< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Uwv legt een loondoorbetalingsverplichting op aan werkgever nadat de re-integratie van de werknemer geen bevredigend resultaat heeft opgeleverd. De rechtbank concludeert dat de werknemer bij het einde van zijn re-integratie geen reële mogelijkheden meer in het vrije bedrijf had. Werkgever had daarom geen reële kans om zijn re-integratietekortkomingen te herstellen. De oplegging van de loondoorbetalingsverplichting diende derhalve geen doel. De wetgever heeft niet beoogd dat de loondoorbetalingsveplichting louter als sanctiemiddel wordt gebruikt.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 5163

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2011

in de zaak van:

Transportbedrijf G. Vlug en Zoon B.V.,

gevestigd te Middenbeemster,

eiseres,

gemachtigde: mr. P.M.M. Massuger, werkzaam bij TLN Consultancy,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2009 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de loondoorbetalingsverplichting jegens [naam] (hierna: de werknemer) met 52 weken wordt verlengd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 juni 2009, aangevuld bij brief van 3 augustus 2009, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 september 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 oktober 2009, aangevuld bij brieven van 17 november 2009 en 6 januari 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 maart 2011, alwaar namens eiseres [naam] en gemachtigde zijn verschenen. Verweerder werd op deze zitting vertegenwoordigd door J. de Haan, werkzaam bij het Uwv.

2. Overwegingen

2.1 Gebleken is dat de werknemer zich op 16 juli 2007 ziek heeft gemeld voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur voor 45 tot 55 uur per week. Per einde wachttijd heeft de werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Hierop is bij besluit van 4 mei 2009 opschortend beschikt.

2.2 Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, waarvoor geen deugdelijke grond aanwezig is.

2.3 Hiertegen voert eiseres in beroep - samengevat - aan dat de bij de werknemer vastgestelde beperkingen al bij aanvang van de ziekte aanwezig waren, zodat in retrospectief bezien geconcludeerd moet worden dat de werknemer reeds tijdens zijn eerste twee ziektejaren niet in staat was reguliere arbeid te verrichten. Volgens eiseres vloeit hieruit voort dat re-integratie van de werknemer niet aan de orde was, dat van eiseres dus ook niet meer daarop gerichte inspanningen verwacht mochten worden en dat er daarmee geen grond bestond de loondoorbetalingsverplichting van eiseres te verlengen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Artikel 25, negende lid, WIA bepaalt dat indien bij de behandeling van de WIA- aanvraag, en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van die wet blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet , opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

2.5 Ingevolge artikel 65 WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

2.6 Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt sinds 1 januari 2004 als volgt:

“De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.”

2.7 In de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (Regeling van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 december 2005, Stcrt. 2005, 249; hierna: de Regeling procesgang) zijn nadere regels gesteld voor de toepassing van artikel 25, negende lid, WIA . Het gaat daarbij met name om verplichtingen van procedureel- administratieve aard.

2.8 In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

2.9 Volgens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. De betreffende hervatting moet een structureel karakter hebben, dat wil zeggen: het moet aannemelijk zijn dat de werknemer ook na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode in deze arbeid kan blijven werken. Indien verweerder het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk is ondernomen. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar verweerder de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader als zodanig voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf noch bij een andere werkgever.

2.10 Vaststaat dat de werknemer op 14 april 2009 (datum beoordeling re-integratieverslag) werkzaamheden verrichtte uit hoofde van een onbetaalde tijdelijke (WSW-)stageplaats bij Werkvoorzieningschap Baanstede te Purmerend. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij de afwezigheid van loonvormende arbeid met een structureel karakter geen sprake van een bevredigend resultaat.

2.11 Hieruit vloeit voort dat verweerder gelet op de beleidsregels toe kon komen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Ter onderbouwing van het standpunt dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft verricht, heeft verweerder - voor zover van belang - het volgende aangevoerd. Al op 29 april 2008 (en in gelijke zin op 27 februari 2009) heeft de bedrijfsarts de beperkingen van de werknemer in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in kaart gebracht. De bedrijfsarts dichtte de werknemer benutbare mogelijkheden toe en achtte hem in staat om twintig uur per week te werken. Daarbij adviseerde de bedrijfsarts eiseres om een arbeidsdeskundig onderzoek te starten. Dit onderzoek heeft echter pas in december 2008 plaatsgevonden waardoor in het oppakken van het 2e spoortraject stagnatie optrad, aldus verweerder.

2.12 De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Verweerder stelt op basis van de genoemde FML’s terecht dat er in het eerste ziektejaar van de werknemer geen aanknopingspunten waren dat hij geen arbeidsmogelijkheden had. Dit leidt tot het oordeel dat er voor de opgetreden stagnatie ook geen deugdelijke grond bestond, zodat eiseres kan worden verweten dat zij op dat moment van het re-integratietraject te kort is geschoten in haar inspanningsplicht. Hoewel ook onderkend moet worden dat verweerder haar inspanningen in het tweede jaar van de re-integratie aanzienlijk heeft opgevoerd, heeft dit niet geleid tot een bevredigend resultaat en neemt dit haar eerdere tekortkomingen niet weg.

2.13 Het voorgaande leidt evenwel niet tot het oordeel dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen. Het volgende is daarbij redengevend.

2.14 Uit het geschetste juridisch kader volgt dat het opleggen van de loondoorbetalingsverplichting tot doel moeten hebben dat verweerder haar tekortkomingen op re-integratiegebied in de verlengingsperiode kan herstellen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat als herstel niet mogelijk is, het Uwv geen loonsanctie kan opleggen (zie: TK 2005-2006, 30 318, nr. 6, p. 20). Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat deze “sanctie” blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder andere: CRvB 28 oktober 2009, LJN BK1570) geen punitief, maar een reparatoir karakter heeft.

2.15 In dit licht bezien overweegt de rechtbank dat verweerder in haar besluitvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ten aanzien van de werknemer opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 juli 2009 en de verslagen van Baanstede van 15 april en 10 juni 2009. Aangezien deze documenten te relateren zijn aan de periode van de eerste ziektedag van de werknemer tot de datum beoordeling re-integratieverslag, hadden deze gegevens in de bezwaarprocedure moeten worden beoordeeld. De - overigens niet door verweerder bestreden - inhoud van die gegevens duidt erop dat de werknemer in ieder geval op het moment van de beoordeling van het re-integratieverslag geen reële mogelijkheden in het vrije bedrijf had en dat de werknemer niet re-integreerbaar was. Gelet daarop had bij verweerder ten minste twijfel moeten ontstaan over de vraag of eiseres in staat zou zijn haar tekortkomingen te herstellen. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Hieruit volgt dat verweerder ten onrechte een loondoorbetalingsverplichting heeft opgelegd aan eiseres. Het bestreden besluit zal derhalve worden vernietigd wegens strijd met artikel 25, negende lid, WIA .

2.16 Ter zitting is voorts komen vast te staan dat de werknemer per 10 december 2009 een WSW-indicatie heeft verkregen. Verweerder heeft bovendien verklaard dat de loonsanctie per 18 december 2009 is beëindigd en dat de werknemer nadien een WGA-uitkering ontvangt op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Nu verweerder niet (overtuigend) heeft kunnen onderbouwen dat er wat betreft de re-integratiemogelijkheden van de werknemer per 18 december 2009 sprake was van een andere situatie dan op de datum beoordeling re-integratieverslag, is er aanleiding voor de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien. In dit verband wordt overwogen dat nu de werknemer niet meer kon worden gere-integreerd, het opleggen van een loondoorbetalingsverplichting aan eiseres niet tot doel kon hebben dat zij haar tekortkomingen zou herstellen. Dat was immers niet meer mogelijk. Het opleggen van een loondoorbetalingsverplichting dient dan achterwege te blijven. Het gevolg hiervan is dat het besluit van 4 mei 2009 zal worden herroepen.

2.17 Er bestaat tevens aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1), voor de reis- en verblijfkosten van [naam] vastgesteld op € 14,96 (heen- en terugreis op basis van tarief openbaar vervoer 2e klas) en voor de verletkosten van [naam] vastgesteld op € 53,09 (1 uur).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 8 september 2009;

3.3 herroept het besluit van 4 mei 2009;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 942,05 te betalen door de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres;

3.6 gelast dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht van € 297,00 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, rechter van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature