< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Tijdelijke intrekking van de keuringsbevoegdheid van een erkend garagebedrijf. Toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een enkele telefoonnotitie – in het licht van de ter zitting geponeerde stelling van verzoeker dat hij het rapport van bevindingen niet de dag van het onderzoek, maar op een later tijdstip, heeft ontvangen en gelezen - onvoldoende onderbouwing biedt voor de stelling van verweerder dat tijdens het onderzoek ter sprake is gekomen dat het stuurhuis niet aan het chassisraam vastzat. Van verweerder mocht worden verwacht een aanvullend proces-verbaal in geding te brengen van de verklaringen van de inspecteurs. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het rapport van bevindingen niet is ondertekend door verzoeker en gesteld noch gebleken is dat verzoeker daartoe niet bereid is geweest.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11- 687

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen:

De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2010, heeft verweerder aan eiser de verleende keuringsbevoegdheid voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorvoertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor de duur van 12 weken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 februari 2011, verzonden op 3 februari 2011, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroep ingesteld en heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 februari 2011, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door F.G.H. Frielink.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Op 12 augustus 2010 is het voertuig met het kenteken [nummer] door verzoeker gekeurd. Op dezelfde dag is een keuringsbewijs voor dit voertuig afgegeven. Enige tijd later heeft de nieuwe eigenaar van het voertuig bezwaar gemaakt tegen de afgifte van het keuringsbewijs. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft er op 1 oktober 2010 een deskundigenonderzoek naar het betreffende voertuig plaatsgevonden. Van dat onderzoek is een rapport van bevindingen opgemaakt. Blijkens de inhoud van dat rapport zijn tijdens het deskundigenonderzoek de volgende gebreken aan het betreffende voertuig vastgesteld:

1) Volledig dragend chassis vervaardigd uit plaatmateriaal met een dikte van meer dan 2 mm. Laatste draagbalk rechtsachter: diktevermindering meer dan 30 % (balk is ter plaatse geroest).

2) Uitlaatpijp vertoont lekkage, achterste deel uitlaat afgebroken.

3) Stuurhuis zit niet deugdelijk vast aan het chassisraam.

Bij het deskundigenonderzoek hebben de betrokken inspecteurs tevens vastgesteld dat punt 2 ten aanzien van de breuk aan het achterste deel van de uitlaat, na 12 augustus 2010 kan zijn ontstaan. Van de overige punten hebben zij vastgesteld dat deze gebreken wel reeds op 12 augustus 2010 aanwezig waren.

2.3 Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat in het kader van de uitvoering van het toezicht op de APK-keuringsbevoegdheid op 1 oktober 2010 tijdens het deskundigenonderzoek op het voertuig met het kenteken [nummer] een overtreding categorie III geconstateerd is. Vastgesteld is dat de cusumstand 10 is overschreden en derhalve artikel 37 van de Regeling Erkenning en keuringsbevoegdheid APK (hierna: de Regeling) is overtreden. Mede gelet op het feit dat er in de afgelopen 30 maanden al eerder een overtreding categorie III (kenmerk [nummer] van 22 september 2010) is geconstateerd en dat de huidige overtreding wederom een overtreding categorie III is, heeft verweerder besloten de keuringsbevoegdheid van verzoeker voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg per 11 november 2010 voor 12 weken in te trekken.

2.4 Verzoeker heeft aangevoerd dat artikel 8:4, aanhef en onder f, van de Awb niet op juiste wijze is toegepast. Verder heeft verzoeker de inhoud van het rapport van bevindingen betwist. Zo heeft hij betwist dat de tijdens het deskundigenonderzoek geconstateerde lekkage aan de uitlaatklep reeds tijdens de APK-keuring aanwezig was. Het is volgens hem mogelijk dat er nadien één of enkele roestplakkaten afgevallen zijn, waardoor de lekkage in de uitlaatpijp is ontstaan. Gezien de structuur van de uitlaatpijp is niet meer te bepalen op welk moment deze lekkage is ontstaan. Indien deze lekkage al tijdens de APK-keuring aanwezig was, dan had verzoeker dit gebrek naar zijn zeggen direct verholpen. Verzoeker heeft tevens betwist dat het stuurhuis niet deugdelijk vastzat aan het chassisraam. Volgens verzoeker is hij tijdens het deskundigenonderzoek slechts gewezen op een gebrek aan het hulpstuurhuis en niet op een gebrek aan het stuurhuis. Er was bij dat onderdeel wel sprake van enige speling aan de pitman arm (onderdeel van het hulpstuurhuis), maar die speling overschreed volgens hem de tolerantie niet. Daarbij komt dat is nagelaten om de speling op te meten, wat volgens de voorgeschreven procedure wel had dienen te gebeuren. Verzoeker heeft tevens aangevoerd dat de nieuwe eigenaar, naar hij heeft vernomen, om allerlei andere dan technische redenen teleurgesteld was in dit voertuig, en de koop wenste te ontbinden. Gelet hierop had de nieuwe eigenaar er dan ook alle belang bij om de bout van de pitman arm los te draaien. Of dit daadwerkelijk is gebeurd, weet verzoeker niet. Ook heeft verzoeker aangevoerd dat het voertuig in de periode tussen de APK-keuring en het deskundigenonderzoek minstens eenmaal bij derden op de brug heeft gestaan. Dit betekent volgens verzoeker dat ook daar de geconstateerde gebreken zouden kunnen zijn ontstaan.

2.5 Ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 wordt een keuringsbewijs door degene die ingevolge artikel 78 met de afgifte van keuringsrapporten is belast, afgegeven op aanvraag en tegen betaling op de door deze vastgestelde wijze van het door deze vastgestelde tarief indien het motorrijtuig of de aanhangwagen heeft voldaan aan de eisen die ingevolge artikel 71 voor wat betreft bouw, inrichting en staat van onderhoud aan dat voertuig worden gesteld, voor zover deze eisen niet ingevolge het tweede lid buiten toepassing blijven.

Ingevolge artikel 76, derde lid, van de WVW 1994 kunnen bij ministeri ële regeling regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop wordt onderzocht of een voertuig voldoet aan de in artikel 75 bedoelde eisen, alsmede omtrent hetgeen verder met betrekking tot de behandeling van de aanvraag van een keuringsrapport noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 87a, tweede lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer een bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen onder meer indien degene aan wie de bevoegdheid is verleend in strijd met de regel bedoeld in artikel 76, derde lid, een voertuig aan een onderzoek onderwerpt.

Ingevolge artikel 91, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs bezwaar maken of administratief beroep instellen bij de Dienst Wegverkeer.

Ingevolge artikel 91, vijfde lid, wordt degene die de beschikking tot afgifte van het keuringsbewijs heeft gegeven in de gelegenheid gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn.

Ingevolge artikel 91, zesde lid, voor zover thans van belang, verklaart de Dienst Wegverkeer, indien het voertuig volgens het oordeel van de deskundige ten tijde van de keuring, op grond waarvan het keuringsbewijs is afgegeven, redelijkerwijze niet aan de keuringseisen kan hebben voldaan, daarbij in het bijzonder gelet op de termijn die is verstreken tussen de keuring en het onderzoek, het voor het voertuig afgegeven keuringsbewijs alsnog ongeldig.

Ingevolge artikel 37, lid 1, van de Regeling kan de Dienst Wegverkeer in het kader van het toezicht op de erkenninghouder of de keurmeester een systeem van bonus- en strafpunten vaststellen.

Ingevolge artikel 5, onder a, van het Cusumsysteem Keurmeester-APK wordt een procedure tot intrekking van de keuringsbevoegdheid begonnen indien de cusumstand 10 wordt bereikt.

In de Toezichtsbeleidsbrief Erkenninghouders RDW welke van kracht is sinds 1 juni 2008 (hierna: de Toezichtsbeleidsbrief) heeft verweerder zijn beleid met betrekking tot het toezicht op de APK-erkenninghouders en het opleggen van sancties neergelegd. Dit beleid behelst een gedifferentieerd systeem van in ernst en gewicht oplopende overtredingen met daaraan gekoppelde, in zwaarte oplopende maatregelen. De hoogte van een sanctie wordt in beginsel bepaald door de categorie waarin een overtreding wordt ingedeeld en de hoeveelheid van overtredingen in een bepaalde periode. De zwaarste categorie is IV.

2.6 In artikel 8:4 aanhef en onder f, van de Awb is bepaald dat tegen een technische beoordeling van een voertuig geen beroep kan worden ingesteld. Het artikel verzet zich echter niet tegen een beoordeling door de bestuursrechter van het sanctiebesluit tot intrekking van een erkenning voor het verrichten van APK-keuringen, omdat het daarbij niet zozeer gaat om (het inhoudelijke resultaat van) een technische beoordeling van een voertuig als zodanig, maar om de (procedurele) wijze waarop deze beoordeling heeft plaatsgevonden en om de vraag of daarbij de juiste criteria zijn gehanteerd. De in geschil zijnde gebreken, te weten de lekkage aan de uitlaatklep en het van het chassisraam loszittend stuurhuis, zullen dan ook in dat licht worden beoordeeld.

2.7 De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de stelling van verzoeker dat het voertuig in de periode tussen de APK-keuring en het deskundigenonderzoek minstens eenmaal bij derden op de brug heeft gestaan en de geconstateerde gebreken daardoor zouden kunnen zijn ontstaan, als onvoldoende aannemelijk van de hand dient te worden gewezen. Verzoeker heeft hier namelijk geen enkele nader bewijs voor geleverd.

2.8 Ten aanzien van de geconstateerde lekkage aan de uitlaatklep overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gelet op de inhoud van het rapport van bevindingen is door de inspecteurs het bepaalde in artikel 92, zesde lid, van de WVW 1994 als uitgangspunt genomen. De inspecteurs hebben namelijk beoordeeld of het voertuig redelijkerwijs ten tijde van de keuring op grond waarvan het keuringsbewijs is afgegeven, in het bijzonder gelet op de termijn die is verstreken tussen de keuring en het deskundigenonderzoek, aan de keuringseisen kan hebben voldaan. Zij hebben vastgesteld dat blijkens de fysieke toestand van de uitlaatpijp ter plaatse van de lekkage en het kleine verschil in de kilometerstand tijdens het onderzoek en tijdens de keuring niet anders kan worden geconcludeerd dan dat dit (gebrek) op 12 augustus 2010 ook al het geval was. Door verzoeker is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beoordeling op dit onderdeel op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden en daarbij onjuiste criteria zijn gehanteerd. Gelet op het voorgaande en de specifieke deskundigheid en ervaring van de inspecteurs, is er voor wat betreft dit onderdeel geen reden te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van het rapport van bevindingen. Het betoog van verzoeker treft derhalve geen doel.

2.9 Met betrekking tot de constateringen aan het stuurhuis dient vooropgesteld te worden dat aan verzoeker slechts een gebrek aan het stuurhuis is tegengeworpen. Dat er geen sprake was van een gebrek aan het hulpstuurhuis, heeft verweerder ter zitting namelijk beaamd. Als niet ter zake doende behoeven de stellingen van verzoeker in de meest ruime zin over de speling aan de pitman arm (onderdeel van het hulpstuurhuis) dan ook geen bespreking meer.

2.10 Onverlet het vorenstaande dient nog te worden ingegaan op de stelling van verzoeker dat hij tijdens het deskundigenonderzoek niet is gewezen op een gebrek aan het stuurhuis, doch alleen is gewezen op een gebrek aan het hulpstuurhuis. Ingevolge het bepaalde in artikel 91, vijfde lid van de WVW 1994 , dient degene die de beschikking heeft gegeven in de gelegenheid te worden gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat de achterliggende gedachte achter deze bepaling is dat degene die de beschikking heeft afgegeven, de gelegenheid krijgt om zelf na te gaan of het onderzoek op juiste wijze geschiedt en daarbij de juiste criteria worden gehanteerd. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat van belang is of verzoeker tijdens het onderzoek is gewezen op het gestelde gebrek aan het stuurhuis. Verweerder heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de inspecteurs geconstateerd hebben dat er sprake was van een gebrek aan het stuurhuis en dus niet aan hulpstuurhuis. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder een telefoonnotitie overgelegd van het onderhoud d.d. 23 februari 2011 met de desbetreffende inspecteurs. In de telefoonnotitie is opgenomen dat deze rapporteurs beiden hebben medegedeeld dat geconstateerd is dat het stuurhuis op het moment van het onderzoek los zat van het chassisraam. Eén van de inspecteurs heeft daartoe nog meegedeeld dat er geen sprake was van een gebrek aan het hulpstuurhuis en dat verzoeker op verschillende momenten de mogelijkheid heeft gehad voor het geven van tegengas. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een enkele telefoonnotitie – in het licht van de ter zitting geponeerde stelling van verzoeker dat hij het rapport van bevindingen niet de dag van het onderzoek, maar op een later tijdstip, heeft ontvangen en gelezen - onvoldoende onderbouwing biedt van de stelling van verweerder dat tijdens het onderzoek ter sprake is gekomen dat het stuurhuis niet aan het chassisraam vastzat. Van verweerder mocht worden verwacht een aanvullend proces-verbaal in geding te brengen van de verklaringen van de inspecteurs. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het rapport van bevindingen niet is ondertekend door verzoeker en gesteld noch gebleken is dat verzoeker daartoe niet bereid is geweest.

2.11 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het oppurtuun de nadere bewijsvoering van de kant van verweerder in te brengen in de bodemprocedure. Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld een proces-verbaal over te leggen van de verklaringen van de inspecteurs, waarna verzoeker in de gelegenheid zal worden gesteld om daarop te reageren. Bij de huidige stand van zaken kan niet worden uitgesloten dat het gebrek aan het stuurhuis ten onrechte aan verzoeker is tegengeworpen en in het verlengde daarvan dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Verweerder heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak namelijk toegelicht dat er bij het wegvallen van dit onderdeel van het besluit geen grond meer is voor het opleggen van de sanctie, omdat in dat geval de cusumstand niet de norm van 10 overschrijdt. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande voldoende aanleiding om tot toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening over te gaan en het bestreden besluit te schorsen.

2.12 Nu het verzoek zal worden toegewezen, dient in deze zaak het griffierecht aan verzoeker te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekster, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst;

3.2 veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op € 874,-;

3.3 bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ad € 152,- volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kubicz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature