< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

vervangende toestemming erkenning / verzoek van de vader aangehouden in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

vervangende toestemming tot erkenning

zaak-/rekestnr.: 174377 / FA RK 10-3372

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 3 mei 2011

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. Tijsterman, kantoorhoudende te Hoofddorp,

--tegen--

[naam moeder],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.C. Mens, kantoorhoudende te Hoofddorp.

Het kind wordt vertegenwoordigd door mr. E.W.K. Bosman, bijzondere curator.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 12 oktober 2010;

- de brief, met bijlagen, van de bijzondere curator van 25 november 2010;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de moeder ingekomen op 15 maart 2011;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de moeder, van 15 maart 2011.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 maart 2011 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. M.C. Tijsterman, de moeder door mr. A.C. Mens en mr. E.W.K. Bosman, bijzondere curator.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie op [datum] 2009 in de gemeente [plaats] is geboren het thans nog minderjarige kind:

- [naam minderjarige].

2.2 Bij beschikking van deze rechtbank van 9 november 2010 is mr. E.W.K. Bosman, advocaat te Haarlem, tot bijzondere curator over het kind benoemd.

3 Verzoek

vervangende toestemming erkenning

3.1 Het – ter zitting gewijzigde en gedeeltelijk ingetrokken - verzoek van de man strekt thans tot het verlenen van vervangende toe¬stem¬ming tot erkenning van het kind, als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 Burgerlijk Wetboek .

3.2 De man heeft zijn verzoek gebaseerd op de stelling dat hij de verwekker is van het kind en dat de moeder zonder redelijke grond weigert haar toestemming voor de erkenning van het kind te verlenen. De man heeft aangevoerd dat de erkenning de belangen van de moeder bij een onge¬stoor¬de verhouding met het kind en de belangen van het kind niet zal schaden.

omgangsregeling

3.3 De man heeft tevens verzocht een omgangsregeling vast te stellen.

4 Verweer

De moeder heeft de verzoeken gemotiveerd bestreden.

Zij heeft ter zitting primair verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en subsidiair de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te laten uitvoeren.

5 Beoordeling

5.1 Nu de man zijn verzoek heeft gewijzigd en zijn verzoeken met betrekking tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en de geslachtsnaam van het kind heeft ingetrokken, hoeft hierop niet meer te worden beslist.

vervangende toestemming erkenning

5.2 Op grond van het in artikel 1: 204 lid 3 Burgerlijk Wetboek bepaalde kan de toestemming van de moeder, wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden en de man de verwekker is van het kind.

5.3 Bij een verzoek tot vervangende toestemming komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de wetgever met het scheppen van de wettelijke mogelijkheid van vervangende toestemming in het kader van afstamming heeft beoogd dat meer aansluiting wordt gezocht bij de biologische werkelijkheid. De rechtbank zal het belang en de aanspraak van de man op erkenning afwegen tegen de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en van het kind bij niet-erkenning. Hier wordt als uitgangspunt genomen dat van schade aan de belangen van het kind in de zin van 1:204 lid 3 BW slechts sprake is indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige en sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

5.4 Vaststaat dat de man de biologische vader van het kind is en dat de relatie tussen partijen tijdens de zwangerschap is geëindigd.

5.5 Partijen verschillen van mening over hun relatie, de vraag of zij hebben samengewoond, of de zwangerschap gewenst was, de betrokkenheid van de man bij de zwangerschap en het inrichten van de babykamer. Partijen hebben verschillende verklaringen van vrienden of familie overgelegd om hun standpunten te onderbouwen.

5.6 Vaststaat dat er voor de geboorte van het kind al sprake was van een slechte verstandhouding tussen partijen. De moeder beschuldigt de vader ervan haar woning binnengedrongen te zijn toen zij ongeveer vier maanden zwanger was en heeft geprobeerd haar te wurgen. Daarnaast stelt de moeder dat de man haar heeft mishandeld in de wachtkamer bij de verloskundige en dat de man haar na de geboorte van het kind in het ziekenhuis heeft bedreigd. Uit angst dat de man haar iets zou aandoen, heeft zij pas na de geboorte van het kind aangifte tegen de man gedaan van het incident bij de verloskundige. Als bewijs van haar stelling heeft de moeder proces-verbaal van het verhoor van de man door de politie op 11 maart 2010 overgelegd.

5.7 De moeder is door alles wat er is gebeurd erg bang geworden voor de man. Feitelijk belemmert alles rond deze procedure haar in haar dagelijks functioneren. Zij vreest dat wanneer de man het kind zal erkennen, het kind wordt belemmerd in zijn evenwichtige sociaal psychologische ontwikkeling. Een eventuele omgangsregeling die als gevolg van de erkenning zou worden vastgesteld, zal zoveel angst bij haar veroorzaken dat dit een weerslag zal hebben op het kind, hetgeen niet in zijn belang wordt geacht. De moeder is onder behandeling geweest van een maatschappelijk werker. Zij wil pas vervolg hulpverlening vragen zodra de gezondheid van het kind is verbeterd.

5.8 De man wil graag dat zijn vaderschap komt vast te staan en dat het kind bij de burgerlijke stand als zijn zoon geregistreerd wordt.

De man erkent dat er tijdens de relatie weleens problemen tussen partijen zijn geweest en dat kort na de geboorte van het kind in het ziekenhuis sprake is geweest van ruzie tussen partijen. Omdat hij de situatie niet wilde laten escaleren heeft hij enige tijd geen contact met de moeder opgenomen. De man betwist dat hij de moeder in de wachtkamer van de verloskundige zou hebben geslagen. De man heeft inmiddels in appel ingesteld tegen de beslissing van de politierechter van 2 september 2010 waarbij hij is veroordeeld tot een week voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar. Hij is tevens veroordeeld de moeder een bedrag van € 250 smartengeld te betalen. Hij verwacht dat het appel medio juli 2011 wordt behandeld.

Desgevraagd geeft de man aan niet te begrijpen dat de moeder bang voor hem is geworden. Hij wil graag met haar praten om de problemen op te lossen zodat zij beiden een rol in het leven van het kind kunnen hebben.

5.9 Uit het rapport van de bijzondere curator blijkt dat partijen van mening verschillen over hetgeen zich gedurende en na de relatie tussen hen heeft voorgedaan en dat zij lijnrecht tegenover elkaar staan. De bijzondere curator heeft bij haar advies o.a. een proces-verbaal van aangifte van eenvoudige mishandeling van 15 januari 2010 overgelegd, alsmede een aantal getuigenverhoren door de politie inzake het gestelde huiselijk geweld door de man jegens de moeder.

De bijzondere curator is, ook na hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht, van mening dat nu nog geen beslissing kan worden gegeven op het verzoek vervangende toestemming erkenning en adviseert de rechtbank een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te laten instellen.

5.10 Gelet op de hierboven omschreven tegenstrijdige standpunten van partijen, is de rechtbank met de bijzondere curator van mening dat nog geen beslissing kan worden gegeven. Daarom zal de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken een onderzoek in te stellen naar de vraag of bij toewijzing van het verzoek van de man om vervangende toestemming erkenning de belangen van het kind en/of die van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind zullen worden geschaad.

De rechtbank zal de bijzondere curator, na ontvangst van het rapport, in de gelegenheid stellen een nader advies uit te brengen.

omgangsregeling

5.11 De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen tussen de minderjarige en hem, welke (na een periode van opbouw) uiteindelijk zal leiden tot een zodanige regeling dat het kind een weekend per veertien dagen van zaterdagochtend tot zondagavond bij hem zal verblijven.

De man voert daartoe aan dat de moeder hem al vanaf de geboorte van het kind hem geen omgang met zijn zoon toestaat.

5.12 De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.

5.13 Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staan.

5.14 Met ‘ouder’ wordt bedoeld diegene die van rechtswege of door erkenning of na gerechtelijke vaststelling conform artikel 1:297 BW het juridisch ouderschap heeft verkregen.

5.15 Vaststaat dat de man wel de biologische vader van het kind is, maar niet de juridische vader.

5.16 Personen die niet in een familierechtelijke verwantschapsrelatie tot het kind staan, waaronder de biologische ouder, zullen aan de hand van bepaalde omstandigheden moeten aantonen dat er tussen hen en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat of een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM . Zodanige omstandigheden kunnen gelegen zijn in de met het kind na de geboorte opgebouwde relatie.

5.17 Bij vonnis in kort geding van 7 oktober 2010 is de man niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling. De voorzieningenrechter was daarbij van oordeel dat op grond van de tijdens die procedure naar voren gebrachte standpunten onvoldoende zijn om aan te nemen dat reeds voor de geboorte van het kind een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind is ontstaan. Daarnaast was komen vast te staan dat ook na de geboorte van het kind geen nauwe persoonlijke betrekking is komen vast te staan.

De man heeft in de onderhavige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke betrekking tussen hem en het kind. De rechtbank zal de man daarom niet ontvankelijk verklaren in zijn verzoek om omgang met de minderjarige. De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van dit verzoek aan te houden tot na het onder 5.10 vermelde onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming inzake de erkenning.

6 Beslissing:

De rechtbank:

omgangsregeling

6.1 Wijst het verzoek van de man af.

gerechtelijke vaststelling vaderschap

6.2 Verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te verrichten ter beantwoording van de hierboven onder 5.10 vermelde vraag en de rechtbank ter zake te adviseren.

6.3 Houdt aan de beslissing over de vervangende toestemming tot erkenning aan tot 1 september 2011 PRO FORMA.

6.4 Verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent de stand van zaken en aan te geven wanneer het onderzoek afgerond zal zijn en het rapport aan de rechtbank zal worden verzonden.

6. 5 Bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk op 25 augustus door de rechtbank 2011

ontvangen dient te zijn.

6.6 Bepaalt voorts dat de bijzondere curator na ontvangst van het advies een termijn zal worden gegeven om haar advies aan te vullen.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. van Keken, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes, griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature