajong-uitkering toe te kennen. Daartoe heeft hij wederom gesteld dat hij onbekend was met het bestaan van de Wajong. Voorts heeft hij gesteld dat hij ruim voor zijn 17e levensjaar zwakbegaafd was, dientengevolge nimmer heeft leren lezen en schrijven en om die reden niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Ingevolge de tweede volzin van die bepaling kan appellant voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een bijzonder geval indien betrokkene ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Een dergelijke situatie kan aan de orde zijn indien betrokkene buiten staat was tijdig een aanvraag in te dienen.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert noch onbekendheid met het bestaan van de Wajong, noch onbekendheid met de mogelijkheid een Wajong-uitkering aan te vragen een bijzonder geval op.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en kan zich in grote lijnen verenigen met hetgeen de rechtbank daartoe heeft vastgesteld en overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in vorengenoemde bepaling, op grond waarvan het Uwv bevoegd zou zijn de Wajong-uitkering van appellant met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen. Op grond van de beschikbare gegevens is aan de Raad niet kunnen blijken van bij de ouders van appellant bestaande belemmeringen om de belangen van appellant in dit opzicht tot zijn meerderjarigheid te behartigen. Evenmin is gesteld, noch is de Raad gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat appellant vanaf dat tijdstip zelf dan wel met inschakeling van derden - bijvoorbeeld met hulp van de wijkverpleegkundige die appellant bijstond toen hij zelfstandig ging wonen - niet in staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen. Onbekendheid met de wettelijke mogelijkheden, naar ook door de rechtbank is overwogen, kan naar vaste jurisprudentie van deze Raad geen bijzonder geval opleveren. De Raad merkt daarbij nog op dat ter zitting door de gemachtigde van appellant is aangegeven dat appellant zijn aanvraag om een Wajong-uitkering heeft ingediend nadat een arts in het ziekenhuis had gewezen op het bestaan van de Wajong. Appellant heeft eerst op dat moment beseft dat hij mogelijk voor een uitkering in aanmerking zou kunnen komen. Deze gang van zaken onderstreept dat met name onbekendheid met de wet, althans onbekendheid met de mogelijkheid enige uitkering te verkrijgen, in het geval van appellant in de weg heeft gestaan aan het doen van een tijdige(r) aanvraag.

4.5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Venneman.

RK


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature