Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Medeplegen van mishandelingen van eigen dochter. Verzorgen en opvoeden omvat niet de toepassing van lichamelijk geweld.

”Ouderlijk tuchtigingsrecht” ver overschreden.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825182-10

Datum uitspraak: 08 juli 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 en 24 juni 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 mei 2011.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2010 tot en met 03 april 2010 te Eindhoven en/of Valkenswaard, althans elders

in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan een persoon genaamd [Cheyenne](geboren op [geboortedatum]

2007), (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- (met kracht) met (een) schoen(en) tegen het (naakte) lichaam van voornoemde

[Cheyenne] heeft/hebben gegooid/gesmeten en/of

- (met kracht) met een (broek)riem tegen de billen, althans het lichaam, van

voornoemde[Cheyenne]heeft/hebben geslagen en/of

- (met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) in/tegen het gezicht/hoofd,

althans het lichaam, van voornoemde[Cheyenne]heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- (met kracht) (met een geschoeide voet) tegen het lichaam van voornoemde

[Cheyenne]heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- (met kracht) het lichaam van genoemde[Cheyenne](heen en weer) heeft/hebben

geschud/bewogen en/of

- (met kracht) het hoofd, althans het lichaam, van die[Cheyenne]tegen de muur

en/of de kast heeft/hebben geduwd/gesmeten en/of

- (met kracht) tegen het lichaam van die[Cheyenne]heeft/hebben geduwd (waardoor

zij ten val kwam) en/of

- genoemde[Cheyenne]onder (stromend) koud water (een koude douche) heeft/hebben

gezet/laten staan (waarna zij bij/voor/in de directe omgeving van een open

raam moest gaan staan en/of (terwijl) de (buiten)temperatuur op dat moment

erg laag was), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art. 45 juncto 47 juncto 302 van het Wetboek van Strafrecht

en/of

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2010 tot en met 03 april 2010 te Eindhoven en/of Valkenswaard, althans elders

in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, (telkens) opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon, te

weten [Cheyenne](geboren op [geboortedatum] 2007), meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

- (met kracht) met (een) schoen(en) tegen het (naakte) lichaam van voornoemde

[achternaam slachtoffer] heeft/hebben gegooid/gesmeten en/of

- (met kracht) met een (broek)riem tegen de billen, althans het lichaam, van

voornoemde[Cheyenne]heeft/hebben geslagen en/of

- (met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) in/tegen het gezicht/hoofd,

althans het lichaam, van voornoemde[Cheyenne]heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- (met kracht) in/tegen de arm(en) en/of de bil(len) en/of het/de be(e)n(en)

en/of de hand(en) en/of het gezicht, althans het lichaam, heeft/hebben

geslagen en/of

- (met kracht) (met een geschoeide voet) tegen het lichaam van voornoemde

[achternaam slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- (met kracht) in de hand(en) en/of de arm(en), althans in het lichaam, van

voornoemde[Cheyenne]heeft/hebben geknepen en/of

- (met kracht) het lichaam van genoemde[Cheyenne](heen en weer) heeft/hebben

geschud/bewogen en/of

- (met kracht) die[Cheyenne]bij de arm(en) en/of het gezicht/hoofd, althans het

lichaam, heeft/hebben vastgepakt/vastgegrepen en/of

- (met kracht) het hoofd, althans het lichaam, van die[Cheyenne]tegen de muur

en/of de kast heeft/hebben geduwd/gesmeten en/of

- (met kracht) tegen het lichaam van die[Cheyenne]heeft/hebben geduwd (waardoor

zij ten val kwam) en/of

- (met kracht) met de vinger(s) tegen de lippen, althans de mond, van die

[achternaam slachtoffer] heeft/hebben getikt en/of

- genoemde[Cheyenne]onder (stromend) koud water (een koude douche) heeft/hebben

gezet/laten staan (waarna zij bij/voor/in de directe omgeving van een open

raam moest gaan staan en/of (terwijl) de (buiten)temperatuur op dat moment erg

laag was),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art. 47 juncto 300 juncto 304 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

Vrijspraak van de tenlastegelegde (medeplegen van) pogingen tot zware mishandeling, omdat onduidelijk is hoeveel kracht bij de diverse geweldshandelingen is gebruikt, de plaatsen op het lichaam waar het slachtoffer is geraakt en welk letsel dat heeft veroorzaakt.

Bewezenverklaring van het medeplegen van de uitgeschreven eenvoudige mishandelingen.

Het standpunt van de verdediging.

Vrijspraak van de tenlastegelegde (medeplegen van) pogingen tot zware mishandeling, omdat het (voorwaardelijk) opzet daartoe niet kan worden bewezen. Terzake van de uitgeschreven eenvoudige mishandelingen heeft de raadsman geen expliciet standpunt ingenomen.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Bronnen:

1. Een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling gezamenlijke recherche Eindhoven, met registratienummer PL2233-2010048715, onderzoek Bergleeuw, afgesloten

d.d. 14 december 2010, aantal doorgenummerde bladzijden 362. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventuele) andere bescheiden;

2. Een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Forensisch Technische Ondersteuning, met bijlagen, inzake het onderzoek Bergleeuw, afgesloten d.d. 17 juni 2010, aantal doorgenummerde bladzijden 225. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventuele) andere bescheiden;

3. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood' van [Cheyenne], met bijlagen, d.d. 27 september 2010, opgemaakt en ondertekend door arts en patholoog A. Maes;

4. Een wonddateringonderzoek d.d. 20 april 2010 van F. van der Goot (bijlage 6 van bron 3);

5. Een rapport van het Nederlands Forensisch Institiuut 'Forensisch-medisch onderzoek naar aanleiding van een gerechtelijke sectie op het kind (Cheyenne) op 4 april 2010', d.d. 1 april 2011, opgemaakt en ondertekend door forensisch arts KNMG H.G.T. Nijs;

6. De verklaring van F.R.W. van de Goot ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 9 februari 2011;

7. De verklaring van A. Maes ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 9 februari 2011;

8. Een schrijven van A. Maes van het Nederlands Forensisch Instituut aan de rechter-commissaris d.d. 10 februari 2011 (onderwerp sectie 2010-126);

9. De verklaring van [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 14 februari 2011 (gevoegd in dossier verdachte);

10. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 6 april 2010 (gevoegd in dossier verdachte);

11. De verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 april 2010.

Inleiding

Op 3 april 2010 omstreeks 00:31 uur komt er bij de meldkamer ziekenhuis een melding binnen dat er op het adres [adres] te Eindhoven een 2-jarig meisje 'nergens op reageert'.1

Het meisje wordt kort daarop met een ambulancewagen naar het Maxima Medisch Centrum

te Veldhoven gereden2,3 en aansluitend naar het Academisch Ziekenhuis te Maastricht (zie

noot 2). Kinderarts [kinderarts] constateert in de loop van de nacht diverse blauwe plekken in/op het gelaat van het meisje alsmede sporen van geweld op een van de beentjes van het meisje. Volgens [naam kinderarts] is er sprake geweest van grof geweld om de door hem geconstateerde verwondingen te veroorzaken.4 Ook ambulancebroeder [naam ambulancebroeder] spreekt van blauwe en rode plekken over het hele lichaam van het meisje.5

Op 3 april 2010 te 16:35 uur overlijdt het meisje [Cheyenne], geboren op [geboortedatum] 2007, in het Academisch Ziekenhuis te Maastricht nadat de behandeling is gestaakt in verband met steeds hoger oplopende hersendruk. De dood wordt vastgesteld door kinderinten-sivist dr. [naam arts].6

Op 3 april omstreeks 18:00 uur wordt door drs. J. Notermans een uitwendige lijkschouw op het stoffelijk overschot van Cheyenne verricht. Hierbij worden bloeduitstortingen over het hele lichaam van Cheyenne geconstateerd.7

Patholoog Maes constateert verspreid over het hele lichaam van Cheyenne zeer veel onderhuidse bloeduitstortingen met plaatselijk begeleidende huidkneuzingen. Haar eindconclusie luidt dat [Cheyenne] is overleden als gevolg van ernstig hersenletsel door uitwendig inwerkend botsend geweld op het hoofd circa 16 uur voor de dood.8

Het pediatrisch rapport van Nijs bevat letseltekeningen van de voor- en achterzijde van het lichaam van Cheyenne. Hierop zijn verspreid over het hele lichaam vele sporen van letsel ingetekend.9

Pogingen tot zware mishandeling?

Omdat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in algemene bewoordingen over de diverse incidenten hebben verklaard, is het voor de rechtbank in algemene zin onduidelijk met welke kracht en intensiteit de diverse geweldshandelingen zijn uitgeoefend, de plaatsen op het lichaam van Cheyenne die daarbij zijn geraakt en welke letsels daardoor zijn ontstaan.

De diverse rapportages van de deskundigen geven op deze punten evenmin uitsluitsel.

Zonder deze informatie kan door de rechtbank niet worden vastgesteld dat door de afzonderlijk uitgeschreven geweldshandelingen sprake is geweest van een dusdanige impact op het lichaam dat daardoor een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ten aanzien van de klap tegen het gezicht en de duw/trap tegen het bovenbeen, door verdachte gegeven in de nacht van 2 op 3 april 2010, heeft verdachte meer gedetailleerd verklaard. Die verklaring geeft echter evenmin aanknopingspunten voor het vaststellen van

een dusdanige kracht en intensiteit dat de handelingen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren. Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte door de uitgeschreven incidenten (al dan niet tezamen begaan met medeverdachte [medeverdachte]) heeft getracht Cheyenne zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Mishandelingen.

I. Algemeen

Verdachte heeft ter zitting in algemene zin verklaard dat zij en medeverdachte [medeverdachte] (hierna telkens[medeverdachte]) vanaf februari 2010 zijn begonnen om Cheyenne lijfelijk te straffen, met name wanneer Cheyenne weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was. Deze lijfelijke straffen hebben op verschillende tijdstippen tot 3 april 2010 plaatsgevonden in de woning van de moeder van [medeverdachte] te [adres] in [gemeente], alwaar zij in die periode gedrieën inwoonden. Verdachte heeft in die periode ook blauwe plekken op het lichaam van Cheyenne gezien. Voorts heeft verdachte verklaard dat zij Cheyenne in de nacht van 2 op 3 april 2010, in de woning van [getuige] te [adres] in Eindhoven, een klap tegen het gezicht heeft gegeven en met een voet tegen haar bovenbeen heeft geduwd waardoor Cheyenne ten val kwam.10

[medeverdachte] bevestigt dat zij en verdachte vanaf februari 2010 zijn begonnen met het lijfelijk straffen van Cheyenne11 als zij niet luisterde. Volgens [medeverdachte] zullen de aangetroffen onderhuidse hematomen op het lichaam van Cheyenne wel komen door de klappen die zij en verdachte haar (Cheyenne) hebben gegeven. [medeverdachte] verklaart voorts over een zekere opbouw in de straffen: 'De tikken hadden niet het gewenste effect. Als de tikken niet werken ga je iets anders zoeken.' Op de vraag van de verhorend verbalisant of er sprake is geweest van stelselmatige mishandeling antwoordt [medeverdachte]: 'Daar hebben jullie gelijk in.12

Diverse getuigen verklaren over bij Cheyenne waargenomen letsel(s) gedurende de tenlaste-gelegde periode.13

Zoals hiervoor onder het kopje 'inleiding' reeds is vermeld, hebben patholoog Maes en pediater Nijs verspreid over het lichaam van Cheyenne zeer veel onderhuidse bloed-uitstortingen geconstateerd. Volgens deskundige Maes zijn deze letsels het gevolg geweest van meermalen opgelopen uitwendig inwerkend botsend geweld.14 Deskundige Nijs stelt dat een belangrijk deel van de letsels het gevolg zijn van niet-accidentele toedracht, dus niet verklaard kunnen worden door een normale val of iets dergelijks.15

II. Specifiek

De rechtbank zal de onder het tweede cumulatief alternatief uitgeschreven gewelds-handelingen één voor één bespreken.

a) met schoen tegen naakte lichaam Cheyenne gooien.

Verdachte heeft op meerdere momenten bij de politie verklaard dat zij wel eens schoenen naar/tegen Cheyenne heeft gegooid.16 Meer specifiek verklaart zij daarover op 5 april 2010 dat zij (verdachte) op enig moment een week geleden in de douche is gelopen en een schoen tegen Cheyenne aan heeft gegooid omdat ze (verdachte) zo boos was.17 Ter zitting heeft verdachte erkend dat zij een keer met een schoen tegen een naakte Cheyenne heeft gegooid.18

[medeverdachte] heeft geen herinnering aan dit incident.19

Hoewel verdachte de enige is die over dit incident verklaart, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze geweldshandeling heeft verricht. Naast de specifieke verklaring van verdachte hieromtrent, bezigt de rechtbank hierbij de hiervoor onder het kopje 'I. Algemeen' uitgewerkte verklaringen van verdachte en [medeverdachte] over de vanaf 1 februari 2010 door hen aangevangen lijfelijke straffen van Cheyenne, alsmede de diversiteit van de hierna bewezenverklaarde incidenten, in onderling verband en samenhang beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank past de onderhavige geweldshandeling binnen het door verdachte

en [medeverdachte] geschetste patroon van de lijfelijke straffen van Cheyenne als zij - kort gezegd- niet luisterde/ongehoorzaam was.

De rechtbank acht voorts de conclusie gerechtvaardigd dat Cheyenne door de bewezen-verklaarde handeling van verdachte pijn heeft ondervonden. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij het door de Hoge Raad op 11 februari 1929 geformuleerde uitgangspunt dat onder 'pijn' in de zin van art. 300 Sr. dient te worden verstaan 'iedere op het lichaam betrokken min of meer hevig onaangename gewaarwording' (HR 11 februari 1929).

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat hiervan sprake is geweest bij de 2-jarige Cheyenne toen er een schoen tegen haar naakte lichaam (89 cm groot, lichaamsgewicht 12 kg20) werd gegooid.

b) met riem tegen de billen van Cheyenne slaan.

Verdachte heeft op 13 april 2010 bij de politie verklaard dat Cheyenne twee keer met een riem is geslagen, één keer door verdachte en één keer door [medeverdachte].21 Op 4 april 2010 verklaart verdachte dat Cheyenne circa een maand geleden door haar (verdachte) met een riem op de billen is geslagen en dat [medeverdachte] dat later ook een keer heeft gedaan.22 Ter zitting heeft verdachte verklaard dat er in haar geval slechts sprake is geweest van lichte klapjes/tikjes en niet van slaan.23

[medeverdachte] verklaart op 3 april 2010 dat zij en verdachte ongeveer een maand geleden Cheyenne met een broekriem tegen haar billen hebben geslagen. [medeverdachte] had de riem voor Cheyenne neergelegd en daarbij gezegd dat ze die zou voelen als ze niet zou eten. Omstreeks 21:00-22:00 uur moest Cheyenne gaan staan, waarop verdachte tegen Cheyenne zei dat ze haar broek naar beneden moest doen. Daarop gaf verdachte Cheyenne twee klapjes tegen haar billen. Twee uur later heeft [medeverdachte] Cheyenne drie keer met de riem op haar billen geslagen. [medeverdachte] sloeg harder dan verdachte daarvoor had gedaan. [medeverdachte] zag dat de billen van Cheyenne na het slaan met de riem een beetje rood waren.24

De rechtbank houdt verdachte aan haar bij de politie afgelegde verklaring. Uit deze verklaring volgt dat zij Cheyenne een keer met de riem op de billen heeft geslagen en dat [medeverdachte] dat ook een keer heeft gedaan. Verdachtes verklaring wordt geheel ondersteund door de verklaring van [medeverdachte]. De rechtbank leidt uit beide verklaringen af dat het door verdachte en [medeverdachte] slaan met de riem na elkaar in elkaars bijzijn is gepleegd en dat de aanleiding hiertoe was gelegen in het feit dat Cheyenne kennelijk weigerde te eten. Omdat verdachte en [medeverdachte] ten tijde van elkaars handelen niet over en weer hebben ingegrepen en hebben nagelaten om Cheyenne tegen de mishandeling door de ander te beschermen, hebben zij elkaars mishandeling aanvaard en zich hierbij aangesloten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zij dan ook beiden in gelijke mate verantwoordelijk voor deze gepleegde mishandelingen. De rechtbank concludeert dat er sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte]. De rechtbank acht het medeplegen van deze mishandelingen dan ook bewezen.

Voorts kan worden bewezen dat Cheyenne hierbij letsel heeft opgelopen, nu [medeverdachte] verklaart over rode billen als gevolg van het slaan. Daarnaast kan het niet anders zijn dan dat het bewezenverklaarde handelen een bijzondere onaangename gewaarwording op het lichaam van Cheyenne moet hebben veroorzaakt en zij aldus pijn heeft ondervonden (HR 11 februari 1929).

c) met een hand tegen het gezicht/hoofd van Cheyenne slaan.

De rechtbank begrijpt na een toelichting van de officier van justitie dat hiermee wordt gedoeld op het incident in de nacht van 2-3 april 2010 te Eindhoven.

Verdachte erkent dat zij Cheyenne op enig tijdstip in de nacht van 2 op 3 april 2010 in de woning van [getuige], te [adres] in Eindhoven, met de vlakke hand een klap tegen het gezicht heeft gegeven.25 [medeverdachte] bevestigt deze geweldshandeling van verdachte.26

De rechtbank acht deze mishandeling op grond van de verklaring van [medeverdachte] en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen. Hierbij acht de rechtbank tevens naar algemene ervaringsregels bewezen dat Cheyenne door de klap tegen het gezicht pijn heeft ondervonden.

d) het tegen de armen, billen, benen, handen en gezicht van Cheyenne slaan.

[medeverdachte] verklaart dat Cheyenne regelmatig klappen kreeg van [medeverdachte] en verdachte. 'Wij sloegen haar dan met de vlakke hand op haar billen of benen. Soms sloegen wij met de vlakke hand in haar gezicht. Wij sloegen haar meestal 2 à 3 keer per dag'. Volgens [medeverdachte] zullen de aangetroffen onderhuidse hematomen op het lichaam van Cheyenne wel komen door de klappen die zij en verdachte haar (Cheyenne) hebben gegeven; 'Wij sloegen Cheyenne vaak'. Voorts verklaart [medeverdachte] over een duidelijke opbouw in de klappen die Cheyenne kreeg, 'Het ging steeds harder'. [medeverdachte] begrijpt dat als je een kind slaat dat dat pijn doet.27

[getuige] heeft gezien en gehoord dat [medeverdachte] Cheyenne in het gezicht en op de billen slaat als ze niet luistert. Voorts verklaart zij dat Cheyenne een corrigerende tik van [medeverdachte] en verdachte krijgt als ze niet luistert. [getuige] vindt dat Cheyenne veel tikken heeft gekregen. [getuige] heeft van verdachte en [medeverdachte] gehoord dat Cheyenne niet luistert en het dan moet voelen.

Meer specifiek verklaart [getuige] nog het volgende: 'Cheyenne is een slechte eter. Ik zie dat ([medeverdachte]) Cheyenne dan slaat en opstaat. Hierna gaat [verdachte] bij Cheyenne zitten en probeert haar eten te geven. Als dit vervolgens niet lukt slaat ook [verdachte] Cheyenne. Ik heb gezien dat [verdachte] Cheyenne meerdere keren achter elkaar slaat.28 Uit de verklaring die [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgeleid kan eveneens worden afgeleid dat Cheyenne vaker door verdachte en [medeverdachte] is geslagen.29

Verdachte verklaart op meerdere momenten dat Cheyenne door haar en [medeverdachte] met de vlakke hand werd geslagen, waaronder tegen de benen, billen en het gezicht. Cheyenne kreeg nagenoeg dagelijks klappen. Cheyenne werd geslagen als zij iets stouts gedaan had.30 Ter zitting verklaart verdachte dat zij Cheyenne nooit met kracht heeft geslagen. Ze zou Cheyenne slechts tikjes op de benen en billen hebben gegeven.31

De rechtbank houdt verdachte aan haar bij de politie afgelegde verklaringen.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] af dat Cheyenne dagelijks werd geslagen door zowel verdachte als [medeverdachte] en dat dit ook in elkaars bijzijn is gepleegd. Uit de hiervoor onder het kopje 'I. Algemeen' uitgewerkte verklaringen van verdachte en [medeverdachte] volgt voorts dat zij vanaf februari 2010 zijn begonnen met het lijfelijk straffen van Cheyenne als zij weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was. Omdat verdachte en [medeverdachte] van elkaars (onderliggende) mishandelingen op de hoogte waren en deze in elkaars bijzijn hebben gepleegd en zij vervolgens niet over en weer hebben ingegrepen, hebben zij nagelaten om Cheyenne tegen de mishandelingen door de ander te beschermen. Daarmee hebben zij elkaars mishandelingen aanvaard en zich hierbij aangesloten. De rechtbank oordeelt dan ook dat hierbij sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking door verdachte en [medeverdachte] tot het plegen van deze mishandelingen. Deze bewuste en nauwe samenwerking volgt meest treffend uit het hiervoor aangehaalde citaat uit de verklaring van [getuige]. De rechtbank acht het medeplegen van de onderliggende mishandelingen dan ook bewezen. Het hoeft voorts naar het oordeel van de rechtbank geen betoog dat Cheyenne door deze geweldshandelingen pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

e) het tegen het lichaam van Cheyenne schoppen/trappen.

De rechtbank begrijpt na een toelichting van de officier van justitie dat hiermee wordt gedoeld op het incident in de nacht van 2-3 april 2010 te Eindhoven.

Verdachte verklaart op meerdere momenten dat zij op enig tijdstip in de nacht van 2 op 3 april 2010 met haar voet tegen Cheyennes bovenbeen heeft geduwd waardoor Cheyenne ten val kwam.32

Bij de gerechtelijke sectie zijn onder meer bloeduitstortingen aangetroffen aan de binnenzijde van het rechterbovenbeen (binnenzijde dij) van Cheyenne.33 Een monster van dit letsel is onderzocht. Hieruit volgt dat dit letsel past bij een geweldinwerking van binnen de 16 uur na het overlijden van Cheyenne .34

In het pediatrisch rapport wordt gesteld dat de huidverkleuringen aan de binnenzijde van het rechterbovenbeen passen bij de inwerking van stomp mechanisch geweld. Dit letsel kan passen bij een duw met de voet tegen een bovenbeen. Gelet op de aard van dit letsel moet er sprake zijn geweest van substantiële geweldsinwerking.35

De rechtbank trekt uit de bevindingen van de hiervoor genoemde deskundigen de conclusie

dat het door hen beschreven en onderzochte letsel is veroorzaakt door de geweldshandeling waarover verdachte verklaart. Met inachtneming van de mate van (substantieel) geweld dat hierbij met de voet moet zijn uitgeoefend, kwalificeert de rechtbank dit handelen met de voet als 'schoppen/trappen' in plaats van 'duwen'. De rechtbank acht voorts bewezen dat Cheyenne

door deze mishandeling letsel heeft opgelopen en, afgezet tegen de algemene ervaringsregels, pijn heeft ondervonden.

f)het in de handen/armen van Cheyenne knijpen.

[medeverdachte] verklaart: 'Wij hebben haar (Cheyenne) ook wel eens geknepen' en 'Ik kneep haar wel eens in de hand'.36

Verdachte heeft gezien dat [medeverdachte] in de handen van Cheyenne kneep en dat daardoor blauwe plekjes ontstonden. Verdachte heeft regelmatig gezien dat [medeverdachte] Cheyenne bij haar handjes pakte en vervolgens in het vel aan de bovenkant van haar hand kneep. [medeverdachte] draaide aan het vel op de rug van het handje van Cheyenne. Cheyenne begon dan te huilen.37 Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat zij Cheyenne zelf nooit heeft geknepen.38

De rechtbank leidt uit verklaringen van verdachte af dat het door [medeverdachte] knijpen van Cheyenne meerdere keren in verdachtes bijzijn is gebeurd. Dit past ook in de hiervoor onder het kopje 'I. Algemeen' uitgewerkte verklaringen van verdachte en [medeverdachte] waaruit volgt dat zij en [medeverdachte] vanaf februari 2010 zijn begonnen om Cheyenne lijfelijk straffen als zij weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was. Nu verdachte van het knijpen Cheyenne op de hoogte was en dit tevens in haar bijzijn werd gedaan en zij vervolgens niet heeft ingegrepen, heeft zij nagelaten om haar dochter te beschermen tegen deze mishandelingen en heeft zij haar rechtsplicht tegen over haar dochter ernstig geschonden. Daarmee heeft zij deze door [medeverdachte] gepleegde mishandeling(en) aanvaard en zich hierbij aangesloten. De rechtbank houdt verdachte dan ook mede verantwoordelijk voor deze mishandeling(en). Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samen-werking tussen verdachte en [medeverdachte]. Voorts kan op grond van de verklaring van verdachte worden bewezen dat Cheyenne hierbij letsel heeft opgelopen. Daarnaast kan het niet anders zijn dan dat het bewezenverklaarde handelen een bijzondere onaangename gewaarwording op het lichaam van Cheyenne moet hebben veroorzaakt en zij aldus pijn heeft ondervonden (HR 11 februari 1929).

g) het met kracht heen en weer bewegen/schudden van het lichaam van Cheyenne.

[medeverdachte] verklaart hierover: 'Wij hebben haar ook wel eens geschud.'39

Verdachte ontkent deze geweldshandeling te hebben gepleegd. Evenmin heeft zij dit [medeverdachte] ooit zien doen.40

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] slechts bij gelegenheid van één verhoor en slechts in de meest algemene bewoordingen over dit/deze incident(en) verklaart. Aangezien verdachte

ter zitting enige betrokkenheid bij dit/deze incident(en) ontkent en het procesdossier geen aantoonbare aanwijzingen anderszins bevat, acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging bij gebrek aan wettig bewijs niet bewezen. Verdachte zal van dat gedeelte

van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

h)het krachtig vastpakken bij de armen, gezicht, hoofd of lichaam van Cheyenne.

Verdachte ontkent soortgelijke geweldshandelingen te hebben verricht. Wel zou [medeverdachte] dit wel eens gedaan hebben.41

[medeverdachte] verklaart op geen enkel moment in haar verklaringen over deze geweldshandelingen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte [medeverdachte] in algemene bewoordingen belast en dat laatst-genoemde niets over dit/deze incident(en) heeft verklaard. Aangezien het procesdossier voorts geen aantoonbare aanwijzingen anderszins bevat, acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging bij gebrek aan wettig bewijs niet bewezen. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

i) het duwen van het hoofd van Cheyenne tegen een muur of kast.

Verdachte verklaart dat zij Cheyenne 'ook wel eens met haar hoofdje tegen de kast heeft geduwd.'42

Hoewel verdachte de enige is die over dit incident verklaart, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze geweldshandeling heeft verricht. Naast de specifieke verklaring van verdachte hieromtrent, bezigt de rechtbank hierbij de hiervoor onder het kopje 'I. Algemeen' uitgewerkte verklaringen van verdachte en [medeverdachte] over de vanaf 1 februari 2010 door hen aangevangen lijfelijke straffen van Cheyenne als zij weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was, alsmede de diversiteit van de hiervoor en hierna bewezenverklaarde incidenten, in onderling verband en samenhang beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank past deze geweldshandeling binnen het door verdachte en [medeverdachte] geschetste patroon van de lijfelijk straffen van Cheyenne als zij niet luisterde. De rechtbank acht voorts de conclusie gerechtvaardigd dat het bewezenverklaarde handelen een bijzondere onaangename gewaarwording op het lichaam van Cheyenne moet hebben veroorzaakt en zij aldus pijn heeft ondervonden (HR 11 februari 1929).

j) het tegen het lichaam van Cheyenne duwen waardoor deze ten val kwam.

De rechtbank begrijpt na een toelichting van de officier van justitie dat hiermee op andere incidenten wordt gedoeld dan het 'duw'-incident in de nacht van 2 op 3 april 2010 te Eindhoven.

Verdachte verklaart dat zij Cheyenne ook wel eens heeft geduwd: 'Als ik Cheyenne geduwd had viel ze op de grond, ik was dan zo doorgedraaid.'43 Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zij Cheyenne enkel in de nacht van 2 op 3 april 2010 te Eindhoven heeft geduwd.44

De rechtbank houdt verdachte aan haar bij de politie hieromtrent afgelegde verklaring.

Hoewel verdachte de enige is die over dergelijke incidenten verklaart, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze geweldshandelingen heeft verricht. Naast de specifieke verklaring van verdachte hieromtrent, bezigt de rechtbank hierbij de hiervoor onder het kopje 'I. Algemeen' uitgewerkte verklaringen van verdachte en [medeverdachte] over de vanaf 1 februari 2010 door hen aangevangen lijfelijke straffen van Cheyenne als zij weigerde

te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was, alsmede de diversiteit van de hiervoor en hierna bewezenverklaarde incidenten, in onderling verband en samenhang beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank past de onderhavige geweldshandeling binnen het door verdachte en [medeverdachte] geschetste patroon van de lijfelijk straffen van Cheyenne als zij

-kort gezegd- niet luisterde/ongehoorzaam was. De rechtbank acht voorts de conclusie gerechtvaardigd dat het bewezenverklaarde handelen een bijzondere onaangename gewaar-wording op het lichaam van Cheyenne moet hebben veroorzaakt en zij aldus pijn heeft ondervonden (HR 11 februari 1929).

k) het met de vingers tegen de lippen van Cheyenne tikken.

Verdachte heeft gezien dat [medeverdachte] met haar vingers tegen de lippen van Cheyenne tikte, waarop zij een blauwe plek zag.45 Op een ander moment verklaart verdachte dat zij heeft gezien dat [medeverdachte] Cheyenne een tik op de mond gaf, dit door de vingers in elkaar te steken en dan tegen de mond te tikken. De lippen van Cheyenne gingen dan kapot. Verdachte heeft dit zelf ook een keer gedaan. Cheyenne kreeg de laatste tijd dagelijks van dit soort tikken tegen haar mond/lipjes.46 Ter zitting verklaart verdachte dat zij dit één keer heeft gedaan.47

Hiermee geconfronteerd verklaart [medeverdachte] dat zij weet dat een dergelijke handeling pijn veroorzaakt bij een kind.48

De rechtbank houdt verdachte aan haar bij de politie hieromtrent afgelegde verklaring.

De rechtbank leidt uit de summiere verklaring van [medeverdachte] af dat zij erkent de onderliggende handeling te hebben gepleegd. De rechtbank leidt uit de verklaringen van verdachte af dat Cheyenne meerdere keren met de vingers tegen haar mond/lippen werd getikt en dat dit door verdachte en [medeverdachte] in elkaars bijzijn werd gedaan. Uit de hiervoor onder het kopje 'I. Algemeen' uitgewerkte verklaringen van verdachte en [medeverdachte] volgt voorts dat zij vanaf februari 2010 zijn begonnen met het lijfelijk straffen van Cheyenne als zij weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was. Nu verdachte en [medeverdachte] van de onderliggende 'tikken'

op de hoogte waren en dit in elkaars bijzijn hebben gedaan en zij vervolgens niet over en weer hebben ingegrepen, hebben zij nagelaten om Cheyenne tegen de mishandeling door de ander te beschermen. Daarmee hebben zij elkaars mishandeling aanvaard en zich hierbij aangesloten. De rechtbank houdt verdachte en [medeverdachte] dan ook in gelijke mate verantwoordelijk voor deze mishandelingen. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte].

Voorts kan op basis van de verklaring van verdachte worden bewezen dat Cheyenne hierbij letsel heeft opgelopen. Daarnaast kan het niet anders zijn dan dat het bewezenverklaarde handelen een bijzondere onaangename gewaarwording op het lichaam van Cheyenne moet hebben veroorzaakt en zij aldus pijn heeft ondervonden (HR 11 februari 1929).

l)het Cheyenne onder een koude douche zetten en daarop voor een open raam laten staan terwijl de buitentemperatuur erg laag was.

De oma van [medeverdachte], [naam oma van medeverdachte], tevens (in)wonend in de woning van de moeder van [medeverdachte] te adres in [gemeente], verklaart hierover:

'Ik zag een keer toen ik boven was dat Cheyenne in haar blootje in de badkamer stond. Het was midden in de winter, het was koud buiten en het raam in de badkamer stond open. Ik zag dat Cheyenne stond te rillen en dat ze helemaal nat was. Ik kon zien dat ze onder de douche had gestaan. Even later kwam [naam verdachte](verdachte; rechtbank) in de badkamer en die zei dat ze Cheyenne in de douche had gezet omdat ze geplast had. Ze liet haar nu voor straf in de kou staan.'49

Verdachte verklaart hierover: 'De oma heeft ons ooit aangesproken toen wij Cheyenne voor straf onder de koude douche hadden gezet. Wij lieten Cheyenne dan een paar minuten onder de koude douche staan.' Verdachte denkt dat Cheyenne vier keer onder de koude douche is gezet. Hierbij lag twee keer het initiatief bij haar en twee keer bij [medeverdachte].50

Ter zitting erkent verdachte het onder de koude douche zetten van Cheyenne, doch betwist zij de hiervoor aangehaalde laatste volzin uit de verklaring van [oma van medeverdachte]. Verdachte stelt dat zij niet wist dat Cheyenne voor een open raam stond.51

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de inhoud van de gedetailleerde verklaring van [oma van medeverdachte]te twijfelen en gaat dan ook uit van de juistheid daarvan. Op grond van deze verklaring, op onderdelen ondersteund door verdachtes eigen verklaring, acht de rechtbank dit specifieke incident bewezen.

[medeverdachte] verklaart dat zij deze straf (onder koude douche staan) van haar nichtje heeft.52

De rechtbank begrijpt de summiere verklaring van [medeverdachte] aldus dat zij erkent Cheyenne wel eens onder de koude douche te hebben gezet. De rechtbank acht op grond van de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dan ook bewezen dat Cheyenne enkele keren door hen onder een koude douche is gezet.

De rechtbank leidt in dit verband voorts uit de verklaring van verdachte af dat deze incidenten in elkaars (verdachte en [medeverdachte]) bijzijn werden gepleegd. Uit de hiervoor onder het kopje 'I. Algemeen' uitgewerkte verklaringen van verdachte en [medeverdachte] volgt voorts dat zij vanaf februari 2010 zijn begonnen met Cheyenne lijfelijk te straffen als zij weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was. Nu verdachte en [medeverdachte] Cheyenne in elkaars bijzijn onder een koude douche hebben gezet en zij vervolgens niet over en weer hebben ingegrepen, hebben zij nagelaten om Cheyenne tegen de handelingen van de ander te beschermen. Daarmee hebben

zij elkaars handelingen aanvaard en zich hierbij aangesloten. De rechtbank oordeelt dan

ook dat hierbij sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking door verdachte en [medeverdachte] ten tijde van het onder de koude douche zetten van Cheyenne. De rechtbank houdt verdachte en [medeverdachte] hiervoor in gelijke mate verantwoordelijk.

Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte]. De rechtbank acht voorts de conclusie gerechtvaardigd dat het bewezenverklaarde handelen een bijzondere onaangename gewaar-wording op het lichaam van Cheyenne moeten hebben veroorzaakt en zij aldus pijn heeft ondervonden (HR 11 februari 1929).

III.Ouderlijk tuchtigingsrecht?

De rechtbank overweegt nog tot slot het volgende. Verdachte heeft bij herhaling verklaard dat zij geen intentie had om Cheyenne te mishandelen en dat zij (verdachte) enkel corrigerende/ opvoedkundige tikken heeft uitgedeeld.

Ouders die het ouderlijk gezag over hun (minderjarig) kind hebben, hebben daarmee de plicht en het recht dit kind te verzorgen en op te voeden. Dit verzorgen en opvoeden omvat niet de toepassing van lichamelijk geweld (art. 1: 247 BW).

In casu werd Cheyenne lijfelijk gestraft indien zij weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was. Hoewel de bewezenverklaarde handelingen zich soms in ernstige en soms in minder ernstige gradaties van fysiek geweld hebben voorgedaan, kunnen geen van die handelingen vanuit opvoedkundig oogpunt worden verantwoord. Ook het met de hand slaan tegen de billen was niet gerechtvaardigd. Het maakte deel uit van een breed scala aan tuchtigingsmaatregelen die in onderling verband bezien verre van verantwoord was.

De rechtbank acht de conclusie gerechtvaardigd dat er sprake is geweest van afreageren uit opvoedkundige onmacht. Vrijwel alle ouders ervaren bij het opvoeden van hun kinderen soms gevoelens van onmacht. Echter, dit mag niet leiden tot fysieke mishandeling van een kind. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de handelingen van verdachte en [medeverdachte] het beperkte "ouderlijk tuchtigingsrecht" ver te boven gegaan en leveren zij mishandelingen op.

In dit verband spreken de letseltekeningen van de voor- en achterzijde van het lichaam van Cheyenne 53 voorts boekdelen.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte haar dochter Cheyenne opzettelijk heeft mishandeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen

is dat verdachte:

(tweede cumulatief alternatief)

op tijdstippen in de periode van 01 februari 2010 tot 03 april 2010 te Valkenswaard tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mishandelend haar kind, te weten

[Cheyenne](geboren op [geboortedatum] 2007),

-met een riem tegen de billen heeft geslagen en

-tegen de armen en de billen en de benen en het gezicht heeft geslagen en

-met kracht in de handen heeft geknepen en

-met kracht met de vingers tegen de lippen heeft getikt,

-onder stromend koud water (een koude douche) heeft gezet/laten staan,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

en

op tijdstippen omstreeks de periode van 01 februari 2010 tot en met 3 april 2010 te Eindhoven en/of Valkenswaard opzettelijk mishandelend haar kind, te weten [Cheyenne](geboren op [geboortedatum] 2007),

-met een schoen tegen het naakte lichaam heeft gegooid en

-met een hand tegen het gezicht heeft geslagen en

-tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en

-met het hoofd tegen de kast heeft geduwd en

-tegen het lichaam heeft geduwd waardoor zij ten val kwam en

-onder stromend koud water (een koude douche) heeft gezet waarna zij in de directe

omgeving van een open raam moest gaan staan en terwijl de buiten temperatuur op dat moment laag was,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te haren laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

Gelet op enerzijds de ernst van de feiten, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte mede haar eigen dochter heeft mishandeld, en anderzijds haar blanco strafblad, haar verminderde toerekeningsvatbaarheid en het feit dat zij haar dochter Cheyenne voor altijd zal moeten missen, vordert de officier van justitie:

een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek, waarvan 276 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact in de eerste 2 jaren van de proeftijd ook indien dit inhoudt een poliklinische behandeling bij de GGZ.

De langere duur van de proeftijd is met name ingegeven door de te verwachten lange behandelduur van verdachtes psychische problematiek (bordelinestoornis met afhankelijke trekken) en met oog op een nieuwe (afhankelijkheids-)relatie en een eventuele hernieuwde zwangerschap.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman kan zich vinden in de eis van de officier van justitie met uitzondering van de

gevorderde duur van de proeftijd. De raadsman wijst hierbij op de inschatting door de reclassering dat het recidivegevaar laaggemiddeld is en het feit dat de onderhavige mishandelingen eerst zijn begonnen nadat verdachte met [medeverdachte] ging samenwonen. Nu

deze relatie is beëindigd bestaat er volgens de raadsman geen enkele aanleiding om een proeftijd van een langere duur dan twee jaren op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft haar 2-jarige dochter Cheyenne ruim twee maanden lang en op stelsel-matige wijze mishandeld als zij weigerde te eten, niet wilde slapen of anderszins ongehoorzaam was. Hierbij werd Cheyenne op uiteenlopende wijze lijfelijk gestraft door verdachte en haar toenmalige partner [medeverdachte]. De mishandelingen vonden na verloop van

tijd dagelijks plaats en gingen met steeds meer kracht gepaard. Na het overlijden van Cheyenne zijn verspreid over haar hele lichaam onderhuidse bloeduitstortingen aangetroffen. Het handelen van verdachte levert kindermishandeling op, een zeer ernstige vorm van mishandeling met name nu het gaat om een kwetsbare en weerloze peuter die afhankelijk was van haar moeder (verdachte) en diens vriendin [medeverdachte], die mede verantwoordelijk was voor de dagelijkse verzorging van Cheyenne. Verdachte heeft door haar handelen de psychische en lichamelijke integriteit van haar dochter Cheyenne in ernstige mate geschonden. Kinderen, zeker als ze nog (zeer) jong zijn behoren door hun ouders beschermd te worden en in een veilige omgeving op te groeien. Verdachte heeft met haar handelen Cheyenne de mogelijkheid van een ongestoorde en onbezorgde jeugd in ernstige mate beperkt. Cheyenne moet zeer vaak pijn, ongemak en angst hebben ervaren. Met name het stelselmatige karakter van het handelen van verdachte wordt door de rechtbank als zeer ernstig beschouwd, omdat verdachte daardoor niet de noodzakelijke bescherming heeft geboden die van een ouder en/of verzorger ten opzichte van hun kind(eren) mag worden verwacht. Hierop kan niet anders dan met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden gereageerd.

Ten voordele van verdachte zal de rechtbank meewegen dat uit de rapportages van psychiater A.P. van der Woerdt van 26 oktober 2010 en psycholoog A. Warnaar van

18 november 2010 blijkt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis (depressie) en een gebrekkige ontwikkeling (borderline persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken) en dat de door haar gepleegde mishandelingen daardoor in verminderde mate aan haar kunnen worden toegerekend. Voorts houdt de rechtbank in strafmatigende zin ermee rekening dat verdachte zich bereid heeft getoond zich in verband met haar psychische problematiek ambulant te laten behandelen en met de trieste omstandigheid dat haar dochter Cheyenne op 3 april 2010 is komen te overlijden door toedoen van verdachtes toenmalige partner [medeverdachte].

De rechtbank zal voor wat betreft de strafoplegging aansluiten bij de adviezen van eerdergenoemde gedragsdeskundigen en het reclasseringsadvies van 8 september 2010. Allen adviseren -kort gezegd- een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en een ambulante behandelverplichting.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringe straf dan een gevangenisstraf.

De rechtbank acht hierbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren en met de geadviseerde bijzondere voorwaarde en behandelverplichting. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de oplegging van een langere proeftijd

niet opportuun. De rechtbank volgt hierin de redenering van de raadsman. De onderhavige mishandelingen zijn eerst begonnen nadat verdachte is gaan samenwonen met [medeverdachte]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat Cheyenne reeds daarvoor is mishandeld. Nu de gedragsdeskundigen en de reclassering het recidiverisico

op laaggemiddeld schatten en de onderhavige mishandelingen naar het oordeel van de rechtbank in overheersende mate zijn verweven met de destijds problematische, en thans beëindigde, relatie tussen verdachte en [medeverdachte], acht de rechtbank geen noodzaak aanwezig voor het opleggen van een langere proeftijd dan 2 jaren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 47, 57, 300 en 304.

DE UITSPRAAK

t.a.v. het eerste cumulatief alternatief:

Vrijspraak.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. het tweede cumulatief alternatief:

medeplegen van mishandeling, terwijl zij het misdrijf begaat tegen haar kind,

meermalen gepleegd

en

mishandeling, terwijl zij het misdrijf begaat tegen haar kind, meermalen

gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 2 7

Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 276 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan

wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen haar te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt een ambulante behandeling bij de GGZ.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 1 juli 2010 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. E.C.P.M. Valckx, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 8 juli 2011.

1pv melding centrale post ambulance (blz. 86-87; bron 1)

2pv melding centrale post ambulance (blz. 89; bron 1)

3relaas bevindingen verbalisant [verbalisant 1] (blz. 142-143; bron 1)

4relaas bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (blz.143 onderaan; bron 1)

5pv melding centrale post ambulance (blz. 90 bovenaan; bron 1)

6relaas bevindingen verbalisant [verbalisant 2] (looppv blz 5 onder 9.4; bron 2); pv-lijkschouw (blz. 92, 93; bron 2);

verslag lijkschouw (blz. 98 en 99; bron 2)

7pv lijkschouw (blz. 92 t/m 97; bron 2) en verslag lijkschouw (blz. 98 t/m 103; bron 2)

8rapport Maes (blz. 5; bron 3)

9rapport Nijs (blz. 11; bron 5)

10verklaring verdachte ter zitting 23 juni 2011

11verklaring [medeverdachte] (blz. 251 bovenaan; bron 1); verklaring [medeverdachte] bij rechter-commissaris (bron 10)

12'verklaring [medeverdachte] (blz. 250 onderaan, blz. 251 bovenaan, blz. 252 t/m midden; bron 1)

13verklaring [getuige] (blz. 101 t/m midden; bron 1), verklaring [getuige 2](blz. 111 onderaan; bron 1), verklaring [getuige 3] (blz. 155 2e en 3e alinea; bron 1); [getuige 4] (blz. 181 midden; bron 1); verklaring [oma medeverdachte]

(blz. 162 midden en blz. 164 midden; bron 1)

14NFI-rapport pathologie onderzoek (blz. 5; bron 3)

15NFI-rapport forensisch-medsich onderzoek (blz. 26 2e alinea; bron 5)

16verklaring verdachte (blz. 296, 297, 303 en 312; bron 1)

17verklaring verdachte (blz. 306; bron 1)

18verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

19verklaring [medeverdachte] (blz. 263; bron 1)

20NFI-rapport pathologie onderzoek (blz. 11; bron 3)

21verklaring verdachte (blz. 311; bron 1)

22verklaring verdachte (blz. 295; bron 1)

23verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

24verklaring [medeverdachte] (blz. 241 en 242; bron 1)

25verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

26verklaring [medeverdachte] bij de rechter-commissaris (bron 10)

27verklaring [medeverdachte] (blz. 241, 250, 252 en 284; bron 1)

28verklaring [getuige] (blz. 100 en 101; bron 1)

29verklaring [getuige] bij de rechter-commissaris (blz. 2 10e regel van onderen; bron 9)

30verklaring verdachte (blz. 295, 296, 303, 304 en 310; bron 1)

31verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

32verklaring verdachte (blz. 299 en 320; bron 1), verklaring verdachte bij de rechter-commissaris (bron 11), verklaring

verdachte ter zitting van 23 juni 2011

33NFI-rappport pathologie onderzoek (blz. 7 onder N; bron 3)

34NFI-rapport pathologie onderzoek (blz. 5; bron 3); verklaring A. Maes bij de rechter-commissaris (blz. 1; bron 7); schrijven

A. Maes (bron 8); wonddateringsonderzoek F.R.W. van de Goot (bron 4); verklaring van F.R.W. van de Goot bij de rechter-commissaris (bron 6)

35NFI-rapport forensisch-medisch onderzoek (blz. 21 onder L9; bron 5)

36verklaring [medeverdachte] (blz. 250 en 263; bron 1)

37verklaring verdachte (blz. 304, 311 en 327; bron 1)

38verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

39verklaring [medeverdachte] (blz. 250; bron 1)

40verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

41verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011, verklaring verdachte (blz. 296, 303 en 311; bron 1)

42verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011, verklaring verdachte (blz. 304; bron 1)

43verklaring verdachte (blz. 296 en 297; bron 1)

44verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

45verklaring verdachte (blz. 296 en 311; bron 1)

46verklaring verdachte (blz. 303 onderaan; bron 1)

47verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

48verklaring [medeverdachte] (blz. 284; bron 1)

49verklaring [oma medeverdachte] (blz. 162 onderaan; bron 1)

50verklaring verdachte (blz. 305 en 311; bron 1)

51verklaring verdachte ter zitting van 23 juni 2011

52verklaring [medeverdachte] (blz. 263; bron 1)

53NFI rapport forensisch-medisch onderzoek (blz. 11; bron 5)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature