Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering. Schending inlichtingenplicht. Geen dringende redenen.

Uitspraak



10/2788 WW

10/2789 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 april 2010, 09/1640 en 09/1641 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Houtsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Houtsma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is met ingang van 1 oktober 2007 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, gebaseerd op een gemiddeld arbeidsurenverlies van 40 per week. Naar aanleiding van een melding dat appellant werkzaamheden zou verrichten in de broodjeszaak van zijn echtgenote, is een onderzoek ingesteld waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 18 februari 2009. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 27 mei 2009 aan appellant meegedeeld dat hij aan het Uwv niet heeft doorgegeven dat hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008 volledig werkzaam is geweest in de zaak van zijn echtgenote en dat hij geen recht had op de volledige WW-uitkering. De volgens het Uwv over deze periode onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 30.637,88 is van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 8 juni 2009 heeft het Uwv appellant in verband met schending van de mededelingsverplichting een boete opgelegd van € 2.269,-. Bij twee afzonderlijke besluiten van 8 oktober 2009 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 mei 2009 en 8 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Uwv de beroepen van appellant tegen de besluiten van 8 oktober 2009 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan het Uwv te melden dat hij werkzaamheden in de broodjeszaak verrichtte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zijn conclusie ten aanzien van de omvang van de werkzaamheden van appellant mogen baseren op het onderzoek en was er geen dringende reden om van intrekking en terugvordering af te zien. Ten aanzien van de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat de overtreding van de inlichtingenplicht vaststaat en dat het Uwv op grond van artikel 27a van de WW en artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten in beginsel de maximale boete diende op te leggen. Volgens de rechtbank heeft appellant niet gemotiveerd welke bijzondere omstandigheden, anders dan de financiële gevolgen die inherent zijn aan de oplegging van een boete, zouden moeten leiden tot matiging van de boete op grond van artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht .

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. Appellant heeft ter zitting erkend dat hij de op grond van artikel 25 van de WW op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van zijn werkzaamheden in de broodjeszaak. Gelet op de tijdens het opsporingsonderzoek verzamelde gegevens, waaronder de door getuigen en appellant zelf afgelegde verklaringen en de waarnemingen van een fraude-inspecteur, een en ander bezien in onderling verband, is het aannemelijk dat appellant gedurende de openingstijden van de broodjeszaak op zes dagen per week daar aanwezig placht te zijn, daar zeer regelmatig allerlei voorkomende werkzaamheden verrichtte, inkopen deed bij de groothandel, leiding gaf aan het personeel en zijn echtgenote ondersteunde met het onderhouden van zakelijke contacten. De Raad tekent daarbij aan dat hij geen reden ziet te twijfelen aan de verklaringen van ex-werknemers van de broodjeszaak en dat appellant blijkens het onderzoeksrapport na voorlezing van zijn eerste verklaring heeft meegedeeld dat de strekking daarvan klopte. In het licht van de onderzoeksgegevens heeft het Uwv de omvang van de werkzaamheden van appellant kunnen schatten op een volledige werkweek. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze schatting onjuist is. Voor zover nog onzekerheid bestaat over de precieze omvang van de werkzaamheden van appellant, kan die onzekerheid niet ten voordele van appellant strekken, nu hij deze zelf heeft veroorzaakt door op de zogeheten werkbriefjes geen enkele opgave te doen van de door hem gewerkte uren.

3.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv gehouden was tot intrekking en terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over te gaan. De overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat in het geval van appellant geen dringende redenen aanwezig zijn om van intrekking en terugvordering af te zien, zijn juist.

3.3. Voor de wijze van toetsing van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 11 maart 2009, LJN BH7780 en van 27 mei 2010, LJN BM5914. Appellant heeft zijn werkbriefjes over de betreffende periode onjuist ingevuld. Naar het oordeel van de Raad valt hem niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken van deze onjuiste informatieverstrekking. Op grond van de werkbriefjes, waarop is gevraagd naar de uren die appellant heeft gewerkt, had appellant moeten beseffen dat alle gewerkte uren opgegeven moesten worden. Binnen de systematiek van de WW is het onjuist invullen van de werkbriefjes gedurende een jaar een ernstige overtreding omdat de rechtmatigheid van de uitkering destijds aan de hand van het werkbriefje werd vastgesteld. Mede gelet op de overige ten aanzien van appellant gebleken omstandigheden is de Raad daarom van oordeel dat de opgelegde boete van € 2.269,- een evenredige sanctie is.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) J. van Dam.

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature