< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Indien in de laatste dagen van de beroepstermijn zich een onvoorziene omstandigheid voordoet en het beroepschrift niet tijdig wordt ingediend, kan niet de enkele omstandigheid dat de belanghebbende heeft gewacht tot de laatste dagen voor de afloop van de beroepstermijn hem worden tegengeworpen door de stellen dat hij niet eerder is overgegaan tot het indienen van een (voorlopig) beroepschrift. Ook in zo’n geval dient te worden bezien of de door de belanghebbende aangevoerde, aan het einde van de beroepstermijn opgekomen omstandigheid voldoende grond biedt om de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar te achten. Verzet gegrond.

Uitspraak



10/4204 WSFBSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 juni 2010, 09/837 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Datum uitspraak: 1 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 24 september 2010 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 24 september 2010 heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 22 april 2011. Appellant is verschenen. Voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is, met bericht vooraf, niemand verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 24 september 2010 berust op de overwegingen dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is overschreden en dat hetgeen door appellant hierover is naar voren gebracht geen grond bevat waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De Raad heeft geoordeeld dat de door appellant gestelde, aan het einde van de beroepstermijn opgekomen omstandigheid geen reden is om de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar te achten. Deze omstandigheid betrof de opname van zijn vrouw in het ziekenhuis op 21 juli 2010 – op welke datum het door hem geschreven beroepschrift klaar lag voor verzending – in verband met een dreigende vroeggeboorte van een tweeling en nadien het verblijf van de tweeling in het ziekenhuis. De Raad heeft daarbij overwogen dat hem niet is gebleken dat appellant gedurende de gehele beroepstermijn in verband met voornoemde omstandigheden niet in staat was een (voorlopige) beroepschrift in te dienen.

Deze overwegingen acht de Raad thans onvoldoende draagkrachtig. De in artikel 6:7 van de Awb gegeven beroepstermijn van zes weken staat in zijn geheel ter beschikking van de belanghebbende die beroep in wil stellen. Indien in de laatste dagen van de beroepstermijn zich een onvoorziene omstandigheid voordoet en het beroepschrift niet tijdig wordt ingediend, kan niet de enkele omstandigheid dat de belanghebbende heeft gewacht tot de laatste dagen voor de afloop van de beroepstermijn hem worden tegengeworpen door de stellen dat hij niet eerder is overgegaan tot het indienen van een (voorlopig) beroepschrift. Ook in zo’n geval dient te worden bezien of de door de belanghebbende aangevoerde, aan het einde van de beroepstermijn opgekomen omstandigheid voldoende grond biedt om de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar te achten.

De door appellant aangevoerde omstandigheid, in verzet toegelicht, is dat zijn vrouw in de ochtend van 21 juli 2010 – toen het beroepschrift klaar lag om te worden verzonden - onverwacht en met spoed naar het ziekenhuis moest worden gebracht wegens zwangerschapsklachten. Toen daar bleek dat een vroeggeboorte van de tweeling aanstaande was, is zijn vrouw met spoed naar een ander ziekenhuis vervoerd. Daar volgde de geboorte van de tweeling in de vroege ochtend van 22 juli 2010. Appellant heeft met zijn vrouw in dit ziekenhuis verbleven tot de zaterdag (24 juli 2010) erop toen zijn vrouw uit het ziekenhuis werd ontslagen. Op die zaterdag, zo heeft appellant gesteld, heeft hij vervolgens het beroepschrift op de bus gedaan.

De Raad acht deze omstandigheid zodanig van aard dat niet kan worden geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard.

Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 24 september 2010 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Voor een veroordeling in de kosten van het verzet is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature