< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Schijn van afhankelijkheid; hypothecaire lening op persoonlijke titel bij opdrachtgever

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1181 en 09/1318 17 mei 2011

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaken van:

[klager], te [S] (hierna: klager),

en

[betrokkene], te [R] (hierna: betrokkene),

gemachtigde: mr. B. van Leeuwen, advocaat te Goes,

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 24 augustus 2009.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 24 augustus 2009, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 22 augustus 2008 door klager ingediend tegen betrokkene.

Bij brief van 7 september 2009 heeft klager tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 09/1181.

Bij brief van 20 oktober 2009 heeft betrokkene eveneens beroep ingesteld bij het College. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 09/1318.

De raad van tucht heeft bij brief van 8 oktober 2009 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brieven van 10 september 2009 en 4 november 2009 heeft klager de gronden van zijn beroep aangevuld en nader onderbouwd.

Bij brief van 23 december 2009 heeft betrokkene de gronden van zijn beroep aangevuld en nader gemotiveerd.

Bij brief van 6 maart 2010 heeft klager daarop gereageerd.

Op 22 februari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Klager is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Betrokkene is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. M.W. Renes, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en betrokkene de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep van klager (AWB 09/1181)

3.1 Klager heeft in beroep – samengevat – aangevoerd dat de tuchtbeslissing geen recht doet aan de door hem geformuleerde klachten.

3.2 Voordat het College aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep van klager kan toekomen, dient het te beoordelen of klagers beroep ontvankelijk is, nu betrokkene heeft aangevoerd dat klager niet in zijn beroep kan worden ontvangen, omdat hij niet een met redenen omkleed beroepschrift heeft ingediend. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Een beroep tegen een beslissing van de raad van tucht moet worden ingesteld bij een met redenen omkleed beroepschrift. Dit beroepschrift is niet aan enig vormvereiste gebonden en kan derhalve vormvrij worden ingediend. Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie de uitspraak van 17 februari 2004, AWB 03/202 en 03/203, www.rechtspraak.nl, LJN: AO4698) is voor een ontvankelijk beroepschrift reeds voldoende dat daaruit blijkt waarom degene die in beroep komt het niet met de tuchtbeslissing eens is. Het aanvullend beroepschrift van klager van 10 september 2009 voldoet naar het oordeel van het College aan deze voorwaarde. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het beroep van klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.3 Wat de inhoud van klagers beroep betreft, overweegt het College als volgt. Het College volgt de raad van tucht in zijn oordeel dat klager zijn standpunt over de handelwijze van betrokkene, waarop de ongegrond verklaarde klachtonderdelen zijn gebaseerd, niet aannemelijk heeft gemaakt. Klager baseert zijn standpunt dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld op een interpretatie van de feiten en omstandigheden welke betrokkene voor de raad van tucht gemotiveerd heeft betwist. Klager heeft, ook in beroep bij het College, geen enkel feit aangevoerd of concreet stuk overgelegd waaruit de juistheid van zijn standpunt blijkt.

3.4 Het beroep van klager dient dan ook te worden verworpen.

3.5 De in rubriek 5 van deze uitspraak te melden beslissing op het beroep van klager berust op titel II van de Wet RA, zoals deze wet luidde tot 1 mei 2009.

4. De beoordeling van het beroep van betrokkene (AWB 09/1318)

4.1 Betrokkene heeft zich in beroep primair op het standpunt gesteld dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.1.1 In de eerste plaats heeft betrokkene daartoe – samengevat – aangevoerd dat hij niet meer als accountant maar alleen als adviseur werkzaam is geweest voor [A B.V.] en haar dochtervennootschappen, nadat hij een hypothecaire lening had verstrekt aan een dochteronderneming van [A B.V.]

Het College volgt betrokkene niet in dit betoog. Ter zitting is immers vast komen te staan dat betrokkene tot in ieder geval medio 2006 accountantswerkzaamheden voor [A B.V.] heeft verricht door de jaarrekeningen over 2004 en 2005 samen te stellen. Dat toen – naar betrokkene stelt – nog geen andere accountant gevonden was om die werkzaamheden op zich te nemen, doet aan deze feitelijke vaststelling niet af.

Deze grief slaagt dan ook niet.

4.1.2 In de tweede plaats heeft betrokkene – samengevat – aangevoerd dat het verstrekken van een hypothecaire lening niet betekent dat de onafhankelijkheid van een registeraccountant daardoor niet langer is gewaarborgd.

In het eerste lid van artikel 24 van de Verordening gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) is bepaald dat de registeraccountant onafhankelijk is van zijn opdrachtgever en van degene omtrent wiens aangelegenheden hij verklaringen geeft, alsmede van degene die belangen heeft bij of afhankelijk is van een van hen of van beiden.

Naar het College al eerder heeft geoordeeld, is artikel 24 GBR-1994 steeds van toepassing op de registeraccountant voor zover deze optreedt als openbaar accountant en – anders dan betrokkene kennelijk beoogt te betogen – niet slechts indien verklaringen worden afgegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2002, AWB 00/727, www.rechtspraak.nl, LJN: AD9070). Voor zover betrokkene betoogt dat ten tijde van het verrichten van zijn werkzaamheden voor [A B.V.] geen nader uitgewerkte regels inzake onafhankelijkheid bestonden die specifiek zagen op de werkzaamheden die hij heeft verricht, doet dat – nog daargelaten de juistheid van dit betoog – dan ook niet af aan de omstandigheid dat diens optreden als registeraccountant onderworpen blijft aan de in artikel 24 GBR-1994 neergelegde eis van onafhankelijkheid en dat zijn gedragingen en werkzaamheden derhalve daaraan dienen te worden getoetst. Dat door betrokkene nimmer een verklaring is afgegeven met betrekking tot de aangelegenheden van klager zelf, doet om diezelfde reden evenmin ter zake.

Het College heeft al eerder geoordeeld dat in het eerste lid van artikel 24 GBR-1994 tot uitdrukking is gebracht dat een registeraccountant de plicht heeft de schijn van afhankelijkheid van zijn optreden te vermijden (zie de uitspraak van 24 april 2008, AWB 07/324, www.rechtspraak.nl, LJN: BD2211). Vaststaat dat betrokkene begin september 2004 op persoonlijke titel een hypothecaire lening heeft verstrekt aan een dochteronderneming van [A B.V.], te weten [B B.V.] ter hoogte van

€ 485.000,- op het pand aan de [adres] te [G]. Daarmee staat vast dat betrokkene een substantieel én persoonlijk financieel belang heeft verkregen bij zijn opdrachtgever [A B.V.] Door betrokkene wordt dit ook niet betwist. Zoals hiervoor is overwogen, heeft betrokkene na het verstrekken van deze hypothecaire lening in ieder geval nog bijna twee jaar accountantswerkzaamheden verricht voor [A B.V.] Naar het oordeel van het College had betrokkene eigener beweging moeten beseffen dat het op een dergelijke wijze verstrekken van een dermate grote hypothecaire lening onder deze omstandigheden een bedreiging kon inhouden voor zijn onafhankelijkheid als registeraccountant en dat dit derhalve een inbreuk vormde op zijn plicht de met die bedreiging samenhangende schijn van afhankelijkheid van zijn optreden te vermijden. Het College kent hierbij betekenis toe aan de omstandigheid dat betrokkene, zoals hij ter zitting heeft bevestigd, de hypothecaire lening niet als accountant heeft verstrekt maar op persoonlijke titel. Gelet hierop kan ook de verwijzing van betrokkene naar de bestaande praktijk van het vestigen van zekerheidsrechten door accountants ter veiligstelling van betaling van openstaande facturen niet slagen. De onderhavige hypothecaire lening is immers niet verstrekt in verband met openstaande facturen van betrokkene in zijn hoedanigheid als accountant, maar op grond van louter persoonlijke financiële motieven en overwegingen.

De omstandigheid dat – naar betrokkene stelt – door (onder meer) de Samenwerkende Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten (SRA) geen verdergaande beperkingen van zijn accountantswerkzaamheden voor [A B.V.] geadviseerd zijn en dat hij er om die reden van uitging dat alles in orde was, ontslaat betrokkene niet van de verplichting om bij het beoordelen of zijn optreden als registeraccountant in het licht van de vereiste onafhankelijkheid wenselijk is, zelfstandig een afweging te maken. Uit het standpunt van betrokkene dat hij niet langer als accountant werkzaam was maar als adviseur en dat blijkbaar – maar naar betrokkene stelt tevergeefs – ook is gezocht naar een vervangende accountant, blijkt reeds dat hij zich er wel degelijk bewust van is geweest dat het verstrekken van de onderhavige hypothecaire lening ten minste op gespannen voet stond met artikel 24 GBR-1994.

Het College is dan ook met de raad van tucht van oordeel dat betrokkene, door te blijven fungeren als accountant van [A B.V.] en in die hoedanigheid werkzaamheden te blijven verrichten, in strijd heeft gehandeld met artikel 24 GBR-1994.

Ook deze grief van betrokkene slaagt niet.

4.2 Betrokkene heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het opleggen van geen maatregel dan wel het opleggen van schriftelijke waarschuwing meer in de rede ligt dan de door de raad van tucht opgelegde maatregel van schriftelijke berisping.

Het College volgt betrokkene hierin niet. Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht, gelet op de aard en ernst van het verwijt en de omstandigheden van het geval, terecht de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

Ook in zoverre slaagt het beroep van betrokkene niet.

4.3 Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep van betrokkene dient te worden verworpen.

4.4 De in rubriek 5 van deze uitspraak te melden beslissing op het beroep van betrokkene berust op titel II van de Wet RA, zoals deze wet luidde tot 1 mei 2009, en artikel 24 GBR-1994.

5. De beslissingen

Het College:

- verwerpt het beroep van klager in de zaak met nummer AWB 09/1181;

- verwerpt het beroep van betrokkene in de zaak met nummer AWB 09/1318.

Aldus gewezen door mrs. M.M. Smorenburg, B. Verwayen en H.A.B van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2011.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. P.H. Broier


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature