< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Digitale verzending besluit - bekendmaking. Verzending en ontvangst e-mailberichten.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/2015 WSFBSF

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te [plaats],

eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2010 (Bericht Studiefinanciering 2010, nr. 4) heeft verweerder de aan eiser toegekende beurs voor een uitwonende studerende met ingang van 1 april 2010 omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende. Als gevolg daarvan heeft eiser € 571,62 te veel aan toelage ontvangen over de maanden april tot en met juni 2010.

Bij besluit van 9 november 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 juni 2011, waar voor eiser is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

2. Overwegingen

2.1 Eiser stond in de maand april 2010 bij verweerder geregistreerd op het adres [adres 1 te plaats]. In de GBA stond hij ingeschreven op het adres [adres 2 te plaats].

Bij brieven van 12 mei 2010 (hierna: waarschuwingsbrieven) heeft verweerder deze adresafwijking aan eiser bekendgemaakt en hem in de gelegenheid gesteld de afwijking binnen vier weken te herstellen. Eiser heeft de adresafwijking niet binnen de gestelde termijn van vier weken hersteld. Bij het besluit van 17 juli 2010 heeft verweerder vervolgens de beurs voor een uitwonende omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende.

Op 1 augustus 2010 heeft eiser via internet de afwijking in de adressen ongedaan gemaakt en een beurs voor een uitwonende studerende aangevraagd.

Bij brief van 21 september 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2010. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na het besluit van 17 juli 2010 is ingediend.

2.2 Eiser heeft aangevoerd dat hij het besluit van 17 juli 2010 niet heeft ontvangen en ook anderszins geen enkele herinnering of waarschuwing van verweerder heeft ontvangen na ontvangst van de waarschuwingsbrieven. Door alle verhuisperikelen is eiser vergeten zijn adreswijziging te bevestigen aan verweerder.

2.3 Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch worden verzonden, mits de bepalingen van deze afdeling in acht worden genomen.

In artikel 2:14, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

Ingevolge artikel 2:17 van de Awb geldt als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarover het bestuursorgaan geen controle heeft of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb van gt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, dan wel - bij verzending per post - indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift dat niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.4 Niet in geschil is dat eiser op 7 april 2009 op de website “Mijn IB-Groep” de keuze heeft gemaakt om zijn Berichten Studiefinanciering elektronisch te ontvangen. Blijkens de door verweerder gehanteerde Algemene Voorwaarden brengt dit met zich dat deze Berichten in beginsel niet langer per reguliere post aan eiser worden verzonden, maar dat hij deze Berichten kan raadplegen op de website “Mijn IB-groep”. Blijkens artikel 4, vierde lid, van de Algemene Voorwaarden wordt de gebruiker, zodra een nieuw Bericht beschikbaar is op de website, door middel van een e-mailbericht aan het door de gebruiker opgegeven e-mailadres hierop geattendeerd. Als het e-mailbericht na enkele pogingen onbestelbaar retour komt, wordt de gebruiker als onvoldoende bereikbaar langs deze weg beschouwd en wordt het Bericht binnen drie weken na de elektronische verzending alsnog per reguliere post verzonden.

Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Algemene Voorwaarden wordt het verzenden van de e-mail door verweerder beschouwd als de verzending en bekendmaking van het Bericht. Blijkens het zevende lid gaat de bezwaartermijn lopen vanaf het tijdstip van verzending als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Algemene Voorwaarden.

2.5 De rechtbank stelt voorop dat bij het door verweerder gekozen systeem van elektronische verzending door verweerder en de studerende gebruik wordt gemaakt van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, te weten de website “Mijn IB-Groep”. Gelet op het bepaalde in artikel 2:17 van de Awb geldt dan - anders dan in artikel 4, vierde lid, van de Algemene Voorwaarden is gesteld - als tijdstip van verzending het tijdstip waarop het Bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde. De rechtbank merkt hierbij op dat de artikelen 2:17 en 6:7 van de Awb bepalingen van openbare orde betreffen en het partijen niet vrij staat hieraan een eigen uitleg te geven.

De rechtbank acht genoegzaam door verweerder aangetoond dat het besluit van 17 juli 2010 door middel van een zogeheten ‘proces versturen’ op dinsdag 20 juli 2010 op de website “Mijn IB-Groep” is geplaatst, waarmee het op datzelfde moment toegankelijk werd voor eiser. In dit verband is van belang dat verweerder bij brief van 3 mei 2011 een uitdraai van het outputbestand, behorende bij het ‘proces versturen’ dat op 17 juli 2010 heeft gedraaid, heeft overgelegd, waarin bij het Burgerservicenummer van eiser het Bericht van 17 juli 2010 (aangeduid als Bericht Toekennen 20100717) wordt vermeld.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is de bezwaartermijn derhalve gaan lopen met ingang van de dag na 20 juli 2010, te weten: 21 juli 2010. Het op 21 september 2010 ingediende bezwaar is dus ingediend buiten de termijn van zes weken.

2.6 In weerwil van het vorenstaande is de rechtbank echter van oordeel dat een studerende er op grond van het gestelde in de Algemene Voorwaarden in beginsel er op mag vertrouwen dat hij door middel van een e-mailbericht op de hoogte wordt gesteld van de plaatsing van een nieuw Bericht op de website. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat een studerende er, gelet op artikel 4, vierde en zevende lid, van de Algemene Voorwaarden, (verschoonbaar) van uit mag gaan dat hij vanaf de ontvangst van een dergelijk e-mailbericht nog zes weken de tijd heeft om een bezwaarschrift bij verweerder in te dienen. Nu door eiser is aangevoerd dat hij nooit een e-mailbericht van verweerder heeft ontvangen waarin hij is geattendeerd op de plaatsing van het Bericht van 17 juli 2010 op “Mijn IB-Groep”, zal de rechtbank derhalve nagaan of de verzending van het e-mailbericht voldoende aannemelijk is.

Blijkens de door verweerder verschafte informatie is het proces digitale verzending binnen verweerders organisatie zo ingericht dat het outputbestand van het ‘proces versturen’ automatisch wordt ingelezen in een e-mailpakket, “Kanamarketing” geheten, dat per studerende een e-mailbericht aanmaakt. De ingelezen e-mailberichten worden vervolgens aangeboden aan de mailservers, die de e-mailberichten verzenden. In het e-mailpakket zelf wordt gezien of alle e-mailberichten zijn verzonden. Indien e-mailberichten niet worden verzonden, dan wordt dat door middel van een naar nul aflopende teller gesignaleerd en wordt geprobeerd het gesignaleerde e-mailbericht alsnog te verzenden.

Daarnaast worden e-mailberichten, die onder de vermelding ‘Invalid E-mail’ als onbestelbaar retour komen omdat het e-mailadres niet (meer) bestaat of niet geldig is, vermeld op een zogeheten ‘hardbounce-lijst’. In die gevallen verzendt verweerder de Berichten alsnog per reguliere post aan de studerende.

Gelet op deze door verweerder gegeven uitleg stelt de rechtbank vast dat het plaatsen van een Bericht op de website automatisch leidt tot het aanmaken en verzenden van een e-mailbericht, waarbij zowel de verzending als de controle op de verzending en ontvangst van dit e-mailbericht volledig geautomatiseerd wordt uitgevoerd. De geschetste werkwijze en de registratie van de controle in het computersysteem zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat de kans op een fout verwaarloosbaar klein is, zodat ervan mag worden uitgegaan dat het plaatsen van een Bericht op de website “Mijn IB-Groep” leidt tot daadwerkelijke verzending van een e-mailbericht aan de studerende.

De door verweerder overgelegde uitdraaien van het outputbestand en het ontbreken van het e-mailadres op de hardbounce-lijst vormen daarbij naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs voor de verzending naar, en ontvangst van het e-mailbericht op, het e-mailadres van de studerende.

2.7 Uit het door verweerder in geding gebrachte outputbestand, waarop het e-mailadres van eiser staat vermeld in combinatie met het Bericht van 17 juli 2010, blijkt dat het outputbestand is aangeboden aan Procesbeheer Multimedia. Op basis van deze lijst verzendt Procesbeheer Multimedia telkens op vrijdagmiddag na 17.00 uur de betreffende e-mailberichten aan de studerenden, in het geval van eiser op vrijdag 23 juli 2010. De rechtbank stelt voorts vast dat het door eiser opgegeven e-mailadres niet staat vermeld op de hardbounce-lijst van week 29 van 2010. Gelet hierop gaat de rechtbank er van uit dat eiser op 23 juli 2010 via een e-mail in kennis is gesteld van het feit dat het Bericht van 17 juli 2010 door verweerder op mijn IB-groep was geplaatst.

Nu eiser niet binnen 6 weken na de e-mail van 23 juli 2010 een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend is van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd geen feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan kan worden geoordeeld dat eiser ter zake van de termijnoverschrijding redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.8 Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature