< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verrekening loonheffing met de inkomstenbelasting. Eiser was als directeur-grootaandeelhouder op de hoogte van de omstandigheid dat loonheffing niet was afgedragen en was niet te goeder trouw dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/4740 en 10/4741

Uitspraakdatum: 29 april 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: J.M.IJ. van Kammen

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.050. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 3.839 aan heffingsrente in rekening gebracht alsmede bij beschikking een boete van € 8.715.

Voor het jaar 2004 heeft verweerder aan eiser een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.865. Voorts is bij beschikking een boete van € 9.281 opgelegd en is bij beschikking een bedrag van € 3.549 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 30 juli 2010 de navorderingsaanslag 2003 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.529, de beschikking heffingsrente 2003 verminderd tot € 2.602 en de boetebeschikking 2003 verminderd tot € 4.357.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 30 juli 2010 is de navorderingsaanslag 2004 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.320 negatief, de beschikking heffingsrente 2004 verminderd tot € 1.771 en de boetebeschikking 2004 verminderd tot € 4.641.

Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2011. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder is D.A. van Rijn verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is directeur en enig aandeelhouder van Q BV. Deze vennootschap had een belang van 33,33% in R BV.

2.2. Eiser heeft aangifte IB/PVV 2003 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.050 met verrekening van voorheffingen van € 17.631. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij in dienstbetrekking was bij Q BV, dat hij een gebruikelijk loon heeft genoten van € 52.500 en dat hierop € 17.631 aan loonheffing is ingehouden. De aanslag IB/PVV 2003 is conform de aangifte opgelegd.

2.3. Voor het jaar 2004 heeft eiser aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.865 met verrekening van voorheffingen van € 18.562. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij in dienstbetrekking was bij Q BV, dat hij een gebruikelijk loon heeft genoten van € 54.300 en dat hierop € 18.562 aan loonheffing is ingehouden. De aanslag IB/PVV 2004 is conform de aangifte opgelegd.

2.4. In september 2008 is verweerder een boekenonderzoek gestart bij Q BV. Van dit onderzoek is op 14 januari 2009 een rapport opgemaakt. Tijdens dit onderzoek heeft verweerder geconstateerd dat Q BV over de jaren 2003 en 2004 geen (loon)administratie heeft bijgehouden en dat over deze jaren nihilaangiften voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn gedaan.

2.5. Uit de verzamelloonstaten 2003 van Q BV heeft verweerder afgeleid dat voor het jaar 2003 € 17.631 aan loonheffing is ingehouden op een toegekend loon van € 52.500 en voor het jaar 2004 € 18.562 loonheffing is ingehouden op een toegekend loon van €54.300. Daarnaast is over het jaar 2003 aan Q BV een ambtshalve naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd van € 200. Verweerder heeft tijdens het boekenonderzoek geconstateerd dat het resterende bedrag aan loonheffing over 2003 ad € 17.431 niet door Q BV is afgedragen.

2.6. Tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder voorts geconstateerd over het jaar 2004 geen verzamelloonstaat is ingezonden, dat aan Q BV een ambtshalve aanslag van € 5.369 is opgelegd en dat deze aanslag door het inleveren van een nihilsuppletieaangifte is teruggebracht tot nihil. Over het jaar 2004 is het gehele bedrag aan ingehouden loonheffing ad €18.562 niet afgedragen.

2.7. De door eiser in 2003 en 2004 ontvangen bedragen zijn afkomstig van R BV (een dochtermaatschappij van Q BV). Van Q BV heeft eiser geen inkomsten ontvangen.

2.8. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder de over 2003 en 2004 niet afgedragen loonheffing gecorrigeerd en de navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd.

Daarbij zijn de volgende correcties aangebracht:

Correcties 2003.

Voorheffing volgens de aanslag € 17.630

Af: correctie minder voorheffing € 17.430

Voorheffing volgens navorderingsaanslag € 200

Bij het opleggen van de navorderingsaanslag is een boete van 50% opgelegd met als boetegrondslag € 17.430, zodat de boete € 8.715 bedroeg.

Correcties 2004.

Voorheffing volgens de aanslag € 18.562

Af: correctie minder voorheffing € 18.562

Voorheffing volgens navorderingsaanslag € 0

Bij het opleggen van de navorderingsaanslag is een boete van 50% opgelegd met als boetegrondslag € 18.562, zodat de boete € 9.281 bedroeg.

2.9. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de werkelijke ontvangsten van eiser uit genoemde BV in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit werk en woning, namelijk over 2003 een bedrag van € 20.979,82 en over 2004 een bedrag van € 14.115,36. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is aldus verminderd. De boete is gehandhaafd, zij het dat in verband met overschrijding van de redelijke termijn de boetes met 50% zijn verminderd tot bedragen van € 4.357 (2003) en € 4.640 (2004).

3. Geschil

In geschil is of terecht en tot het juiste bedrag navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen aan eiser zijn opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen partijen voorts ter zitting hebben opgemerkt is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en artikel 9.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt met de aanslag in de inkomstenbelasting de geheven loonheffing verrekend. Volgens artikel 27, eerste lid, in verbinding met artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt loonheffing van de werknemer geheven door inhouding op het loon. Onder inhouding moet in dit verband worden verstaan het van een bepaald overeengekomen brutobedrag van het loon afzonderen van de later op aangifte af te dragen loonheffing.

4.2. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 1985, nr. 22 982, LJN AW8317, BNB 1985/149, heeft een inhoudingsplichtige niet reeds aan zijn verplichting tot inhouding voldaan door op een loonbetaling een bedrag gelijk aan de af te dragen loonheffing in mindering te brengen, doch is daarvoor eveneens nodig dat zulks geschiedt met het oogmerk het in mindering gebrachte bedrag als belasting en premies af te dragen.

4.3. Voorts mag volgens de arresten van de Hoge Raad van 22 juli 1981, nr. 20 547, LJN AW9782, BNB 1981/305, en nr. 20 680, LJN AW9784, BNB 1981/306, in het geval dat de werkgever niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonheffing en de werknemer te dien aanzien te goeder trouw is (dat wil zeggen: dat hij meende en ook bij inachtneming van de door hem, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid redelijkerwijze mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen) de - in feite niet ingehouden - loonheffing door de werknemer worden verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting. Op eiser rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij meende en ook bij inachtneming van de door hem te betrachten zorgvuldigheid mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen (Hoge Raad 21 september 1983, nr. 21 953, LJN AW8796, BNB 1984/32).

4.4. Indien een belastingplichtige wist dat zijn werkgever niet aan de verplichting tot afdracht voldeed mag de belastingplichtige niet te goeder trouw menen dat de werkgever aan de verplichting tot inhouding zou voldoen. Deze laatste regel lijdt echter uitzondering indien de belanghebbende ten tijde waarop de inhoudingen moesten plaatsvinden redelijkerwijs mocht menen dat de financiële moeilijkheden van zijn werkgever van zo voorbijgaande en weinig ingrijpende aard waren dat binnen korte tijd daarvoor een oplossing beschikbaar zou zijn (vgl. Hoge Raad 19 oktober 1988, nr. 25 408, LJN ZC3928, BNB 1989/7).

4.5. In het onderhavige geval staat vast dat de loonheffing over 2003 tot een bedrag van € 17.431 en over 2004 tot een bedrag van € 18.562 niet is afgedragen. In dat geval mag de niet ingehouden loonheffing door eiser worden verrekend met de aanslag IB/PVV indien hij te goede trouw was dat Q BV de loonheffing zou voldoen.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat hij te goede trouw was dat Q BV aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen. Eiser was in de jaren 2003 en 2004 directeur-grootaandeelhouder van Q BV. In de conclusie van repliek heeft eiser aangevoerd dat de vennootschap in financiële moeilijkheden verkeerde, dat hij zijn best heeft gedaan om de zaak “draaiende” te houden en dat zijn aandacht daarom niet is uitgegaan naar administratieve zaken. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat eiser geacht kan worden te goede trouw te zijn geweest ten aanzien van de inhoudingen. Gelet op de hoedanigheid van directeur-grootaandeelhouder dient ervan te worden uitgegaan dat eiser op de hoogte was van de omstandigheid dat de vennootschap niet (geheel) aan haar verplichting tot afdracht van de ingehouden loonheffing had voldaan. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vennootschap voor de jaren 2003 en 2004 nihilaangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen heeft gedaan en dat, zoals ter zitting onweersproken is gesteld, in de administratie van de vennootschap diverse stukken met betrekking tot de loonadministratie zijn aangetroffen waarop eisers handtekening is geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden afgeleid dat eiser wist dat de vennootschap het bedrag van de opgegeven loonheffing niet had afgezonderd met het doel dat bedrag als belasting af te dragen. Feiten en omstandigheden, op grond waarvan eiser mocht menen dat de financiële moeilijkheden van de vennootschap van zo voorbijgaande en weinig ingrijpende aard waren dat binnen korte tijd daarvoor een oplossing beschikbaar zou zijn, zijn gesteld noch gebleken.

4.7. Ten aanzien van de opgelegde boetes overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de navorderingsaanslag voor het geval het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de grondslag gevormd door het bedrag van de navorderingsaanslag, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven. In paragraaf 25, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB) is, voor zover hier van belang, bepaald dat vergrijpboeten alleen kunnen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de belastingplichtige willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld of anderszins te weinig belasting zou worden geheven. De bewijslast dienaangaande rust op verweerder.

4.8. Eiser heeft zonder enig voorbehoud op zijn aangiftebiljetten IB/PVV van de jaren 2003 en 2004 een bedrag aan loonheffing vermeld. Gelet op het voorgaande dient als vaststaand te worden beschouwd dat eiser als directeur-grootaandeelhouder van Q BV zich ervan bewust was dat de als loonheffing opgegeven bedragen niet waren of zouden worden voldaan. Door desalniettemin deze bedragen in zijn aangifte IB/PVV te vermelden heeft eiser willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de ten onrechte als ingehouden loonheffing aangegeven bedragen met de aanslagen IB/PVV zouden worden verrekend en dat in zoverre te weinig belasting zou worden geheven. Een boete van 50% acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden passend en geboden. De boetegrondslag is, anders dan eiser meent, terecht gesteld op het bedrag van de ten onrechte in de aangifte opgegeven loonheffing. De omstandigheid dat het loon en het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser in de bezwaarfase op een lager bedrag zijn vastgesteld brengt hierin geen verandering, nu verrekening van het door eiser opgegeven bedrag aan loonheffing ini zoverre zou hebben geleid tot een ten onrechte te verlenen teruggaaf IB/PVV. Een dergelijke aan opzet van eiser toe te rekenen onjuiste teruggaaf valt naar het oordeel van de rechtbank eveneens onder de hiervoor weergegeven boetegrondslag van het tweede lid van artikel 67e AWR . Het gaat immers om het bedrag dat niet in de navorderingsaanslag zou zijn begrepen – dus ook hetgeen te veel zou zijn teruggegeven – als de belastingplichtige in zijn opzet geslaagd zou zijn.

4.9. Verweerder heeft de boetes met 50% verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet, gelet op de omvang van de reeds gegeven compensatie en gelet op het tijdsverloop na de uitspraken op bezwaar van 30 juli 2010, geen reden de boetes verder te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature