< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Vaststelling bedrag wat op mindering wordt gebracht op de verleende bijstand. Gebleken is dat de zus van appellant de maandelijks verzekeringspremie en de motorrijtuigenbelasting voor de auto van appellant betaalt, zodat het bedrag dat als inkomen van appellant op de bijstandsnorm in mindering moet worden gebracht, inclusief de door de zus betaalde leasekosten.

Uitspraak



09/2226 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2009, 08/2413 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.H.A. Mo-Ajok, juridisch adviseur te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 april 2011, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij uitspraak van 8 september 2009, LJN BJ8609, heeft de Raad geoordeeld dat het College de bedragen die de zus van appellant maandelijks aan een leasebedrijf betaalde voor het leasen door appellant van een door hem gebruikte luxe personenauto, terecht heeft aangemerkt als inkomsten van appellant in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), welke met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WWB , in mindering moeten worden gebracht op de voor appellant toepasselijke bijstandsnorm. Het ging daarbij om een maandelijks bedrag aan leasekosten van

€ 299,35.

1.2. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het College bepaald dat met ingang van 1 januari 2008 op de verleende bijstand een bedrag van € 473,14 in mindering wordt gebracht.

1.3. Bij besluit van 15 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College het standpunt ingenomen dat gebleken is dat de zus van appellant ook maandelijks de verzekeringspremie (€ 85,79) en de motorrijtuigenbelasting (€ 88,--) voor de auto van appellant betaalt, zodat het bedrag dat als inkomen van appellant op de bijstandsnorm in mindering moet worden gebracht, inclusief de door de zus betaalde leasekosten van € 299,35, totaal € 473,14 bedraagt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de vraag of de door de zus van appellant betaalde maandelijkse kosten ten bedrage van € 473,14 dienen te worden aangemerkt als inkomen van appellant in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB , heeft de Raad geen aanleiding gevonden tot een ander oordeel te komen dan in zijn onder 1.1 genoemde uitspraak. De Raad verwijst in dit verband naar de overwegingen onder 4.4 tot en met 4.6 van die uitspraak.

Daarbij merkt de Raad op dat de betalingen van de verzekeringspremie van de auto en de wegenbelasting door de zus van appellant geen ander karakter hebben dan de betalingen waarover in vorengenoemde uitspraak reeds is geoordeeld.

4.2. De Raad deelt voorts de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven onder 2.3.3 en 2.3.4 van de aangevallen uitspraak, met betrekking tot het belang dat in het kader van de onderhavige wetstoepassing dient te worden toegekend aan de overeenkomst van geldlening van 16 januari 2005, de daarop volgende aanmaningsbrieven van de zus van appellant en de akte van cessie van 27 maart 2008. De Raad is van oordeel dat, voor zover uit die bescheiden al zou voortvloeien dat sprake is van een reële schuld van appellant, in elk geval niet is aangetoond dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Gebleken is dat appellant eind maart 2008 nog niet met het aflossen van de beweerde schuld was begonnen. Ook aan de akte van cessie kan niet de betekenis worden gehecht die appellant daaraan toekent. De Raad merkt in dit verband op dat die akte eerst tot stand is gekomen na afloop van de hier ter beoordeling voorliggende periode, die loopt van 1 januari 2008 tot en met 8 januari 2008, de datum van het primaire besluit.

4.3. Met betrekking tot de grond van appellant dat zijn vermogen negatief is gebleven, wijst de Raad er op dat het hier uitsluitend gaat om de vaststelling van het op de bijstandsnorm in mindering te brengen (maandelijkse) inkomen van appellant en dat het vermogen van appellant hierbij geen rol van betekenis speelt.

4.4. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature