< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor - kort gezegd - het begraven van een groot aantal kadavers van runderen op zijn bedrijf en opzettelijke overtreding van een aantal voorwaarden van de milieuvergunning van zijn veehouderij. Verder is hij veroordeeld voor het opzettelijk niet goed bijhouden van registratie van zijn dieren, het onthouden van de nodige zorg aan zijn dieren en handelingen die neerkomen op het vervalsen van de identiteit van een aantal runderen uit zijn veestapel.

Hij is voor deze misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk.

De rechtbank heeft de straf voor een groot deel voorwaardelijk opgelegd vanwege de slechte gezondheidstoestand van verdachte, de grote gevolgen van deze strafzaak voor verdachte en zijn gezin en het feit dat hij zijn veehouderij inmiddels heeft beëindigd. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarde opgelegd dat verdachte gedurende de gehele proeftijd van twee jaar geen vee of andere dieren zal houden op bedrijfsmatige wijze.

Verdachte is vrijgesproken van de verdenking dat hij de hem eerder opgelegde voorlopige maatregel (een soort tijdelijke dwangmaatregel uit het economisch strafrecht) zou hebben overtreden. De rechtbank is van oordeel dat het niet betalen van de aangestelde bewindvoerder niet een overtreding oplevert van de maatregel waarbij die persoon is aangesteld, ook al is in de beschikking bepaald dat verdachte die kosten diende te betalen.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummers: 01/995251-09, 01/995443-09 en 01/995018-10 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 18 juli 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats + datum] 1962,

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juli 2011.

Op de zitting van 18 april 2011 heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 26 oktober 2010 en 5 november 2010.

Nadat de tenlastelegging met parketnummer 01/995251-09 op de terechtzitting van 4 juli 2011 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2008 tot

en met 18 mei 2009 te Someren, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, meermalen,

althans eenmaal, kadavers van dieren die op grond van artikel 4 eerste lid

onder b en/of f van de Verordening (EG) 1774/2002 konden worden aangemerkt als

categorie 1-materiaal, die kadavers niet overeenkomstig artikel 4 lid 2 jo

artikel 7 van laatstgenoemde Verordening heeft verzameld en /of vervoerd en/of

verwerkt en/of verwijderd, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in

vereniging met anderen of een ander, althans alleen, genoemde kadavers

(telkens) op zijn bedrijf in de grond gebracht en/of gehouden; (zaak 2)

(artikel 2.3 lid 1 van de Regeling dierlijke bijproducten 2008, gelet op 81 c

van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren)

2.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1

januari 2009 tot en met 18 mei 2009 te Someren, terwijl aan hem door

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Someren bij beschikking van 8

september 2005 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend, zich

opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden

aan voormelde vergunning, aangezien

- de (deels) met gehakseld mais gevulde sleufsilo (gelegen rechts naast gebouw

4), niet zodanig was afgedekt dat het vrijkomen van percolatiewater werd

voorkomen (voorschrift 12.3.1) en/of afvalstoffen (te weten percolaat)

afkomstig van de opslag uit voornoemde sleufsilo op of in de bodem werden

gebracht en/of terecht konden komen (voorschrift 2.1.2) althans werden deze

perssappen niet via de bedrijfsriolering afgevoerd naar een mestput of

opvangput (voorschrift 12.3.2) en/of

- (een deel van de) emballage (oliedrums en/of -vaten en/of cans en/of accu's)

niet was opgeslagen in een vloeistofdichte lekbak (voorschrift 7.1.3) en/of

- het terrein van de inrichting met een laag gier of mest was bevloeid en/of

voorzien, terwijl er geen sprake was van het bemesten van grond volgens de

normale bemestingspraktijk (voorschrift 11.2.6) en/of vaste mest en/of compost

en/of organisch afval niet werd opgeslagen op een mestdichte plaat voorzien

van opstaande randen of een gelijkwaardige voorziening (voorschrift 11.3.1)

en/of het uitzakkend vocht en verontreinigd regenwater op of in de bodem

terecht kwam en/of dit vocht niet door middel van een gesloten, mestdichte

riolering werd afgevoerd naar een mestdichte opslagruimte (voorschrift 11.3.2)

en/of

- de afvoerpunten van de opslagruimte(n) niet door middel van goed sluitende

deksels gesloten werd gehouden, terwijl er geen sprake was van het ledigen

ervan (voorschrift 11.2.4) en/of

- dierlijk afval (kalveren en/of runderen) op het terrein van de inrichting

was begraven en/of dit afval niet zo spoedig mogelijk , volgens de bij of

krachtens de Destructiewet gestelde regels, uit de inrichting was verwijderd

(voorschrift 11.1.4) en/of

- (een) brandblusmiddel(en), waaronder (een) slanghaspel(s), niet ieder

kalenderjaar op deugdelijkheid was/waren gecontroleerd en/of in orde was/waren

bevonden (voorschrift 3.1.3) en/of

- het bewaren van afvalstoffen niet op ordelijke en nette wijze gebeurde

(voorschrift 2.2.1) en/of het bewaren van afvalstoffen op de bodem niet

zodanig plaatsvond dat geen verontreiniging van de bodem op kon treden

(voorschrift 2.1.2);

(zaak 1)

artikel 18.18 Wet milieubeheer

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 18 oktober 2007 tot

en met 11 juni 2009 te Someren,

tezamen en in vereniging met [B.V. 1] en/of een ander of anderen, althans

alleen,

- een oormerk (NL 417236803) en/of een oormerk (DE 0768868949) welk(e)

oormerk(en) als ID-code betrekking hadden op een tweetal runderen en/of

- een oormerk (FR 2535621405) en/of een oormerk (FR 0108313129) en/of een

oormerk (FR 6206004144) en/of een oormerk (FR 5631033961) en/of een oormerk

(FR 6205527466),

welke echte (oor)merk(en) betrekking hadden op een aantal runderen, heeft gebruikt voor goederen waarvoor deze oormerken niet bestemd waren, zulks telkens met het oogmerk

om die te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde oormerken daarvoor (wel) bestemd waren, immers waren 7 (ongeregistreerde) runderen valselijk en

in strijd met de waarheid voorzien van vorenbedoelde echte oormerken welke in

werkelijkheid behoorden bij andere(n dan deze) runderen en heeft verdachte en/of zijn mededader(s) het daarbij willen doen voorkomen dat het hier ging om geregistreerde runderen met voornoemde (oor)merken;

artikel 219 aanhef en onder 3 e Wetboek van strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 18 mei 2009 tot en

met 11 juni 2009 te Someren, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging

met [B.V. 1] en/of [maatschap 1] en [medeverdachte1] en/of een

ander of anderen, althans alleen, dieren, te weten

- een aantal (30) runderen en/of (12) kalveren en/of

- een aantal (619) runderen

heeft gehouden, verhandeld, vervoerd, aangevoerd en/of afgevoerd, (zulks)

terwijl die/dat rund(eren) (telkens) niet overeenkomstig artikel 20 van de

Regeling identificatie en registratie dieren was/waren geïdentificeerd en/of

geregistreerd immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) als

houder(s) niet,

van de gehouden (30) runderen en/of gehouden (12) kalveren en/of van de

afgevoerde en/of verhandelde (619) runderen (telkens) binnen 3 werkdagen, te

rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis waarvan kennisgeving had

behoren te worden gedaan, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

in kennis gesteld van de gegevens bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede

gedachtestreepje, van verordening (EG) nr. 1760/2000;

(zaak 4)

artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren jo

artikel 13 van de Regeling identificatie en registratie van dieren

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 18 mei 2009 tot en

met 1 oktober 2009 te Someren, als houder van een of meer dieren, te weten

kalveren en/of runderen, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft

onthouden, immers

- beschikten niet alle kalveren en/of runderen (telkens) over (voldoende)

schoon drinkwater en/of

- beschikten niet alle kalveren en/of runderen (telkens) over (geschikt en/of

schoon) voer en/of

- beschikten niet alle kalveren en/of runderen (telkens) over een droge

ligplaats en/of

- was/waren er een of meer kalveren en/of runderen aanwezig met een -

onbehandelde - (actief) schurft/schimmelinfectie en/of

- was/waren er een aantal runderen aanwezig met (een) - onbehandelde - (lange

en/of misvormde en/of ontstoken) klauw(en);

artikel 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

6.

hij op of omstreeks 1 oktober 2009 te Someren,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

kalveren heeft gehuisvest, terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel

5, vierde lid Besluit welzijn productiedieren, aangezien

de behuizing en inrichting voor de beschutting van deze kalveren, te weten

kalveriglo's, niet zodanig waren geconstrueerd en/of deze niet in zodanige

staat van onderhoud verkeerden dat er geen scherpe randen of uitsteeksel

was/waren die het dier/de dieren konden verwonden;

artikel 2 lid 3 Besluit welzijn productiedieren

Nadat de tenlastelegging met parketnummer 01/995443-09 op de terechtzitting van 4 juli 2011 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 15 tot en met 19

oktober 2009 te Someren,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

een of meer oormerk(en) (ID-code BE 287288585) voor een rund, zijnde (elk) een

geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of

heeft vervalst, door dit merk/deze merken dat/die afkomstig was/waren van een

niet identificeerbaar rund valselijk en in strijd met de waarheid aan te

brengen aan een gestorven en geregistreerd rund (voorheen met ID-code NL

472645855), met het oogmerk om dat/die merk(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

(Artikel 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht )

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 15 oktober 2009 tot

en met 19 oktober 2009 te Someren,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) geschrift(en)

te weten een of meer oormerk(en) (ID-code BE 287288585) van een rund, - zijnde

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware

dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat een

rund met een oormerk (met voornoemde id. code) ter destructie werd aangeboden,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dat (oor)merk niet behoorde(n)

bij dit rund;

(Artikel 225 lid 2 van het Wetboek van strafrecht )

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 30 september 2009

tot en met 13 november 2009 te Someren, al dan niet opzettelijk,

tezamen en in vereniging met [B.V. 1] en/of [maatschap 1] en

[medeverdachte1] en/of een ander of anderen, althans alleen, één of meer

dieren, te weten een aantal (10) runderen (kalveren) heeft gehouden,

verhandeld, vervoerd, aangevoerd en/of afgevoerd, (zulks) terwijl die runderen

(telkens) niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie dieren

was/waren geïdentificeerd en/of geregistreerd overeenkomstig artikel 20 van de

Regeling identificatie en registratie van dieren, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn medeverdachte(n) als houder(s) niet,

van de op 30 september 2009 op het bedrijf/de bedrijven aangevoerde runderen

met ID-code BE 161506742 en/of BE 165883194 en/of een of meer andere runderen,

en/of van de op 1 oktober 2009 gestorven en/of afgevoerde runderen

(telkens) binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de

gebeurtenis waarvan kennisgeving had behoren te worden gedaan, maar eerst op

10 november 2009 (aanvoer) respectievelijk op 13 november 2009 (sterfte en/of

afvoer) de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in kennis gesteld

van de gegevens bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van

verordening (EG) nr. 1760/2000;

artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren jo

artikel 13 van de Regeling identificatie en registratie van dieren

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/995018-10 tenlastegelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 december 2009 tot

en met 27 mei 2010 te Someren - nadat door de meervoudige economische kamer

van de rechtbank 's-Hertogenbosch bij beschikking d.d. 6 november 2009

ingevolge artikel 29 van de Wet op de economische delicten als voorlopige

maatregel de onderbewindstelling van de feitelijk door [verdachte] gedreven

ondernemingen, daaronder begrepen de [maatschap1] en [medeverdachte] en [B.V. 1], gevestigd te [vestigingplaats] waarin

overtreding van 2, 3, 4, 5 van het Besluit welzijn productiedieren en/of

artikel 4 van het Kalverenbesluit en /of artikel 81c van de Gezondheids- en

welzijnswet voor dieren werd vermoed te zijn begaan, was bevolen - meermalen,

in elk geval eenmaal, opzettelijk heeft gehandeld en/of opzettelijk heeft

nagelaten in strijd met die voorlopige maatregel, immers heeft verdachte

(telkens) toen daar opzettelijk niet de kosten van - de bij of krachtens

voornoemde beschikking opgelegde - bewindvoering betreffende de maanden

november 2009 en/of december 2009 en/of januari 2010 voldaan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van parketnummer 01/995251-09, feit 3 en parketnummer 01/995433-09, feit 1. Volgens de raadsman is er ten aanzien van deze feiten sprake van een lex specialis, te weten de Regeling identificatie en registratie van dieren en heeft deze regeling voorrang boven de tenlastegelegde artikelen 219 en 225 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman. Nog los van de vraag of het gevolg van een specialis-generalis-verhouding de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te zijn, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een specialis-generalis verhouding, omdat artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren niet alle bestanddelen van artikel 219 respectievelijk artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht bevat, terwijl de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten bevat voor de opvatting dat de Regeling identificatie en registratie van dieren niettemin als een bijzondere strafbepaling moet worden beschouwd.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van de verdenking van overtreding van voorschrift 11.1.4, tenlastegelegd onder feit 2, omdat het begraven van kadavers reeds onder feit 1 ten laste is gelegd.

De rechtbank verwerpt het verweer. Het begraven van kadavers is tenlastegelegd onder verschillende strafbare feiten die verschillende belangen beschermen. De Wet milieubeheer heeft als doel het voeren van een ordelijke bedrijfsvoering en het voorkomen van hinder en overlast van de omgeving en het milieu. De Regeling dierlijke bijproducten is vooral bedoeld ervoor te zorgen dat onder meer kadavers of delen van dieren op de juiste wijze verwerkt worden en te voorkomen dat deze dierlijke resten direct of indirect in de voedselketen terecht kunnen komen en/of ziektes kunnen verspreiden.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

Parketnummer 01/995018-10.

De rechtbank acht dit feit niet wettig en overtuigend bewezen. Op 6 november 2009 heeft de rechtbank de voorlopige maatregel van onderbewindstelling van de feitelijk door verdachte gedreven ondernemingen bevolen voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft in die beschikking daarnaast bepaald dat alle kosten voortvloeiend uit de opgelegde maatregel ten laste van verdachte komen. Verdachte heeft deze kosten feitelijk niet betaald. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de kosten die voortvloeien uit de voorlopige maatregel echter geen onderdeel van die maatregel zodat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en/of opzettelijk heeft nagelaten in strijd met de voorlopige maatregel door de facturen van de bewindvoerder niet te betalen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Algemeen.

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de resultaten van de door de Algemene Inspectiedienst (hierna AID) op 18 mei 2009 gehouden controle op het bedrijf van verdachte van het bewijs moeten worden uitgesloten. Volgens de raadsman heeft verdachte de AID op het bedrijf toegelaten omdat hij ervan uit ging dat de AID een reguliere bedrijfscontrole hield. Aan verdachte was niet meegedeeld dat de AID een anonieme melding had gekregen over het begraven zijn van kadavers. De handelingen die op 18 mei 2009 door de ambtenaren van de AID zijn verricht, zijn niet verricht in het kader van een controle maar in het kader van gerichte opsporing. De AID-ambtenaren liepen rechtstreeks naar de kadaverplaats. Er is sprake van détournement de pouvoir.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de AID d.d. 5 oktober 2009, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant1], [verbalisant2] en [verbalisant3], heeft de AID een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een anonieme melding, onder andere inhoudend dat er diverse kadavers van runderen in de mest lagen. Gelet daarop bestonden er voldoende aanwijzingen dat de Wet op de economische delicten (WED) was overtreden. Zij konden derhalve de opsporingsbevoegdheden (van de WED) aanwenden en waren ingevolge art. 20 WED bevoegd om daartoe onder andere het bedrijfsterrein te betreden. De AID-ambtenaren hebben opsporingsbevoegdheden aangewend en geen controlebevoegdheden die hen toekomen in het kader van toezicht. Er is dan ook geen sprake van het gebruik van bevoegdheden voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verleend.

Parketnummer 01/995251-09, feit 1.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van bevindingen1;

- proces-verbaal AID2;

- schriftelijke verklaring [dierenarts4]3;

- bekennende verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 4 juli 2011.

Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij 37 kadavers van runderen op zijn bedrijf heeft begraven acht de rechtbank de verklaring van verdachte omtrent het aantal kadavers dat hij heeft begraven ongeloofwaardig. In het proces-verbaal van bevindingen van het Regionaal Milieuteam van de politie en het proces-verbaal van de AID is vermeld dat in totaal 47 hele kadavers en een aantal uiteengevallen kadavers, vermengd met de bodem, werden opgegraven. Van de kadavers die uiteen vielen en vermengd waren met de bodem kon niet het exacte aantal begraven kadavers worden geteld. Geschat wordt dat tenminste 150 tot 200 kadavers van runderen begraven lagen. Door Rendac zijn de (redelijk) intacte kadavers en in totaal 62 containerbakken met categorie 1-materiaal afgevoerd. Door Rendac is medegedeeld dat in totaal circa 1008 ton is afgevoerd.4 De processen-verbaal van de politie en de AID zijn op ambtseed/-belofte opgemaakt. De rechtbank heeft geen reden om aan deze processen-verbaal te twijfelen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat de runderen zijn overleden door twee calamiteiten waarbij telkens een hond de stal is binnengedrongen ook niet geloofwaardig. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid kadavers moeten er meerdere calamiteiten zijn geweest of moet er sprake zijn geweest van een grotere hoeveelheid runderen die door de calamiteiten zijn omgekomen. Bovendien acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat er na de twee incidenten telkens enkel dode runderen waren en geen gewonde runderen die verzorging door een dierenarts behoefden. Ook dat maakt de verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Daar komt bij dat verdachte ook heeft verklaard dat zonder duidelijke oorzaak "5de dieren stierven met grote hopen."

Parketnummer 01/995251-09, feit 2.

Op 26 februari 2008 is door Burgemeester en Wethouders (B&W) van de gemeente Someren een revisievergunning verleend aan verdachte voor de uitbreiding van het aantal te houden rosékalveren en een daarvoor nieuw te bouwen stal. Voor de stal was nog geen bouwvergunning verleend op 19 mei 2009, zodat de revisievergunning ingevolge art. 20.8 Wet milieubeheer nog niet in werking was getreden en de revisievergunning van 8 september 2005 de vigerende vergunning was.

Bij beschikking van 8 september 2005 hebben B&W van de gemeente Someren verdachte een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. In deze vergunning zijn o.a. de volgende voorschriften opgenomen6:

"12.3.1

Het vrijkomen van percolatiewater moet worden voorkomen door middel van het goed afdekken van een sleufsilo of voederkuil.

2.1.2

Afvalstoffen mogen niet in de bodem worden gebracht of terecht kunnen komen. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig plaatsvinden dat geen verontreiniging van de bodem kan optreden.

7.1.3

De emballage moet zijn opgeslagen in een vloeistofdichte lekbak. De inhoud van de lekbak moet ten minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste in de lekbak opgeslagen emballage, vermeerderd met 10% van de overige emballage. De lekbak moet bestand zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen.

11.2.6

Het terrein van de inrichting mag niet worden bevloeid of op andere wijze van een laag mest of gier worden voorzien, behoudens bij het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk.

11.3.1

Vaste mest, compost en organisch afval moeten zijn opgeslagen op een mestdichte mestplaat, die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening.

11.3.2

Uitzakkend vocht en verontreinigd regenwater mogen niet op of in de bodem terechtkomen. Dit vocht moet door middel van een gesloten, mestdichte riolering worden afgevoerd naar een mestdichte opslagruimte.

11.2.4

De afvoerpunten van de opslagruimte moeten door middel van goed sluitende deksels gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het ledigen ervan.

11.1.4

Dierlijk afval mag niet op het terrein van de inrichting worden begraven. Het afval moet zo spoedig mogelijk, volgens de bij of krachtens de Destructiewet gestelde regels, uit de inrichting worden verwijderd. Het bewaren van dierlijk afval, in afwachting van afvoer naar een destructiebedrijf, moet zodanig geschieden dat geen geurhinder optreedt, het aantrekken van ongedierte wordt voorkomen en geen vermenging met ander afval of materiaal optreedt. Verder mag het dierlijk afval geen visuele hinder veroorzaken.

3.1.3

Brandblusmiddelen, waaronder slanghaspels, moeten ieder kalenderjaar op deugdelijkheid zijn gecontroleerd en in orde zijn bevonden. Het onderhoud van draagbare blustoestellen moet overeenkomstig NEN 2559, NEN-EN 671-1 en ISO 11602-2 plaatsvinden. Onderhoud en inspectie moeten plaatsvinden door bedrijven die beschikking over een REOB-erkenning. Na inspectie moeten blusmiddelen en slanghaspels worden voorzien van een label of sticker met datum. Draagbare blustoestellen moeten bovendien worden voorzien van een zegel.

2.2.1

Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van de afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden."

De rechtbank overweegt het volgende.

T.a.v. voorschriften 12.3.1 en 2.1.2:

Op 19 mei 2009 werd de inrichting van verdachte aan [vestigingplaats] gecontroleerd door verbalisant [verbalisant4] van het Regionaal Milieu Team van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost. Verbalisant zag onder ander het volgende.

Rechts naast gebouw 4 was een sleufsilo gesitueerd die voor ongeveer een derde tot de helft was gevuld met gehakselde maïs. De in de silo opgeslagen maïs was gedeeltelijk met plastic folie en autobanden afgedekt waardoor niet de hele partij tegen inregenen was afgeschermd. De silo was voorzien van een betonnen vloer waarop zich percolaat had verzameld. Percolaat dat afkomstig was van de opslag uit de sleufsilo werd op of in de bodem gebracht en/of kon in de bodem terecht komen. Op een betonnen verharding naast de silo had zich peroclaat verzameld. Verbalisant zag aan de uitstroomsporen van een in de bodem gegraven sleuf dat het percolaat vanaf de betonnen plaat via deze sleuf het grasland was opgelopen en zich daar in plassen op de onbeschermde bodem had verzameld. Ook op het belendende perceel was percolaat uitgestroomd op de onbeschermde bodem. Door de scheefstaande elementen ontstonden openingen in de silo. Percolaat van de kuilvoeropslag stroomde via de bodem uit naar een in de bodem gegraven gat van ongeveer 7 bij 10 meter. De randen van het gat waren opgehoogd met een aarden wal. Het bassin was geheel gevuld met een zuur ruikende troebele vloeistof waarin een aantal autobanden dreven. Verbalisant zag dat het gat niet (geheel) was voorzien van een bodembeschermende maatregel. De vloeistof kon zodoende in de bodem trekken.7 Tevens is het bedrijf door [verbalisant5] gecontroleerd. Zijn bevindingen komen overeen met die van verbalisant [verbalisant4].8

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de gerealiseerde voorzieningen door verdachte, waaronder een stalen bak in de bufferput en een aarden wal om de put, toereikend zijn om verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen en dat verdachte voldoende zorg heeft betracht om een dergelijke verontreiniging te voorkomen. Dit blijkt ook uit de correspondentie met het Waterschap Aa en Maas hierover (productie 5 bij de pleitnota.) Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van dit onderdeel van de tenlastelegging. Verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de opsporingsambtenaren geen monster hebben genomen en dat daarom niet duidelijk is of alles daadwerkelijk percolaat is.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de voornoemde beschrijving van verbalisant [verbalisant4] en de foto's die in het proces-verbaal zijn opgenomen acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorschrift 12.3.1 en 2.1.2 heeft overtreden. Verbalisant kon niets zien onder het oppervlakte van de bufferput omdat het water zo troebel was. Ongeveer 20 tot 30 centimeter onder het vloeistofoppervlak bevond zich een rooster. Met een peilstok voelde verbalisant tussen de spleten en het rooster. Hij voelde hierbij dat zich direct onder het rooster slib bevond.9

Verbalisant is een opsporingsambtenaar die controles uitvoert. Hij is materiedeskundig en kan vaststellen of het om percolaat of om afvalstoffen gaat. [verbalisant5] heeft de geleidbaarheid en de zuurgraad gemeten van de bufferput. Deze had een pH-waarde van 5,4. De aanwezige vloeistof in de bufferput rook zuur.10 De rechtbank acht, gelet op hetgeen hiervoor is omschreven, bewezen dat verdachte deze voorschriften opzettelijk heeft overtreden.

De correspondentie waarnaar de raadsman in zijn pleidooi verwijst (productie 5) ziet op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Een overtreding van deze wet doordat percolaat in het oppervlaktewater komt is een andere overtreding dan overtreding van de vergunningsvoorschriften die in het kader van de Wet milieubeheer zijn gesteld. De Wet verontreiniging oppervlaktewateren ziet op een ander belang dat beschermd dient te worden dan de Wet milieubeheer.

T.a.v. voorschrift 7.1.3:

Verbalisant zag dat tegen de zijgevel van gebouw 4, op een betonnen ondergrond, 10 oliedrums, een olievat en 2 lege cans met reinigingsmiddel Hyproclor en Hypracid niet waren opgeslagen in een vloeistofdichte lekbak en niet tegen inregenen waren afgeschermd. In de ruimte direct achter de woning stonden een olievat en lege en gevulde emballages terwijl deze niet in een vloeistofdichte lekbak stonden. Op de betegelde bodem van het melklokaal stonden 5 emballages met reinigingsmiddel Hyproclor, een emballage met Hypracyd en 2 emballages met Formaline. Verschillende emballages waren voorzien van het gevarensymbool "bijtend/corrosief". Verbalisant heeft daarnaast diverse oude accu's, onder andere in een rek en op een betonnen vloer, aangetroffen die niet op een vloeistofdichte lekbak waren opgeslagen.11

De verdediging heeft aangevoerd dat een aantal cans en accu's leeg waren en daarom niet op een vloeistofdichte lekbak hoefde te worden opgeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat in de vergunningsvoorschriften duidelijk is vermeld dat alle emballages, dus ook lege accu's en cans, op een vloeistofdichte lekbak moeten worden opgeslagen. Op grond van het hierboven genoemde proces-verbaal en de verklaring van verdachte dat hij niet alle emballage op een vloeistofdichte lekbak heeft opgeslagen acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit voorschrift opzettelijk heeft overtreden.

T.a.v. voorschriften 11.2.6, 11.3.1 en 11.3.2:

Achter de achterste 2 compartimenten van stal 7 lag stalmest/gier opgeslagen. De gedeeltelijk onverharde bodem voor deze compartimenten was gevuld met een laag mest. Het linkse compartiment was gedeeltelijk gevuld met percolaat/gier. Aan de uitstroomsporen in de bodem was te zien dat zich percolaat/gier vanuit dit compartiment had verzameld in een troebele, naar mest riekende plas op de onbeschermde bodem. Tevens werd geconstateerd dat de wanden van deze mestopslag niet dicht waren en dat zich ook via deze opening percolaat verzamelde in voornoemde plas. De onbeschermde bodem voor stal 6 was verontreinigd met een laag mest. Van de vloeistof in de plas werd de geleidbaarheid (9100 us/m2) en de zuurgraad (pH-waarde van 5,2) gemeten.12 Op verschillende locaties op het braakliggende terrein was de onbeschermde bodem verontreinigd met mest, ingedroogd of vermengd met (regen)water.13

De raadsman heeft in zijn pleidooi het verweer gevoerd dat het niet alleen om mestresten gaat maar ook sprake kan zijn van voerresten op het erf. De aangetroffen (mest)resten zijn het resultaat van dagelijkse werkzaamheden op het bedrijf. Hooguit kan in de buurt van de mestopslagen mest gemorst zijn op het terrein, maar dat wordt regelmatig opgeruimd. De opgeslagen mest ligt op vloeistofdichte platen. Verdachte heeft deze voorschriften niet overtreden en dient hiervan te worden vrijgesproken.

Op grond van de beschrijvingen en de foto's in voornoemd proces-verbaal van bevindingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze voorschriften opzettelijk heeft overtreden. De rechtbank is van oordeel dat de aangetroffen situatie niet in één dag kan ontstaan bij een normale bedrijfsuitoefening.

T.a.v. voorschrift 11.2.4:

De in de inrichting aanwezige pompputten/afvoerpunten van de mestopvangputten werden niet door middel van een goedsluitend deksel gesloten gehouden. De putten waren, al dan niet gedeeltelijk, open. De mestopvangputten werden op dat moment niet geledigd.14

De raadsman heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat op de dag voor de controle en de dag zelf wel gewerkt werd aan het leeghalen van de putten. Tussen de transporten om de putten leeg te maken mogen de putten open blijven, althans staat het voorschrift dat niet in de weg.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op het vergunningsvoorschrift is de rechtbank van oordeel dat de mestopvangputten alleen open mogen zijn als deze daadwerkelijk geleegd worden. Het is niet toegestaan de putten de hele dag open te laten, ook niet tussen transporten, om de putten leeg te maken. De putten dienen tussendoor afgesloten te worden. Op grond van het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat de putten tussen de transporten niet werden afgesloten acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit voorschrift opzettelijk heeft overtreden.

T.a.v. voorschrift 3.1.3:

In de stal achter het woonhuis, gebouw 1 en in gebouw 3 en 4 waren brandblusmiddelen aangebracht die voorzien waren van een keuringssticker waarop was aangegeven dat de brandmiddelen voor het laatst in september 2004 waren gekeurd en voor 2005 opnieuw gekeurd moesten worden.15 Verdachte heeft dit onderdeel van de tenlastelegging bekend ter terechtzitting. Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit voorschrift opzettelijk heeft overtreden.

T.a.v. voorschrift 11.1.4:

De rechtbank acht dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen genoemd onder feit 1 en de hiervoor genoemde beschikking van de 8 september 2005.

De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met meerdaadse samenloop van dit onderdeel met feit 1.

T.a.v. voorschriften 2.2.1 en 2.1.2:

In gebouw 4 werd een ruimte gebruikt voor de opslag van goederen die kennelijk niet meer bruikbaar waren, zoals tractorbanden, een motorblok, een compressor, een betonmolen, fietsen en diverse andere niet nader te definiëren metalen goederen/materialen. Deze goederen lagen onordelijk opgeslagen en waren gezien de hoeveelheid stof die erop lag kennelijk al geruime tijd niet meer aangeroerd.16

Op het braakliggende terrein oostelijk en zuidelijk van de inrichting lagen diverse partijen al dan niet bruikbare bouwmaterialen en afvalstoffen opgeslagen. Gezien de aanwezige begroeiing lagen de partijen er al geruime tijd op het terrein. Er lagen onder andere partijen met oud, gedeeltelijk rot hout, gebruikt isolatiemateriaal, beton, oud ijzer, nieuwe en gebruikte golfplaten, oude tractorbanden en autobanden, landbouwplastic, stalroosters en rioleringbuizen opgeslagen.17

De verdediging heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat van de accu's niet geconstateerd is dat deze vol zijn en de overige materialen niet als afval gezien dienen te worden.

De rechtbank is van oordeel dat de aangetroffen materialen wel als afvalstoffen aangemerkt moeten worden. Er is o.a. sprake van kapotte dakplaten, isolatie- en betonresten op het bedrijf. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat in elk geval een deel van de betonplaten weg hadden gemoeten. In het proces-verbaal van bevindingen staat dat de materialen niet ordelijk en netjes waren opgeslagen en ook niet zodanig opgeslagen dat geen verontreiniging kon optreden. Er zijn blijkens de foto's in het dossier wel kleine stukjes verontreiniging in de bodem aangetroffen. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze voorschriften opzettelijk heeft overtreden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voornoemde voorschriften heeft overtreden in de tenlastegelegde periode van 1 januari 2009 tot omstreeks 18 mei 2009, omdat de controles door de politie op 19 mei 2009 hebben plaatsgevonden.

Parketnummer 01/9995251-09, feit 3.

Tijdens de controles op 18 mei tot 11 juni 2009 troffen verbalisanten op de locatie [vestigingplaats], o.a. een rund NL 417236803 aan met het Romeinse cijfer I vermeld. Deze vermelding geeft aan dat het een bijbesteld oormerk betreft. Dit rund is op 25 december 2005 op het bedrijf van verdachte geboren en op 20 december 2007 afgevoerd naar de slacht. Op 9 november 2007 is een oormerk bijbesteld. Het fysiek aangetroffen rund had met één bijbesteld merk. Dit rund was niet geregistreerd op de locatie [vestigingplaats].

Tijdens de controles werd ook een rund met nummer DE 0768868949 aangetroffen met één oormerk. Dit rund is op 6 maart 2007 op het bedrijf [B.V. 1], locatie [locatie 1], aangevoerd en is via de locatie [locatie 2], op 15 november 2007 afgevoerd naar slachtplaats VION te Tilburg. Er is één oormerk bijbesteld op 18 oktober 2007. Het fysiek aangetroffen had één merk en was niet geregistreerd op de locatie [vestigingplaats].

Op 17 juli 2009 is tijdens de verdere controles niet de identiteit van voornoemde runderen aangetoond door verdachte.18

In de periode van 18 mei tot 11 juni 2009 werden op de locatie [vestigingplaats] o.a. 5 runderen aangetroffen met de ID-codes FR 2535621405, FR 0108313129, FR 6206004144, FR 5631033961 en FR 6205527466. Deze runderen waren geregistreerd op het UBN-nummer van [B.V. 1]. Voor de betreffende ID-codes was een oormerk bijbesteld op 16 april 2009, 11 januari 2009 en 24 april 2009. De gegevens die op de stallijsten stonden vermeld kwamen niet overeen met de oormerken van de runderen die verbalisanten in de stal aantroffen. De runderen waren voorzien van één oormerk met volgnummer Romeinse cijfer I. Dit betreft bijbestelde oormerken. Verder zagen verbalisanten dat de merken nog de originele kleur geel vertoonden en schoon waren. De aangetroffen runderen kwamen niet overeen met de runderen die in het Identificatie en Registratiesysteem (hierna: I&R-systeem) waren vermeld onder de betreffende ID-code.19

Volgens de verdediging was er slechts sprake van één Nederlands dier en waren de overige dieren buitenlands. De buitenlandse dieren worden geleverd met de oormerken in. Deze oormerken zijn tweemaal gecontroleerd door de VWA voordat de dieren op het bedrijf van verdachte arriveren. Verdachte kan en mag er op vertrouwen dat de oormerken bij de geleverde dieren horen. Met betrekking tot het Nederlandse dier kan er sprake zijn van een vergissing omdat het kan voorkomen dat meerdere dieren hetzelfde werknummer hebben.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zelf de oormerken aanbracht bij de runderen. Hij heeft erkend dat hij oormerken heeft bijbesteld en dat hij sommige oormerken al lang heeft. Een derde persoon kan geen oormerken (bij)bestellen voor dieren die niet staan vermeld op de stallijst van dat bedrijf. Gelet op het voormelde proces-verbaal van de AID gaat het duidelijk om verschillende dieren. De melding van de ID-codes op de stallijst, dus van de "originele" dieren, is eerder gedaan dan de geboortedatum van de daadwerkelijk aangetroffen dieren. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte de aangetroffen runderen heeft geoormerkt met oormerken die daar niet voor bestemd waren. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit feit, tezamen en in vereniging met [B.V. 1], heeft gepleegd.

Parketnummer 01/995251-09, feit 4.

Tijdens de controles van de AID in de periode van 18 mei 2009 tot 11 juni 2009 op de locatie [vestigingplaats] troffen verbalisanten 30 runderen aan die niet geregistreerd waren op een UBN-nummer van verdachte of UBN-nummer van de BV van verdachte, [B.V. 1], of de maatschap van verdachte. De ID-codes van de aangetroffen dieren hebben in de periode van 18 mei 2009 tot en met 10 juli 2009 niet geregistreerd gestaan op één van de genoemde UBN-nummers van verdachte.20

Ten aanzien van de 30 tenlastegelegde runderen overweegt de rechtbank dat, gelet op de verklaring van verdachte en de stukken die de verdediging ter terechtzitting heeft overgelegd, 22 van deze dieren op vrijdag 15 mei 2009 op het bedrijf van verdachte zijn aangevoerd. Ten aanzien van die dieren was op 18 mei 2009 de termijn van 3 werkdagen waarbinnen de melding in het I&R-systeem moet worden gedaan nog niet verstreken. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze dieren vanwege de detentie van verdachte en de opgelegde blokkade van de aan- en afvoer niet meer tijdig geregistreerd konden worden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van de overige 8 kalveren acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging wel wettig en overtuigend bewezen. Van vijf kalveren die pas geboren waren is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat die op 18 mei 2009 nog tijdig geregistreerd hadden kunnen worden, nu deze kalveren al ingeschreven waren maar nog geen oormerken hadden. Dit had wel behoren te gebeuren.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde 619 runderen dat de bevindingen van de AID een resultante zijn van tekortkomingen in de bedrijfsvoering over een lange periode. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er ten tijde van de controle 619 runderen op de stallijsten waren vermeld die fysiek niet in de stallen aanwezig waren. Er is echter geen bewijsmiddel in het dossier waaruit blijkt dat verdachte deze runderen heeft afgevoerd, of verhandeld in de (korte) tenlastegelegde periode. De rechtbank zal verdachte om die reden vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van de tenlastegelegde kalveren overweegt de rechtbank dat de opsporingsambtenaren van de AID op 18 mei 2009 15 kalveren, ouder dan 3 dagen zonder oormerken hebben aantroffen op het bedrijf van verdachte. Op 18 mei 2009 en 3 juni 2009 is door verdacht aangegeven dat hij niet kon aangeven welke ID-code bij welk kalf behoorde. Hierop zijn de voornoemde kalveren op 3 juni 2009 door verdachte voorzien van vrije oormerken en op 29 juli 2009 geregistreerd in het I&R-systeem. Drie kalveren zijn gestorven voordat ze geregistreerd werden in het I&R-systeem.21 Verdachte heeft ter terechtzitting erkend22 dat de kalveren op 18 mei 2009 niet geoormerkt waren. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 12 kalveren niet op de voorgeschreven wijze binnen de termijn van 3 werkdagen heeft gemeld in het I&R-systeem. Het verweer van verdachte dat de kalveren wel in het I&R-systeem waren gemeld verwerpt de rechtbank. Verdachte heeft mogelijk wel tijdig de ID-codes aangemeld, maar heeft dat niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie gedaan omdat de oormerken ontbraken. Hierdoor was niet duidelijk welke ID-code bij welk kalf hoorde en heeft verdachte deze kalveren dus opzettelijk niet op juiste wijze geregistreerd.

Parketnummer 01/995251-09, feit 5.

In de periode van 18 mei 2009 tot en met 1 oktober 2009 is het bedrijf van verdachte aan [vestigingplaats] waar hij kalveren en runderen hield diverse malen gecontroleerd door de AID op de gezondheid en het welzijn van de aanwezige dieren. Tijdens diverse controles is geconstateerd dat niet alle kalveren en runderen over (voldoende) schoon drinkwater en (geschikt en/of schoon) voer en over een droge ligplaats beschikten. Tevens waren er kalveren en runderen aanwezig met een onbehandelde schurft/schimmelinfectie en waren er een aantal runderen met een of meer onbehandelde (lange en/of misvormde en/of ontstoken) klauwen.23 De toezichthouden[dierenarts1] heeft op 18 mei 2009 onder andere het volgende geconstateerd. In drie stallen trof hij runderen aan zonder enige water noch voerverstrekking, het betrof naar schatting 300 dieren. Mestputten waren overal overvol. Hij beschrijft de situatie met betrekking tot schurft, klauw- en algemene verzorging aldus: diverse dieren met schurft (10-tallen). Diverse dieren met schimmelinfectie (ringschurft)(10-tallen). Diverse dieren met ernstige klauwafwijkingen (5-tal dieren). 9 stuks jonge kalveren (1 tot enkele weken oud) die uitdrogingsverschijnselen vertonen. In het algemeen waren veel te veel dieren aanwezig waardoor de hoogst noodzakelijke verzorging achterwege blijft. Eén dier werd geëuthanaseerd.24 De toenmalige vaste dierenarts van het bedrijf sinds 2008, [dierenarts2], heeft op 25 mei 2009 bij de AID onder meer verklaard dat hij vindt dat er eerder sprake is van een slechtere verzorging van de aandachtdieren. Het gebrek aan organisatie heeft in zijn ogen geleid tot een gebrek aan de extra verzorging die de aandachtdieren nodig hadden. Hij heeft diverse kreupele dieren gesignaleerd op het bedrijf die behandeld en verzorgd moeten worden; ook op dat punt loopt men op het bedrijf achter met de verzorging. Van alle eerdere opgestelde plannen van aanpak en adviezen is weinig opgevolgd, wel wat met betrekking tot diergezondheid in relatie tot de melkveetak, maar niet met betrekking tot huisvesting of verzorging.

Door een gebrek aan organisatie is er een gebrek aan primaire verzorging ontstaan voor dieren die het nodig hadden. Bij enkele dieren die door hem op 18 en 19 mei 2009 zijn geëuthanaseerd, was in zijn ogen sprake van verwaarlozing. De dieren stonden niet goed gehuisvest, waardoor ze niet de juiste verzorging kregen en niet voldoende toegang hadden tot voer en water. Hij is ervan overtuigd dat er runderen gestorven zijn op het bedrijf, doordat er bepaalde randvoorwaarden die horen bij het verzorgen van zieke dieren niet zijn ingevuld. Als voorbeeld noemt hij de koe met oormerk 9024, welke in de nacht van 18 op 19 mei is gestorven. [Verdachte] had volgens de dierenarts de plicht om deze koe beter te verzorgen.25

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er geen sprake is van het onthouden van de nodige zorg aan de dieren.

De rechtbank verwerpt dit verweer en acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van voornoemde bewijsmiddelen. Uit de verslagen en de verklaring van de bij de controle(s) aanwezige dierenartsen [dierenarts1], [dierenarts2] en [dierenarts3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte kalveren en runderen de nodige verzorging heeft onthouden. De verklaring van getuige dierenarts Douw van der Krap ter terechtzitting, die er zakelijk weergegeven op neer komt dat er geen sprake was van het onthouden van de nodige verzorging aan de dieren en dat er geen sprake was van een klinisch beeld wat betreft de aanwezige schurft, doet hier niet aan af. Hij was niet aanwezig bij de controles in mei 2009 en kwam pas sinds 23 september 2009 op het bedrijf van verdachte.

Parketnummer 01/995251-09, feit 6.

Tijdens de controle van de AID op 1 oktober 2009 werden op het bedrijf van verdachte op de locatie [vestigingplaats] kalveren aangetroffen die niet waren gehuisvest overeenkomstig artikel 5, vierde lid Besluit welzijn productiedieren . Verbalisanten zagen een groot aantal (zelfvervaardigde) kalveriglo's staan. Elk van de iglo's was voorzien van een uitloopruimte die afgebakend was met een hekwerk. Bij tenminste 53 kalveriglo's bevatte het voorfront van het hekwerk scherpe uitsteeksel waaraan de aanwezige kalveren in de iglo's zich zouden kunnen verwonden.26 Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat de uitsteeksels dezelfde dag zijn verwijderd.

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de kalveren niet overeenkomstig artikel 5, vierde lid Besluit welzijn productiedieren heeft gehuisvest.

Parketnummer 01/995443-09, feit 1.

Op 20 juli 2009 hebben AID-ambtenaren een haarmonster genomen van een mannelijk rund met ID-code BE 287288585 met als doel dat dit rund door verdachte gehouden kon worden als een zogenoemd "39A rund".27 Dit is een rund dat niet overeenkomstig de Regeling Identificatie en Registratie van Dieren is geïdentificeerd of geregistreerd maar dat desondanks onder bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat aan de AID is toegestaan een haarmonster en een foto te nemen, gehouden mag worden. Een 39A rund mag enkel worden afgevoerd ter destructie. Het mag onder geen beding in de voedselketen terechtkomen.

Verdachte heeft in het identificatie- en registratiesysteem op 19 oktober 2009 een rund met de hiervoor genoemde ID-code BE 287288585 doodgemeld.

Verdachte heeft een kadaver van een rund met oormerken BE 287288585 aangeboden ter destructie. De merken waren beschadigd. AID-ambtenaren hebben geconstateerd dat het aangeboden kadaver volledige horens had terwijl het rund op de eerder door de AID gemaakte foto afgezaagde horens had. Voorts hebben zij een haarmonster van het kadaver genomen. Uit vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat het DNA van het kadaver niet identiek is aan het op 20 juli 2009 afgenomen DNA van het 39A rund.28

Op het bedrijf van verdachte is een levend rund aangetroffen met de oormerken met ID-code NL 472645855. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat het DNA van dit rund identiek was aan het op 20 juli 2009 afgenomen DNA van het 39A-rund.29

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk de oorspronkelijke oormerken van het kadaver heeft verwijderd en de oormerken met ID-code BE 287288585 aan het kadaver heeft aangebracht. Verdachte heeft hiermee een geregistreerd rund dat een natuurlijke dood was gestorven - en dat daarmee evenals een 39A-rund geen economische waarde vertegenwoordigde - als 39A-rund ter destructie aangeboden, met het kennelijke doel om het oorspronkelijke 39A-rund "om te katten" tot een geregistreerd rund dat wel een economische (slacht)waarde vertegenwoordigt. Aldus heeft verdachte de mogelijkheid gecreëerd dat dit laatste rund in de voedselketen terecht zou kunnen komen en dit brengt risico's voor de volksgezondheid met zich. De rechtbank acht bewezen dat dit "omkatten" na het overlijden van het geregistreerde rund heeft plaatsgevonden en derhalve in de ten laste gelegde periode, zulks op grond van de omstandigheid dat verdachte er pas op het moment van overlijden belang bij had om het geregistreerde rund voor een 39A-rund te laten doorgaan.

Parketnummer 01/995443-09, feit 2.

Tijdens de hercontrole op donderdag 1 oktober 2009 treffen verbalisanten 10 kalveren aan met Belgische ID codes. Deze kalveren stonden niet geregistreerd in het Nederlandse identificatie- en registratiesysteem.30 Vier van deze kalveren waren er dood en 7 levend.31 Er was geen aan- afvoer of sterftemelding gedaan.32 Geconstateerd werd dat de importmelding van deze 10 kalveren niet is gedaan binnen de wettelijke termijn van drie werkdagen en dat evenmin de desbetreffende doodmelding van 9 van deze kalveren binnen die termijn is gedaan.33 Verdachte heeft op 1 oktober verklaard, dat zich de avond ervoor in een trailer 8 - 10 niet gezonde kalveren bevonden naast een kalf dat hij er al eerder ingezet had. De volgende ochtend heeft hij die kalveren in een andere veewagen gezet. Naast het kalf dat hij eerder in de trailer had geplaatst waren er toen al twee dood. Hij verklaart verder dat er voor de import geen melding is gedaan aan de VWA.34 Verdachte is op 1 oktober 2009 om 13.00 uur aangehouden en dezelfde dag heengezonden om 17.00 uur.35 Bij voormeld verhoor heeft verdachte verklaard, dat hij op 1 oktober 2009 om 07.00 - 07.30 uur de kalveren in een oude veewagen heeft gezet. Dit is strijdig met de bevindingen van de AID, die een oude veeaanhanger achter stal 5 om 12.30 uur heeft gecontroleerd. Verbalisanten constateerden toen dat er in die veeaanhanger bijna geen mestresten aanwezig waren.36 De rechtbank overweegt dat die kalveren daarom nog maar kort in die wagen verbleven en acht mitsdien de verklaring van verdachte dat hij de kalveren eerder die morgen in de veewagen heeft gezet niet geloofwaardig. Daarmee vindt de rechtbank evenmin geloofwaardig dat de kalveren tegen zijn wil op zijn erf stonden. Bovendien zijn de desbetreffende kalveren uiteindelijk wel op 10 november 2009 gemeld voor import.37 Niet is gebleken dat verdachte heeft getracht enig verhaal uit te oefenen tegen degene die volgens hem beweerdelijk de kalveren bij verdachte zou hebben bezorgd. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit feit opzettelijk heeft gepleegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Parketnummer 01/995251-09:

1.

in de periode van 1 september 2008 tot en met 18 mei 2009 te Someren, opzettelijk, meermalen, kadavers van dieren die op grond van artikel 4 eerste lid onder b en/of f van de Verordening (EG) 1774/2002 konden worden aangemerkt als categorie 1-materiaal, die kadavers niet overeenkomstig artikel 4 lid 2 jo artikel 7 van laatstgenoemde Verordening heeft verzameld en /of vervoerd en/of verwerkt en/of verwijderd, immers heeft hij, verdachte, genoemde kadavers (telkens) op zijn bedrijf in de grond gebracht en gehouden;

2.

in de periode van 1 januari 2009 tot omstreeks 18 mei 2009 te Someren, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Someren bij beschikking van 8

september 2005 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, aangezien

- de (deels) met gehakseld maïs gevulde sleufsilo (gelegen rechts naast gebouw 4), niet zodanig was afgedekt dat het vrijkomen van percolatiewater werd voorkomen (voorschrift 12.3.1) en afvalstoffen (te weten percolaat) afkomstig van de opslag uit voornoemde sleufsilo op of in de bodem werden gebracht en/of terecht konden komen (voorschrift 2.1.2) en

- (een deel van de) emballage (oliedrums en -vaten en cans en accu's) niet was opgeslagen in een vloeistofdichte lekbak (voorschrift 7.1.3) en

- het terrein van de inrichting met een laag gier of mest was bevloeid en/of voorzien, terwijl er geen sprake was van het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk (voorschrift 11.2.6) en vaste mest niet werd opgeslagen op een mestdichte plaat voorzien van opstaande randen of een gelijkwaardige voorziening (voorschrift 11.3.1) en het uitzakkend vocht en verontreinigd regenwater op of in de bodem terecht kwam en dit vocht niet door middel van een gesloten, mestdichte riolering werd afgevoerd naar een mestdichte opslagruimte (voorschrift 11.3.2)

en

- de afvoerpunten van de opslagruimten niet door middel van goed sluitende deksels gesloten werden gehouden, terwijl er geen sprake was van het ledigen ervan (voorschrift 11.2.4) en

- dierlijk afval (kalveren en/of runderen) op het terrein van de inrichting was begraven en dit afval niet zo spoedig mogelijk, volgens de bij of krachtens de Destructiewet gestelde regels, uit de inrichting was verwijderd (voorschrift 11.1.4) en

- brandblusmiddelen, niet ieder kalenderjaar op deugdelijkheid waren gecontroleerd en in orde waren bevonden (voorschrift 3.1.3) en

- het bewaren van afvalstoffen niet op ordelijke en nette wijze gebeurde (voorschrift 2.2.1) en het bewaren van afvalstoffen op de bodem niet zodanig plaatsvond dat geen verontreiniging van de bodem op kon treden (voorschrift 2.1.2);

3.

in de periode van 18 oktober 2007 tot en met 11 juni 2009 te Someren, tezamen en in vereniging met [B.V. 1]

- een oormerk (NL 417236803) en een oormerk (DE 0768868949) welke oormerken als ID-code betrekking hadden op een tweetal runderen en

- een oormerk (FR 2535621405) en een oormerk (FR 0108313129) en een oormerk (FR 6206004144) en een oormerk (FR 5631033961) en een oormerk (FR 6205527466),

welke echte oormerken betrekking hadden op een aantal runderen, heeft gebruikt voor goederen waarvoor deze oormerken niet bestemd waren, zulks telkens met het oogmerk

om die te gebruiken alsof de bedoelde oormerken daarvoor (wel) bestemd waren, immers waren 7 (ongeregistreerde) runderen valselijk en in strijd met de waarheid voorzien van vorenbedoelde oormerken welke in werkelijkheid behoorden bij andere runderen en heeft verdachte en mededader het daarbij willen doen voorkomen dat het hier ging om geregistreerde runderen met voornoemde oormerken;

4.

in de periode van 18 mei 2009 tot en met 11 juni 2009 te Someren, opzettelijk, dieren, te weten - 8 runderen en 12 kalveren heeft gehouden, (zulks) terwijl die runderen niet overeenkomstig artikel 20 van de Regeling identificatie en registratie dieren waren ge ïdentificeerd en geregistreerd immers heeft verdachte als houder niet, van de gehouden 8 runderen en 12 kalveren binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis waarvan kennisgeving had behoren te worden gedaan, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in kennis gesteld van de gegevens bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede

gedachtestreepje, van verordening (EG) nr. 1760/2000;

5.

in de periode van 18 mei 2009 tot en met 1 oktober 2009 te Someren, als houder van dieren, te weten kalveren en/of runderen, aan die dieren de nodige verzorging heeft

onthouden, immers

- beschikten niet alle kalveren en/of runderen over (voldoende) schoon drinkwater en

- beschikten niet alle kalveren en/of runderen over (geschikt en/of schoon) voer en

- beschikten niet alle kalveren en/of runderen (telkens) over een droge ligplaats en

- was/waren er een of meer kalveren en/of runderen aanwezig met een - onbehandelde - (actieve) schurft/schimmelinfectie en

- was er een aantal runderen aanwezig met (een) - onbehandelde - (lange en/of misvormde en/of ontstoken) klauw(en);

6.

op 1 oktober 2009 te Someren, kalveren heeft gehuisvest, terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 5, vierde lid Besluit welzijn productiedieren , aangezien de behuizing en inrichting voor de beschutting van deze kalveren, te weten kalveriglo's, niet zodanig waren geconstrueerd dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden;

Parketnummer 01/995443-09:

1. primair

in de periode van 15 tot en met 19 oktober 2009 te Someren, opzettelijk oormerken (ID-code BE 287288585) voor een rund, zijnde (elk) een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, door deze merken die afkomstig waren van een niet identificeerbaar rund valselijk en in strijd met de waarheid aan te brengen aan een gestorven en geregistreerd rund (voorheen met ID-code NL 472645855), met het oogmerk om die merken als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

2.

in de periode van 30 september 2009 tot en met 13 november 2009 te Someren, opzettelijk,

dieren, te weten een aantal (10) runderen (kalveren) heeft gehouden, (zulks) terwijl die runderen (telkens) niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie dieren

waren geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig artikel 20 van de Regeling identificatie en registratie van dieren , immers heeftverdachte als houder niet, van de op 30 september 2009 op het bedrijf aangevoerde runderen met ID-code BE 161506742 en BE 165883194 en andere runderen, en/of van de op 1 oktober 2009 gestorven en/of afgevoerde runderen(telkens) binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de

gebeurtenis waarvan kennisgeving had behoren te worden gedaan, maar eerst op 10 november 2009 (aanvoer) respectievelijk op 13 november 2009 (sterfte) de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in kennis gesteld van de gegevens bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening (EG) nr. 1760/2000.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten onder de bovengenoemde parketnummers wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat zij ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 01/995443-09 het primair tenlastegelegde bewezen acht.

De officier van justitie eist ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onder parketnummer 01/995251-09, feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, parketnummer 01/995443-09, feit 1 primair, feit 2 en parketnummer 01/995018-10 een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde een verbod op het houden van dieren.

Ten aanzien van feit 6 onder parketnummer 01/95251-09 eist de officier van justitie een geldboete van € 500,--, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De vordering van de [benadeelde partij] dient geheel te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De in beslag genomen voorwerpen die vermeld zijn op de beslaglijsten behorend bij parketnummers 01/995251-09 en 01/995443-09 dienen onttrokken te worden aan het verkeer.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing van de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte.

Gedurende een langere periode is verdachte verantwoordelijk geweest voor zijn inrichting. De bewezen feiten zijn gepleegd tussen 1 september 2008 en 13 november 2009. Verdachte is structureel ernstig te kort geschoten op het gebied van dierverzorging, huisvesting van runderen, het opruimen van kadavers, registratie van runderen en heeft oormerken vervalst. Daarbij heeft verdachte economisch voordeel genoten. De rechtbank rekent verdachte in hoge mate aan dat hij ook na de controle op 18 mei 2009 nog oormerken heeft vervalst en runderen niet tijdig heeft aangemeld en laten registreren.

Verdachte heeft circa 200 runderen op zijn terrein begraven. Botten en huid waren zichtbaar. Een gedeelte van de kadavers was redelijk in tact en een ander deel bevond zich in vergaande staat van ontbinding. Het is evident dat verdachte daarmee aanzienlijke risico's voor de volksgezondheid heeft gelopen. Dierziekte-uitbraken hebben grote invloed op de landbouweconomie en hebben tot maatschappelijke onrust geleid. Verdachte heeft verder geen behoorlijke melding gedaan van aan- en afvoer of sterfte van runderen. Daarmee is in geval van een dierziekte of gezondheidsrisico niet vast te stellen wat de herkomst is, of er nakomelingen zijn en mogelijk wat de verblijfplaats van bepaalde dieren is. Dat maakt adequaat optreden moeilijk en straalt dan uit op de gehele sector.

Verdachte heeft runderen gehouden waarvan de oormerken in werkelijkheid behoorden bij andere runderen. In een geval heeft de rechtbank opzettelijke vervalsing bewezen verklaard (parketnummer 01/995443-09, feit 1). De rechtbank houdt er in de strafmaat rekening mee dat verdachte deze runderen doelbewust en uit economische motieven een andere identiteit heeft gegeven. Mogelijk zijn door toedoen van verdachte runderen in de voedselketen terecht gekomen die daarin volgens de bestaande regelgeving niet terecht hadden mogen komen.

De rechtbank vindt daarom een forse gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, ondanks het feit dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder parketnummer 01/995018-10 tenlastegelegde en een deel van het onder 01/995251-09, feit 4 tenlastegelegde. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde straf de aard, omvang en ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank in matigende zin rekening met het feit dat verdachte lijdt aan een ernstige ziekte en dat hij zijn veehouderijbedrijf heeft beëindigd. Gelet hierop zal de rechtbank een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich voor het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de [benadeelde partij].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte vrijgesproken is van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte. Deze kosten worden begroot op nihil.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wetsartikelen.

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c, 27, 47, 57, 62, 91, 219, 225;

Wet op de economische delicten art. 1, 1a, 2, 6, 87;

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren art. 1, 37, 45, 81b, 81c, 96, 121, 122, 131;

Wet milieubeheer art. 1.1, 18.18, 22.2;

Besluit welzijn productiedieren art. 1, 2, 5, 8;

Besluit identificatie en registratie van dieren art. 1, 2, 3, 6;

Regeling identificatie en registratie van dieren art. 1, 13, 39, 47;

Regeling dierlijke bijproducten 2008 art.1.1, 2.3, 4.4.

DE UITSPRAAK

T.a.v. 01/995018-10:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. 01/995251-09 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, 01/995443-09 feit 1 primair, feit 2:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven en de overtreding:

T.a.v. 01/995251-09 feit 1:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 81c van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

(artikel 2.3 lid 1 van de Regeling dierlijke bijproducten 2008 )

T.a.v. 01/995251-09 feit 2:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet

milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/995251-09 feit 3:

medeplegen van het gebruiken van echte merken voor goederen of hun verpakking waarvoor die merken niet bestemd zijn, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken daarvoor bestemd waren, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/995251-09 feit 4:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

(artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren)

T.a.v. 01/995251-09 feit 5:

zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/995251-09 feit 6:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45 van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd

(artikel 2 lid 3 van het Besluit welzijn productiedieren)

T.a.v. 01/995443-09 feit 1 primair:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/995443-09 feit 2:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

(artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. 01/995251-09 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, 01/995443-09 feit 1 primair, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 2 7

Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 2 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte gedurende de proeftijd geen vee of andere dieren zal houden op bedrijfsmatige wijze.

T.a.v. 01/995251-09 feit 6:

Geldboete van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een

proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. 01/995018-10:

Niet-ontvankelijkverklaring van de [benadeelde partij] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden

begroot op nihil.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

de onder nummers 1 t/m 3 genoemde voorwerpen op de beslaglijst met parketnummer

01/995251-09 en

de onder nummers 1 t/m 4 genoemde voorwerpen op de beslaglijst met parketnummer

01/995443-09.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. W.M. Weerkamp, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 18 juli 2011.

mr. E.C.P.M. Valckx is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 2 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 307 t/m 315.

2 Proces-verbaal AID, proces-verbaalnummer: 55409, zaaksdossier 2 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 338 t/m 342 en bijlage 3 t/m 10, blz. 350 t/m 356.

3 Proces-verbaal AID, proces-verbaalnummer: 55409, zaaksdossier 2 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), bijlage 11, blz. 357.

4 Proces-verbaal AID, proces-verbaalnummer: 55409, zaaksdossier 2 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 342.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer: 55717, behorend bij proces-verbaalnummer: 55409, (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 96.

6 Bijlage 5 behorend bij de vergunning van 5 september 2008, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 223, 224, 226, 229, 230, 231 en 233.

7 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 106-107.

8 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, proces-verbaalnummer: 22190+208 V01.IV, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 297 en 299.

9 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 121.

10 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, proces-verbaalnummer: 22190+208 V01.IV, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 299.

11 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 110 t/m 114.

12 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, proces-verbaalnummer: 22190+208 V01.IV, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 297 en 299 t/m 302.

13 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 121 t/m 124.

14 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 128 en 129.

15 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 129 en 130.

16 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 115.

17 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 1 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 124 t/m 127.

18 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 4 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 420 t/m 423.

D/038 t/m D/040 en D/052 t/m D/056, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 4 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 727 t/m 775 en blz. 806 t/m 810.

19 Proces-verbaal van bevindingen, politie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 4 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 432 t/m 436.

D/038 en D0/45, OPS-dossiernummer 2009083331, zaaksdossier 4 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 727 t/m 753 en blz. 780 t/m 783.

20 Proces-verbaal AID, proces-verbaalnummer: 55899, zaaksdossier 4 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 423 en 424.

21 Proces-verbaal AID, proces-verbaalnummer: 55899, zaaksdossier 4 (dossiernummer: 221909208 (penseelkever)), blz. 420 en 425.

22 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2011.

23 Proces-verbaal AID, proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 21, 22, 24 3e alinea, 25, 26, 27 alinea 1 t/m 3, 30 eerste alinea, 31 alinea 1 t/m 5.

Verslag bevindingen drs. [dierenarts2] en [dierenarts3], toezichthoudend [dierenarts4], bijlage 4, proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 39, 39a, en 40.

Foto's 19 en 20 mei 2009, bijlage 5 en bijlage 7, proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 41 t/m 50 en blz. 56 t/m 60.

Verslag van bevindingen [dierenarts3], toezichthoudend [dierenarts4], bijlage 9, proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 61 en 61a.

Proces-verbaal van bevindingen AID, proces-verbaalnummer: 56922, behorend bij proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 88, 90 4e en 5e alinea, 91.

Foto's, bijlage 3 en 5, proces-verbaalnummer: 56922, behorend bij proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 114-115 en 118.

Verslag van bevindingen [dierenarts3], toezichthoudend [dierenarts4], bijlage 12, proces-verbaalnummer: 56922, behorend bij proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 129-130.

Verslag van bevindingen toezichthoudend [dierenarts4], overzichtsproces-verbaalnummer: 59909, opsporingsnummer: 63182, bijlage 1C, blz. 135-136.

24 Verslag bevindingen [dierenarts1], toezichthoudend [dierenarts4], bijlage 3, proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 38.

25 Verklaring getuige [dierenarts2], bijlage 6, proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer 63182, blz. 51 t/m 55.

26 Proces-verbaal van bevindingen AID, proces-verbaalnummer: 56922, behorend bij proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 88 en 89.

Verslag van bevindingen [dierenarts3], toezichthoudend [dierenarts4], bijlage 12, proces-verbaalnummer: 56922, behorend bij proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 129-130.

Foto's, bijlage 4, proces-verbaalnummer: 56922, behorend bij proces-verbaalnummer: 55431, opsporingsnummer: 63182, blz. 116 en 117.

27 Overzichtsproces-verbaal AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 7 en bijlage 2/AH/4, blz. 56.

28 Overzichtsproces-verbaal AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 7 en 8 en bijlage 2/AH/0 t/m 2/AH/3, blz. 45 t/m 55.

29 Overzichtsproces-verbaal AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 7 en bijlage 2/AH/5, blz. 57 en 58.

30 Proces-verbaal bevindingen AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 35 en 37.

31 Proces-verbaal bevindingen AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 36.

32 Proces-verbaal bevindingen AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 40.

33 Proces-verbaal bevindingen AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 41 en 42.

34 Proces-verbaal verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 182 en 183.

35 Proces-verbaal bevindingen AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 38.

36 Proces-verbaal bevindingen AID, met proces-verbaalnummer: 58993 en opsporingsnummer: 63247, blz. 36.

37 Proces-verbaal bevindingen AID, met proces-verbaalnummer: 58993, documentcode 1/AH/1, blz. 41.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature