< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Winstbelasting / 1998-2000 / Curaçao

Over de inwerkingtreding van de wijziging van de LBIO met ingang van 15 januari 1998 zijn twee zienswijzen mogelijk. De juiste zienswijze komt erop neer dat de wetswijziging geen wijziging brengt in bestaande verhoudingen, maar alleen geldt voor nieuwe gevallen. De Raad baseert zijn oordeel op de volgende overwegingen: Doel en strekking van de LBIO en soortgelijke belastingfaciliteiten die voor een bepaalde periode (in casu tot het jaar 2000) worden verleend om investeringen aan te trekken ter verruiming van de economische basis van het land kunnen alleen effect sorteren indien het land zich opstelt als een betrouwbare partner. Het vorenstaande sluit uiteraard niet uit dat als sprake is van misbruik van geboden faciliteiten het land de geboden vrijstelling tussentijds kan beëindigen. De systematiek van de Landsverordening van 5 december 1997, PB. 1997, no. 301. Dit had anders kunnen zijn als uit de Memorie van Toelichting onomstotelijk zou blijken dat de wetgever die benadering heeft beoogd. De Raad vindt steun in de door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen gevolgde gedragslijn en in de aanschrijving van de Minister van Financiën. De omstandigheid dat deze aanschrijving terugwerkt tot 1 januari 2000 en niet tot 15 januari 1998 kan gelet op de inhoud van deze aanschrijving niet anders betekenen dan dat ook de Minister van Financiën ervan uitging dat de oude faciliteiten ongewijzigd door liepen tot 1 januari 2000. Boete van 25% terecht opgelegd. Belanghebbende heeft haar definitieve aangifte winstbelasting gedaan zonder rekening te houden met de afwijzing van haar verzoek door de Minister van Financiën.

Uitspraak



BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 18 januari 2006, nr. 2004/495-497

1. Het procesverloop:

1.1 Aan belanghebbende zijn op 23 april 2003 naheffingsaanslagen in de winstbelasting opgelegd voor de jaren 1998 tot en met 2000. In deze aanslagen is steeds een verhoging van 25% begrepen. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen tijdig bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft in de uitspraken op de bezwaarschriften de aanslagen gehandhaafd. Belanghebbende heeft vervolgens tijdig beroepschriften bij de Raad ingediend. De Inspecteur heeft vertoogschriften ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd die op alle in geding zijnde aanslagen betrekking heeft. De Raad rekent de pleitnota tot de processtukken.

1.2 Ter zitting van 8 november 2005 te Willemstad zijn namens belanghebbende verschenen de gemachtigde tot bijstand vergezeld door mr. A en namens de Inspecteur mevrouw mr. C.

2. De tussen partijen vaststaande feiten:

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.1 Belanghebbende is op 30 oktober 1959 opgericht. Belanghebbende is bij landsbesluit van 12 maart 1960, nr. 39, aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening ter bevordering industrievestigingen en hotelbouw 1953. Belanghebbende heeft als reeds bestaand bedrijf dat minder dan 90% van haar eindproduct naar het buitenland exporteert op grond van artikel 4 van de Landsverordening belastingfaciliteiten industri ële ondernemingen, PB. 1985, no. 146, (hierna: LBIO) tot en met 1997 van rechtswege het verlaagde tarief voor de winstbelasting genoten over haar exportwinst. Artikel 4 LBIO luidde tot 15 januari 1998:

“Onverminderd het bepaalde in artikel 3 hebben naamloze vennootschappen welke hier te lande zijn opgericht en een industrie, niet zijnde een olie-industrie, uitoefenen waarvan minder dan negentig procent van de eindproducten naar het buitenland wordt geleverd, recht op vrijstelling van winstbelasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder de letter a, over de winst behaald met de levering van de eindproducten van die industrie naar het buitenland over enig boekjaar, tot het jaar 2000.”

Artikel 3 LBIO luidde tot 15 januari 1998:

“Naamloze vennootschappen welke hier te lande zijn opgericht en een industrie, niet zijnde een olie-industrie, uitoefenen hebben recht op vrijstelling van:

1. invoerrechten als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder de letter c, tot het jaar 2000;

2. gebruiksbelasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder de letter e, gedurende het jaar van de ingebruikneming van de bedrijfspercelen en de tien daarop volgende kalenderjaren, doch uiterlijk tot het jaar 2000.”

Artikel 2, eerste lid onder de letter a, luidde:

“1. De bij deze landsverordening geregelde vrijstelling van belastingen betreft vrijstelling van:

a. de winstbelasting op de voet van artikel 15, tweede lid van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (P.B. 1965, no. 58), met dien verstande dat ter zake van winstbelasting een verminderd tarief, als bedoeld in het vijfde lid van het genoemde artikel, wordt geheven, welk tarief met inbegrip van opcenten twee procent over de gerealiseerde winst bedraagt;”

2.2 Naast de in de artikelen 3 en 4 voornoemd geboden faciliteiten, bood de LBIO in de artikelen 5 tot en met 7 nog andere belastingvrijstellingen voor onder meer de winstbelasting. De vrijstellingen van de artikelen 6 en 7, werden op een daartoe strekkend verzoekschrift door de Gouverneur in overleg met het Bestuurscollege verleend.

2.3 De LBIO is bij artikel III van de Landsverordening van 5 december 1997, PB. 1997, no. 301, gewijzigd. De in de LBIO geboden faciliteiten zijn daarbij in hun tot dan bestaande vorm vervallen. De LBIO kent voortaan nog slechts belastingvrijstellingen toe aan nieuwe bedrijven. Wel is in artikel V van de ze Landsverordening nog het volgende bepaald:

“Op schriftelijk verzoek, aan de Gouverneur van de Nederlandse Antillen, van de naamloze vennootschap die op rond van de artikelen 6 en 7 (oud) van de Landsverordening belastingfaciliteiten industri ële ondernemingen na 1991 vrijstelling van belasting is verleend, wordt de termijn in het daartoe strekkende landsbesluit gewijzigd in 2010.”

2.4 In de Memorie van Toelichting bij de Landsverordening van 5 december 1997, PB. 1997, no. 301, blz. 1-2, die in 1992 bij de Staten is ingediend, wordt betoogd dat de faciliteiten van de LBIO, die een verbreding van de economische basis tot doel hadden, een gunstige invloed hebben gehad op de economische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen. Desalniettemin achtte de Regering het wenselijk de belastingfaciliteiten kritisch te evalueren. Daarmee werd beoogd te bewerkstelligen dat, nu de economische situatie sterk verbeterd is, geen overbodige faciliteiten worden verleend en dat voortaan meer dan in het verleden, qua faciliteiten maatwerk aan de potentiële investeerder wordt geboden. Voorts heeft, aldus deze Memorie van Toelichting, het bij de LBIO geïntroduceerde stelsel van rechtstreekse vrijstellingen (zoals het in dit geding aan de orde zijnde artikel 4 LBIO), geleid tot allerlei constructies om zoveel mogelijk belastingvrijstelling te toucheren, waardoor de indruk bestaat dat faciliteiten terechtkomen bij ondernemingen die daar, naar de ratio van de wetgeving, niet voor in aanmerking zouden moeten komen. Ten slotte was tot bedoelde evaluatie van de faciliteitenwetgeving te meer aanleiding, omdat gelet op de in 1985 vastgelegde einddatum voor de belastingvrijstellingen (de aanvang van het kalenderjaar 2000), nog maar acht jaren resteerden. Dit werd niet bevorderlijk geacht voor het acquisitiebeleid dat erop is gericht exportindustrieën aan te trekken. Uit gesprekken met potentiële buitenlandse investeerders was namelijk gebleken dat onder meer royale, langdurige belastingfaciliteiten nodig zijn bij het aantrekken van hoogwaardige exportindustrieën. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in de wijziging van de LBIO. Deze wijziging is in werking getreden met ingang van 15 januari 1998. Over de wijze van inwerkingtreding heeft de wetgever zich niet expliciet uitgelaten.

2.5 Bij aanschrijving van 30 juni 2000, nr. 99/1550/1755, heeft de Minister van Financiën een ‘overgangsregeling’ getroffen voor industriële ondernemingen die van rechtswege recht hadden op belastingfaciliteiten op grond van de artikelen 4 en 5 (oud) van de LBIO . Op grond van deze aanschrijving, die terugwerkt tot 1 januari 2000, konden de exportondernemingen bedoeld in de artikelen 4 en 5 (oud) LBIO onder bepaalde voorwaarden bij landsbesluit na 1 januari 2000 nog in aanmerking komen voor verlenging van de belastingvrijstellingen die van rechtswege reeds zijn toegekend op grond van de artikelen 4 en 5 LBIO (oud). Belanghebbende heeft een dergelijk landsbesluit aangevraagd, doch dat is haar op grond van het feit dat zij reeds meer dan 15 jaar belastingvrijstelling heeft genoten geweigerd.

3. Geschil en standpunten van partijen:

In geschil is de toepassing van het 2% tarief op exportwinsten op basis van artikel 4 (oud) LBIO. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat met ingang van 15 januari 1998 geen recht meer bestaat op de toepassing van rechtswege van genoemd 2% tarief, belanghebbende stelt daarop wel recht te hebben. Zo het gelijk in dezen aan de Inspecteur zou zijn is belanghebbende van mening dat de boete ten onrechte is opgelegd. Ter zitting heeft belanghebbende voor het jaar 2000 niet langer gepersisteerd bij haar standpunt dat zij ook voor het jaar 2000 in aanmerking komt voor het hiervoor genoemde 2% tarief. Zij blijft echter bij haar standpunt dat ook voor dat jaar ten onrechte een boete is opgelegd.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil:

4.1 Over de inwerkingtreding van de wijziging van de LBIO met ingang van 15 januari 1998 zijn, zoals ook uit de over en weer door partijen ingenomen standpunten blijkt, twee zienswijzen mogelijk. De eerste zienswijze, die van de inspecteur, komt erop neer dat belastingplichtigen voor belastbare feiten die plaats vinden na het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving daaraan zijn onderworpen. De tweede zienswijze, die van belanghebbende, komt erop neer dat de wetswijziging geen wijziging brengt in bestaande verhoudingen, maar alleen geldt voor nieuwe gevallen. In casu leidt dat ertoe dat belastingplichtigen die vóór 15 januari 1998 geen beroep hebben gedaan op een van de faciliteiten van de LBIO (oud), na die datum uitsluitend een beroep kunnen doen op de nieuwe faciliteiten.

4.2 De Raad is van oordeel dat de tweede zienswijze juist is. De Raad baseert zijn oordeel op de volgende overwegingen:

4.2.1 Doel en strekking van de LBIO en soortgelijke belastingfaciliteiten die voor een bepaalde periode (in casu tot het jaar 2000) worden verleend om investeringen aan te trekken ter verruiming van de economische basis van het land kunnen alleen effect sorteren indien het land zich opstelt als een betrouwbare partner. Dat wil zeggen een partner die nadat de investeerder de gewenste activiteiten is gaan ontplooien, zijn toezeggingen volledig nakomt. Zou dit niet het geval zijn dan heeft dit onmiskenbaar negatieve gevolgen voor de aantrekkelijkheid van het land bij het door middel van belastingfaciliteiten aantrekken van investeerders. Zulks is door de wetgever blijkens de Memorie van Toelichting, naar het oordeel van de Raad uitdrukkelijk niet beoogd.

4.2.2 Het vorenstaande sluit uiteraard niet uit dat als sprake is van misbruik van geboden faciliteiten, situaties waarin degene die zich op de vrijstelling beroept zich niet overeenkomstig het doel en de strekking daarvan gedraagt, het land de geboden vrijstelling tussentijds kan beëindigen. Een dergelijke ingreep kan naar het oordeel van de Raad echter alleen indien dergelijk misbruik is gesteld en gebleken; in de onderhavige zaak is daarvan geen sprake. Deze benadering is naar het oordeel van de Raad niet in strijd met in de onder 2.4 bedoelde passages uit de Memorie van Toelichting. Daarin wordt als een van de redenen om de LBIO te wijzigen geconstateerd dat sprake is van allerlei constructies om zoveel mogelijk belastingvrijstelling te toucheren, waardoor de indruk bestaat dat faciliteiten terechtkomen bij ondernemingen die daar, naar de ratio van de wetgeving, niet voor in aanmerking zouden moeten komen. In deze passage kan naar het oordeel van de Raad echter niet worden gelezen dat alle belastingplichtigen die van de bedoelde faciliteiten gebruik hebben gemaakt zich van deze constructies bedienden.

4.2.3 De Raad acht ook de systematiek van de Landsverordening van 5 december 1997, PB. 1997, no. 301, niet in strijd met zijn oordeel dat de tweede zienswijze juist is. De eerste zienswijze zou betekenen dat de bepaling van de belastbare winst voor het kalenderjaar 1998 zou moeten worden geknipt in winst behaald in de periode van 1 januari tot 15 januari 1998 waarop de faciliteit van toepassing is en in winst behaald in de periode van 15 januari tot en met 31 december 1998 waarop de faciliteit niet van toepassing zou zijn. Een dergelijke benadering is uitvoeringstechnisch zodanig gecompliceerd dat de Raad deze alleen als juist zou aanvaarden als uit de Memorie van Toelichting onomstotelijk zou blijken dat de wetgever die benadering heeft beoogd. Aan artikel V van de ze landsverordening (welke bepaling de Inspecteur naar het oordeel van de Raad ten onrechte kwalificeert als overgangsregeling, nu deze een verlenging van de faciliteiten van de artikelen 6 en 7 LBIO (oud) tot na 1 januari 2000 behelst) kan de Raad geen argument ontlenen voor de eerste zienswijze.

4.2.4 De Raad vindt steun voor zijn oordeel in de door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen gevolgde gedragslijn. Naar belanghebbende heeft gesteld en door de Inspecteur niet dan wel onvoldoende is weersproken heeft de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen de tweede zienswijze gevolgd.

4.2.5 Ten slotte vindt de Raad steun voor zijn oordeel in de onder 2.5 genoemde aanschrijving van de Minister van Financiën. De omstandigheid dat deze aanschrijving terugwerkt tot 1 januari 2000 en niet tot 15 januari 1998 kan gelet op de inhoud van deze aanschrijving niet anders betekenen dan dat ook de Minister van Financiën ervan uitging dat de oude faciliteiten ongewijzigd door liepen tot 1 januari 2000.

4.3 Het vorenstaande leidt ertoe dat het gelijk wat betreft de toepasselijkheid van de belastingfaciliteit van artikel 4 LBIO (oud) voor de kalenderjaren 1998 en 1999 aan belanghebbende is.

4.4 Wat betreft de haar bij de naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2000 opgelegde boete van 25% heeft belanghebbende haar eerder gevoerde verweer dat sprake was van een pleitbaar standpunt verlaten. Nu belanghebbende haar definitieve aangifte winstbelasting voor het jaar 2000 heeft gedaan terwijl zij wist (de Minister van Financiën heeft het verzoek van belanghebbende om in aanmerking te komen voor verlenging van de faciliteiten op 8 september 2000 afgewezen) dat zij geen recht op faciliteiten kon doen gelden, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het niet aan opzet of schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De Raad acht de opgelegde boete passend en geboden.

4.5 Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing:

De Raad verklaart de beroepen wat betreft de naheffingsaanslagen winstbelasting over de jaren 1998 en 1999 gegrond en vernietigt deze naheffingsaanslagen. De Raad verklaart het beroep wat betreft de naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2000 ongegrond.

mrs. Drop, Groeneveld en Overgaauw


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature