Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vaststelling aflossingcapaciteit. Onder verwijzing naar de gegevens uit het Suwinet en de door appellant in bezwaar overgelegde loonstroken heeft de rechtbank overwogen dat de hoogte van het inkomen van appellant weliswaar per week wisselt, maar dat deze bedragen om en nabij het bedrag zijn waarmee het Uwv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit rekening heeft gehouden, zodat niet geoordeeld kan worden dat het Uwv bij het bepalen van de aflossingscapaciteit met een te hoog inkomen rekening heeft gehouden.

Uitspraak



10/3417 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 juni 2010, 10/424

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2011, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn dochter N.M. Werleman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij het - rechtens onaantastbaar geworden - besluit van 2 oktober 1996, gecorrigeerd bij besluit van 21 januari 1997, heeft het Uwv, voorzover hier van belang, van appellant de in dit besluit vermelde onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) teruggevorderd ten bedrage van f 56.004,47 (€ 25.413,72).

1.2. Bij het - rechtens onaantastbaar geworden - besluit van 21 oktober 2003 heeft het Uwv, voorzover hier van belang, van appellant de in dit besluit vermelde onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) teruggevorderd ten bedrage van € 5.269,33.

1.3. Bij brief van 11 augustus 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat er nog een vordering van € 8.031,04 niet is betaald en is appellant dringend verzocht tot betaling van de gehele vordering over te gaan.

1.4. Middels het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek, gedagtekend op 1 september 2009, heeft appellant het Uwv voorgesteld om de vordering met € 100,- per maand af te lossen. Bij besluit van 18 september 2009 heeft het Uwv dit voorstel afgewezen en besloten dat appellant met ingang van 1 oktober 2009 € 669,25 per maand dient terug te betalen. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat rekening houdend met de overige schulden en geldende regels een aflossingscapaciteit van € 842,37 resteert.

1.5. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 januari 2010 (hierna: bestreden besluit) bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft in beroep dezelfde gronden naar voren gebracht als in bezwaar.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe allereerst vastgesteld dat het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op de wijze van invordering van de schuld die appellant aan het Uwv heeft en op de aflossingscapaciteit van appellant, zodat de rechterlijke toetsing beperkt is tot de vraag of het Uwv op goede gronden heeft besloten dat appellant € 669,25 per maand dient af te lossen. De beroepsgronden van appellant gericht tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag dienen naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing te worden gelaten. Onder verwijzing naar de gegevens uit het Suwinet en de door appellant in bezwaar overgelegde loonstroken heeft de rechtbank voorts overwogen dat de hoogte van het inkomen van appellant weliswaar per week wisselt, maar dat deze bedragen om en nabij het bedrag zijn waarmee het Uwv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit rekening heeft gehouden, zodat niet geoordeeld kan worden dat het Uwv bij het bepalen van de aflossingscapaciteit met een te hoog inkomen rekening heeft gehouden. Verder is de rechtbank, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 57 van de WAO, artikel 36 van de WW en artikel 7 van de Beleidsregel terug- en invordering, gelezen in combinatie met de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tot de conclusie gekomen dat de voor appellant vastgestelde aflossingcapaciteit op de juiste wijze is vastgesteld en dat het Uwv daarbij niet gehouden was rekening te houden met de door appellant opgegeven schulden dan wel uitgaven. Daarbij heeft de rechtbank nog opgemerkt dat het Uwv deels aan appellant tegemoet is gekomen door het termijnbedrag dat appellant dient af te lossen € 143,12 lager vast te stellen dan zijn volledige aflossingscapaciteit.

3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank gebezigde overwegingen en gegeven oordelen en maakt deze tot de zijne.

4. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) N.S.A. El Hana.

RK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature