< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verweerder had gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 64, tweede lid, van de WW om zelf de dag van opzegging te bepalen op de dag waarop naar zijn oordeel redelijkerwijs had moeten worden opgezegd. Deze aanwijzingsbevoegdheid is immers (onder meer) bedoeld voor situaties zoals de onderhavige waar (rechtsgeldige) opzegging geheel achterwege is gebleven. Vervolgens dient zich de vraag aan of de gegevens die eiser bij zijn aanvraag heeft overgelegd verweerder hadden moeten bewegen om nader onderzoek te doen naar de gestelde betalingsonmacht.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4570 WW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te Verenigde Staten

eiser,

gemachtigde mr. A. Öntas,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Tiemersma.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen inzake de overname van betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) van het bedrijf Technologies Europe BV (hierna: het bedrijf), waarvoor eiser werkzaamheden heeft verricht. Tevens ligt in dit besluit een afwijzing van het verzoek om herziening van een eerdere afwijzende beslissing besloten.

Bij besluit van 7 juli 2009, verzonden op 31 augustus 2009, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2011.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Tussen eiser en het bedrijf is op 1 februari 2002 een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan eiser werkzaamheden heeft verricht die hij maandelijks bij het bedrijf factureerde. Over de maanden mei en juni 2002 heeft eiser in totaal een bedrag van $19.814 (inclusief BTW) in rekening gebracht bij het bedrijf. Omdat betaling van dit gefactureerde bedrag uitbleef heeft eiser het bedrijf gedagvaard. In die dagvaarding heeft eiser het standpunt verkondigd dat tussen hem en het bedrijf een arbeidsverhouding op grond van artikel 1, sub b, tweede onderdeel, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) bestaat en betaling gevorderd van het achterstallige loon over de maanden mei en juni 2002 en tevens van het loon vanaf 7 juli 2002 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd. Bij vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2005 is het bedrijf conform eisers verzoek bij verstek hiertoe veroordeeld. In opdracht van eiser heeft de deurwaarder vervolgens tevergeefs getracht het vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2005 te executeren.

1.2. Eerder, te weten op 5 juli 2003, heeft de statutair directeur van het bedrijf - [directeur] - een faillissementsaanvraag van het bedrijf bij de rechtbank ingediend. Eisers vordering heeft bij deze aanvraag als steunvordering gediend. Op 29 juli 2003 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen en ook het hoger beroep bij het Gerechtshof te Amsterdam heeft niet geleid tot een faillietverklaring van het bedrijf.

1.3. Op 14 juni 2005 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend terzake van de overname van de betalingsverplichtingen van het bedrijf op grond van hoofdstuk IV van de WW. Eiser heeft voor de omvang van zijn aanspraak op loon verwezen naar het vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2005.

1.4. Bij besluit van 28 september 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat volgens verweerder in het geval van het bedrijf geen sprake is van betalingsonmacht, maar van betalingsonwil. Eisers bezwaar hiertegen heeft verweerder bij de beslissing op bezwaar van 19 januari 2006 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen beroep ingesteld, zodat dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden.

1.5. Op 25 februari 2009 heeft eiser opnieuw bij verweerder een aanvraag ingediend terzake van de overname van de betalingsverplichtingen van het bedrijf op grond van hoofdstuk IV van de WW. De aanvraag diende niet alleen als een verzoek om herziening van het besluit van 28 september 2005, maar tevens als een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een uitkering wegens betalingsonmacht. Bij zijn aanvraag heeft eiser ter onderbouwing van zijn standpunt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de afwijzing van 28 september 2005 de volgende documenten overgelegd:

- Een brief van de deurwaarder van 5 maart 2008 waarin deze aangeeft dat er geen verhaalsmogelijkheden zijn gevonden en dat daarnaast zonder succes derdenbeslag is gelegd bij de ABN AMRO bank.

- Een brief van de ABN AMRO bank van 3 maart 2008 waarin staat dat op het moment van beslaglegging uitsluitend rekeningen van het bedrijf bestonden met een debetpositie.

- Een brief van de Kamer van Koophandel van 1 december 2008 waarin staat dat de inschrijving van het bedrijf op 12 augustus 2008 door de Kamer van Koophandel ambtshalve is doorgehaald, dat een onderzoek is gestart naar de mogelijkheden tot ambtshalve ontbinding van het bedrijf en ten slotte dat bij ongewijzigde omstandigheden in de loop van 2009 het voornemen tot ontbinding van het bedrijf kenbaar zal worden gemaakt.

1.6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, nader aangevuld in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat in dit geval moet worden aangetoond of in het jaar 2002 sprake was van betalingsonmacht van het bedrijf. De gegevens die eiser naar voren heeft gebracht zijn weliswaar nieuw, maar hebben betrekking op een latere periode, te weten op het jaar 2008. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijkt dat nieuwe gegevens die betrekking hebben op een andere periode dan de periode waarop de (herhaalde) aanvraag betrekking heeft geen nova in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen vormen. Verweerder heeft in dat kader verwezen naar de uitspraken van de CRvB van 23 november 2004 en van 21 december 2004, beide gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummers: AR6217 en AR8680. Ook indien de aanvraag van eiser moet worden aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 28 september 2005, leidt dit aldus verweerder tot hetzelfde oordeel, nu er geen sprake is van nieuwe feiten die tot herziening van dit besluit moeten leiden. Het bezwaar is daarom terecht ongegrond verklaard.

1.7. Eiser heeft zich in beroep gemotiveerd tegen dit besluit gekeerd.

2. Oordeel van de rechtbank

2.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet alleen een beslissing heeft genomen op eisers bezwaren voor zover gericht tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek (deelbesluit I), maar tevens heeft beslist op de bezwaren van eiser die gericht zijn tegen de afwijzing van de nieuwe herhaalde aanvraag (deelbesluit II)

Deelbesluit I

2.2 Voor zover de aanvraag van eiser van 25 februari 2009 een verzoek om herziening behelst van het besluit van 28 september 2005, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat dit verzoek niet slaagt. Terecht heeft verweerder onder verwijzing naar de door hem onder rechtsoverweging 1.6 aangehaalde rechtspraak van de CRvB gesteld dat de gegevens die eiser bij zijn aanvraag van 25 februari 2009 heeft overgelegd betrekking hebben op het jaar 2008 en daarom niet als nieuwe gegevens kunnen worden aangemerkt die aantonen dat het bedrijf in 2002 verkeerde in een situatie van betalingsonmacht. Verweerder heeft het verzoek om herziening dan ook op goede gronden afgewezen. Het bestreden besluit kan derhalve in zoverre in rechte standhouden. Het beroep gericht tegen deelbesluit I zal daarom ongegrond worden verklaard.

Deelbesluit II

2.3. Voor zover de aanvraag van 25 februari 2009 een nieuwe herhaalde aanvraag behelst, overweegt de rechtbank het volgende.

2.4. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

2.5. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB ligt het na een afwijzende beslissing in geval van een nieuwe aanvraag met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor de uitkering in aanmerking te komen.

2.6. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de rechtbank staat dit vast, dat eiser bij zijn aanvraag van 25 februari 2009 nieuwe gegevens heeft verstrekt ten aanzien van zijn stelling dat het bedrijf verkeerde in een situatie van betalingsonmacht. De gegevens die zijn opgesomd in rechtsoverweging 1.5 dateren uit de periode van maart 2008 tot begin december 2008. Beoordeeld dient te worden of deze gegevens verweerder aanleiding hadden moeten geven de aanvraag van 25 februari 2009 inhoudelijk te beoordelen.

2.7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze gegevens niet tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag hadden hoeven leiden, omdat de periode waarover eiser een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW heeft verzocht in 2002 ligt en de aangedragen nieuwe gegevens dus ook in het geval van een nieuwe aanvraag betrekking moeten hebben op die zelfde periode. De gegevens gaan echter over 2008.

2.8. Eiser kan zich niet verenigen met de opvatting van verweerder en heeft hiertegen aangevoerd dat de tussen hem en het bedrijf bestaande overeenkomst tot op heden niet rechtsgeldig is beëindigd. Gelet hierop had verweerder eerst een fictieve datum moeten vaststellen waarop de overeenkomst zou worden beëindigd. Pas na het vaststellen van deze fictieve einddatum had verweerder kunnen beoordelen of eiser recht had op een uitkering over de periode van de opzegtermijn en over de drie maanden voorafgaand aan deze fictieve opzegging. Volgens eiser had hem die uitkering ook verstrekt moeten worden omdat hij, zoals blijkt uit de bij zijn aanvraag van 25 februari 2009 overgelegde stukken ook na de afwijzing van 28 september 2005 al hetgeen heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om zijn vordering te verhalen.

2.9. Ingevolge artikel 61 van de WW heeft een werknemer recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.

2.10. In artikel 64, eerste lid, van de WW omvat het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk:

a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:

1°. de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;

2°. de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;

3°. de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of

4°. de dag van opzegging van de dienstbetrekking;

b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en

c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, geldt dat het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen redelijkerwijs had moeten worden beëindigd of opgezegd, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is beëindigd of opgezegd.

2.11. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2005 volgt dat de overeenkomst tussen partijen op die datum (nog) niet rechtsgeldig was beëindigd. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat de overeenkomst inmiddels wel rechtsgeldig is beëindigd. Verweerder heeft daaromtrent niets gesteld en daarnaar ook geen onderzoek gedaan. Het doorlopen van de overeenkomst is door verweerder vooralsnog derhalve niet gemotiveerd betwist. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser onbetwist heeft gesteld dat hij zich tot op de dag van vandaag beschikbaar heeft gesteld voor werk bij het bedrijf. Gelet op deze omstandigheden lag het in de rede dat verweerder gebruik zou maken van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 64, tweede lid, van de WW om zelf de dag van opzegging te bepalen op de dag waarop naar zijn oordeel redelijkerwijs had moeten worden opgezegd. Deze aanwijzingsbevoegdheid is immers (onder meer) bedoeld voor situaties zoals de onderhavige waar (rechtsgeldige) opzegging geheel achterwege is gebleven.

2.12. Vervolgens dient zich de vraag aan of de gegevens die eiser bij zijn aanvraag van 25 februari 2009 heeft overgelegd verweerder hadden moeten bewegen om nader onderzoek te doen naar de gestelde betalingsonmacht in 2008. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 13 april 1999, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AA8624, overwogen dat het, gezien het karakter van de in hoofdstuk IV van de WW opgenomen regeling, in eerste instantie aan de werknemer is om aannemelijk te maken dat zijn werkgever in een blijvende toestand verkeert van opgehouden hebben te betalen. Dit uitgangspunt ontslaat UWV echter niet van de verplichting om, indien de door de werknemer verstrekte gegevens wijzen in de richting van betalingsonmacht, zelf zonodig aanvullend onderzoek te doen om daarover helderheid te verkrijgen.

2.13. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde gegevens (zie rechtsoverweging 1.5) meer dan een begin van een bewijs van betalingsonmacht heeft geleverd. In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn afwijzing van 28 september 2005 als een van de redenen om op grond van hoofdstuk IV van de WW voor een uitkering in aanmerking te komen noemt de situatie dat de werkgever spoorloos is verdwenen. Niet valt in te zien hoe deze situatie afwijkt van de onderhavige situatie, waarin het bedrijf spoorloos is verdwenen en de inschrijving inmiddels zelfs ambtshalve is doorgehaald door de Kamer van Koophandel.

2.14. De rechtbank komt gelet op voorgaande feiten en omstandigheden tot de slotsom dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit voor zover het ziet op de afwijzing van de aanvraag van 25 februari 2009 op onzorgvuldige wijze te werk is gegaan. Het bestreden besluit, voor zover het ziet op deelbesluit II is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen en komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep hiertegen zal gegrond worden verklaard. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.15. Nu het beroep tegen het bestreden besluit (gedeeltelijk) gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zoals neergelegd in het dictum. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb , dient verweerder tevens het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

2.16. Ten slotte kan in dit stadium van de procedure het bestaan van en de omvang van schade terzake van de gederfde wettelijke rente, waar eiser om heeft verzocht, nog niet worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het daarom in de rede dat verweerder bij zijn nadere besluit tevens een beslissing neemt over de vraag of en, zo ja, in hoeverre aan eiser schadevergoeding toekomt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het deelbesluit I ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het deelbesluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen deelbesluit II met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, voorzitter,

mrs. A.J. Van Putten en C.H. Rombouts, leden,

in aanwezigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature