< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij aan de [locatie 1] te Someren-Heide. Dit besluit is op 22 juli 2010 ter inzage gelegd.

Uitspraak



201008588/1/T1/M2.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Someren-Heide, gemeente Someren,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], wonend te Someren-Heide, gemeente Someren,

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij aan de [locatie 1] te Someren-Heide. Dit besluit is op 22 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2010, en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 9 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[vergunninghouders] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door J.M.J.P. Aarts en A. van den Nieuwenhof, zijn verschenen. Voorts is [één der vergunninghouders], bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Overgangsrecht Wabo

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Bedrijfswoning

2.3. Zowel [appellant sub 1] als [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben betoogd dat bij de verlening van de vergunning er ten onrechte van is uitgegaan dat de woning [locatie 1] een bedrijfswoning bij de inrichting is.

2.3.1. Er is vergunning gevraagd voor een veehouderij met de desbetreffende woning als bedrijfswoning. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat deze woning onderdeel is van de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd.

Milieu-effectrapport

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte is geoordeeld dat geen milieu-effectrapport moet worden gemaakt. In dit verband stelt zij met name, dat de beslissing ter zake anders had moeten uitvallen wanneer het college in aanmerking had genomen dat niet - zoals oorspronkelijk beoogd - een luchtwasser met een rendement van 70%, maar een met een rendement van 95% zal worden toegepast. Deze laatste luchtwasser heeft een hoger energieverbruik.

2.4.1. Het college heeft bij besluit van 18 juli 2007 uitgebreid gemotiveerd dat de inrichting geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, als bedoeld in artikel 7.2b, eerste lid, van de Wet milieubeheer zoals dat destijds luidde, die ertoe nopen dat een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Het college betoogt verder, kort weergegeven, dat de uiteindelijk gekozen luchtwasser met een rendement van 95% een geaccepteerd systeem is, en dat nu als gevolg van het gebruiken van deze luchtwasser een lagere belasting van ammoniak voor het milieu optreedt dan de in zijn besluit van 18 juli 2007 beschouwde situatie, er te minder reden is voor het oordeel dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden die nopen tot het opstellen van een milieu-effectrapport.

Dit standpunt heeft het college in redelijkheid kunnen innemen, zodat de beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.5. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] betogen dat bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte is getoetst aan de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie). Daartoe stellen zij primair dat aan de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) had moeten worden getoetst. Subsidiair stellen zij dat op grond van het overgangsrecht bij deze wet zou moeten worden geoordeeld dat het vóór 1 januari 2007 geldende recht van toepassing is, niet aan de Wet stankemissie kon worden getoetst.

2.5.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder blijft indien een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

2.5.2. De aanvraag om vergunning is op 15 december 2006 bij het college ingekomen, en dus ingediend voor de inwerkingtreding van de Wet geurhinder. Dat deze aanvraag nadien enkele keren is aangevuld of gewijzigd, maakt dat niet anders. Voor zover [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] betogen dat voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder niet de datum van het indienen van de aanvraag bepalend is maar de datum waarop vaststaat dat deze in behandeling kan worden genomen, overweegt de Afdeling dat de tekst van de bepaling geen steun biedt voor een dergelijke uitleg.

Gezien artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder is op de beslissing op de aanvraag het recht zoals dat voor de inwerkingtreding van die wet gold van toepassing.

2.5.3. Ingevolge artikel 2 van de voor de inwerkingtreding van de Wet geurhinder geldende Wet stankemissie betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelings- of verwevingsgebied de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6.

2.5.4. Bij besluit van 22 april 2005 van de provinciale staten van Noord-Brabant tot vaststelling van onder andere het reconstructieplan De Peel is het gebied waarin de inrichting is gelegen, aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied. De Afdeling heeft bij haar uitspraak van 16 mei 2007 in zaak nr. 200506286/1) het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan vernietigd voor zover het gebied waarin de inrichting is gelegen wordt aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied. Bij besluit van 27 juni 2008 van de provinciale staten van Noord-Brabant tot vaststelling van de correctieve herziening van onder andere het reconstructieplan De Peel is dit gebied opnieuw, enigszins gewijzigd, aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied. Bij uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200807643/1/R1 is het besluit tot vaststelling van de correctieve herziening vernietigd voor zover de gronden ten westen van de kern Someren-Heide binnen 500 m van de sportvelden als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt.

2.5.5. Ter zitting is vastgesteld dat de inrichting geheel binnen 500 m van de sportvelden is gelegen. Nu het besluit waarbij deze gronden als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangewezen is vernietigd, ligt de inrichting niet geheel of gedeeltelijk in een landbouwontwikkelings- of verwevingsgebied, zodat de Wet stankemissie niet van toepassing is.

Nu het college de geurbelasting vanwege de inrichting gelet hierop ten onrechte aan de Wet stankemissie heeft getoetst, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

Deze beroepsgrond is door [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] terecht voorgedragen.

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat de geuremissie van de sleufsilo's onvoldoende is beperkt.

2.6.1. Het college stelt in het verweerschrift dat in de sleufsilo's graskuilvoer en gemalen snijmaïs wordt opgeslagen. In praktijk blijkt dat dit geen bron van geuroverlast is, zeker in aanmerking genomen dat de afstand tot de dichtstbijzijnde woning ongeveer 190 m is. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

Deze beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.7. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] betogen dat niet vaststaat dat aan de ingevolge de Wet milieubeheer geldende grenswaarden voor de concentratie van zwevende deeltjes (PM10) wordt voldaan, omdat dit niet voor alle relevante locaties is onderzocht. Ter zitting hebben zij in dit verband gewezen op voortuinen. Zij betogen verder dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit van een te hoog verwijderingsrendement van de in de inrichting toegepaste luchtwasser is uitgegaan. Tot slot betogen zij dat de vergunning niet verleend had mogen worden gezien de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM2.5).

2.7.1. Uit de in bijlage 2 van de Rapportage Luchtkwaliteit na wijziging van 10 mei 2011 opgenomen rekenresultaten blijkt dat de grenswaarden voor de concentratie van zwevende deeltjes (PM10) ruimschoots worden onderschreden, en dat de bijdrage van de inrichting aan deze concentratie bovendien zeer gering is. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat met een lager verwijderingsrendement van de luchtwasser had moeten worden gerekend, dan nog is onaannemelijk dat dit zou leiden tot een overschrijding van de grenswaarden op de onderzochte punten.

Daargelaten de vraag of de luchtkwaliteit beoordeeld had moeten worden ter plaatse van de voortuinen, is eveneens onaannemelijk dat zich op deze locaties een overschrijding van de grenswaarden voordoet.

Ingevolge voorschrift 4.4 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer, kort weergegeven, geldt tot 1 januari 2015 geen grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2.5). Het college heeft dan ook terecht niet aan een grenswaarde voor deze zwevende deeltjes getoetst.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder

2.8. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen geluidgrenswaarden zijn gesteld voor beoordelingspunten op 50 m afstand van de inrichting, dat bij het stellen van die geluidgrenswaarden ten onrechte geen rekening is gehouden met cumulatie vanwege van andere bedrijven afkomstig geluid, en dat de voor het maximale geluidniveau gestelde grenswaarden te hoog zijn.

2.8.1. Het college heeft bij de beoordeling van het geluid de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Dat uitgangspunt is niet onrechtmatig.

De Handreiking kent geen verplichting om grenswaarden te stellen voor punten op 50 m afstand van de inrichting. Het college heeft in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om, zoals bij toepassing van de Handreiking gebruikelijk is, geluidgrenswaarden te stellen ter bescherming van in de omgeving van de inrichting staande woningen.

De Handreiking kent evenmin een verplichting om bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het door de inrichting veroorzaakte geluid, cumulatie van geluid van andere bronnen in de omgeving te betrekken. Ook in zoverre is er geen grond voor het oordeel dat de gestelde geluidgrenswaarden niet in overeenstemming zijn met de Handreiking.

De in de vergunning voor het maximale geluidniveau gestelde grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode komen overeen met de in de Handreiking als aanvaardbaar aangemerkte waarden. Ook in dit opzicht zijn de gestelde geluidgrenswaarden in overeenstemming met de Handreiking.

De beroepsgronden falen.

2.9. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] betogen dat op grond van het geluidonderzoek niet met zekerheid kan worden geconcludeerd dat aan de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Zij stellen dat in het geluidonderzoek ten onrechte niet de invloed van de achteruitrij-signalering van vrachtauto's en de onmogelijkheid om de ventilatoren in de avond- en nachtperiode op een lager toerental te laten draaien zijn betrokken.

2.9.1. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd, kort weergegeven, dat de invloed van de achteruitrij-signalering op de geluidsniveaus bij de voor de geluidvoorschriften relevante punten nihil is en dat in het geluidonderzoek is uitgegaan van een reële verlaging van de toerentallen van de ventilatoren in de avond- en nachtperiode. Er is geen grond om in zoverre te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht.

De beroepsgronden falen reeds hierom.

2.10. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] kunnen zich verder niet verenigen met vergunningvoorschrift 4.1.3.

In dit voorschrift is, kort weergegeven en voor zover hier van belang, bepaald dat van de in voorschrift 5.1.1 (lees: 4.1.1) gestelde geluidgrenswaarden 3 maal per jaar tijdens de incidentele bedrijfssituatie, namelijk het in de dagperiode aanvoeren van geplette maïs en het vullen van sleufsilo's, mag worden afgeweken. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau mag dan niet meer dan 45 dB(A) bedragen bij de woning [locatie 2] en niet meer dan 44 dB(A) bij de woning [locatie 3].

[appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] stellen dat in dit voorschrift voor de andere woningen in de omgeving van de inrichting ten onrechte geen grenswaarde is vastgelegd voor de incidentele bedrijfssituatie.

2.10.1. In het geluidonderzoek is berekend dat tijdens de incidentele bedrijfssituatie bij woningen in de omgeving, met uitzondering van de woningen aan de Kraaiendijk waarvoor in voorschrift 4.1.3 afwijkende geluidgrenswaarden zijn gesteld, geen geluidsbelasting optreedt die de voor de reguliere situatie gestelde grenswaarde van 40 dB(A) overschrijdt.

Het college stelt in het verweerschrift dat op grond van voorschrift 4.1.3 enkel een afwijking van de geluidgrenswaarden uit voorschrift 4.1.1 voor de representatieve bedrijfssituatie wordt toegestaan voor de beide woningen aan de Kraaiendijk. Voor de overige woningen zijn ook in de incidentele bedrijfssituatie de geluidgrenswaarden uit voorschrift 4.1.1 toereikend, aldus het college.

2.10.2. Het college heeft ter zitting erkend dat voorschrift 4.1.3 in strijd met de bedoeling van het college bepaalt dat voor andere woningen dan die aan de Kraaiendijk geen grenswaarden gelden. Gelet hierop is het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid.

Deze beroepsgrond slaagt.

Overige gronden

2.11. [appellant sub 1] verwacht, zo begrijpt de Afdeling het beroep, dat het rendement van de luchtwasser niet altijd 95% zal bedragen.

2.12. In vergunningvoorschrift 14.1.3 is bepaald dat de luchtwasser een ammoniakverwijderingsrendement van ten minste 95% moet bewerkstelligen. Het betoog van [appellant sub 1] komt erop neer dat dit voorschrift zal worden overtreden. In de huidige procedure staat echter uitsluitend ter beoordeling of het besluit tot vergunningverlening als zodanig rechtmatig is. De stelling dat de vergunning niet zal worden nageleefd, heeft geen betrekking op die beoordeling.

Deze beroepsgrond faalt.

2.13. In zijn beroepschrift, onder "Ligging inrichting en gezondheidsrisico's", heeft [appellant sub 1] een in algemene termen gesteld betoog opgenomen over de gezondheidseffecten van het houden van dieren en de ter zake door onder meer het RIVM ingenomen standpunten. Uit dit betoog kan de Afdeling geen concrete argumenten ontlenen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat er uit oogpunt van de gezondheidsrisico's voor de omgeving geen aanleiding bestond de vergunning te weigeren.

2.13.1. Voor zover [appellant sub 1] opmerkt dat het gebruik van twee stallen voor het plaatsen van slechts enkele stuks rundvee een onzuinig gebruik van ruimte inhoudt, overweegt de Afdeling dat een milieuvergunning kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Hetgeen door [appellant sub 1] over het ruimtegebruik naar voren is gebracht, heeft hierop geen betrekking en kan om die reden niet leiden tot het oordeel dat de vergunning ten onrechte is verleend.

Bestuurlijke lus

2.14. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

Het college dient daartoe overeenkomstig overweging 2.5.5 binnen de grenzen van de hem op grond van de artikelen 8:10 en 8:11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid opnieuw te beoordelen en toereikend te motiveren of de door de inrichting veroorzaakte geurhinder voldoende wordt beperkt. Zo nodig dient het college de gevraagde vergunning alsnog geheel of gedeeltelijk te weigeren of aan die vergunning verdere beperkingen te verbinden. Voorts dient het college, indien voorschrift 4.1.3 daarbij niet vervalt dat voorschrift overeenkomstig overweging 2.10.2 te wijzigen. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet te worden toegepast. Het college dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

2.15. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Someren op om binnen tien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. de geurbelasting vanwege de inrichting op de omgeving opnieuw te beoordelen overeenkomstig hetgeen in overweging 2.14 is bepaald en zo nodig de vergunning alsnog geheel of gedeeltelijk te weigeren dan wel daaraan nadere beperking te verbinden en, indien daarbij vergunningvoorschrift 4.13 niet vervalt, dit voorschrift te wijzigen overeenkomstig hetgeen in overweging 2.14 is bepaald; het nieuwe besluit of het wijzigingsbesluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

262-687.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature