< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Beroep tegen inbewaringstelling. Zicht op uitzetting naar China.

Verweerder heeft ter zitting onbestreden naar voren gebracht dat in de periode van januari 2010 tot 14 februari 2011 circa dertig Chinese vreemdelingen met de sterke arm zijn verwijderd. Daarbij ging het om vreemdelingen die reeds ten tijde van de inbewaringstelling, dan wel enige tijd erna, in het bezit waren of geraakten van een origineel en geldig paspoort of identiteitskaart waarmee zij konden worden uitgezet. Eiser heeft de uitzetting van deze Chinezen naar China volgens deze stand van zaken niet betwist en de rechtbank ziet evenmin aanleiding tot twijfel daaraan. Gelet daarop staat thans niet vast dat uitzetting niet mogelijk is. Op eiser rust de verplichting om originele documenten over te leggen waarmee hij kan worden uitgezet. De enkele verklaring dat hij daar niet over beschikt ontslaat eiser niet van de verplichting actieve en controleerbare inspanningen te verrichten ter verkrijging van die documenten. Van de nodige inspanningen daartoe is de rechtbank evenwel niet gebleken. Nu eiser onvoldoende meewerkt aan het onderzoek en zich niet actief inspant om originele documenten te verkrijgen waarmee hij kan worden uitgezet, komen de vertraging van het onderzoek en de verlenging van de duur van de bewaring in zoverre voor zijn rekening en risico.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/15323, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geding tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiser op 4 mei 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld.

1.2. Bij faxbericht van 3 mei 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring.

1.3. De zaak is op 12 mei 2011 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Koevoets gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen drs. P.N. Kuiper, tolk Chinees.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 strekt het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Ingevolge het vierde lid van artikel 94 van de Vw 2000 verklaart de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.2. In de schriftelijke vastlegging van de maatregel van bewaring is vermeld dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling van eiser vordert, omdat het gevaar bestaat dat hij zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. De gronden van de maatregel zijn dat eiser:

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000);

- ongewenst verklaard is;

- zich niet gehouden heeft aan zijn vertrektermijn;

- geen vaste woon-/verblijfplaats heeft;

- veroordeeld is terzake van een misdrijf;

- zich niet aangemeld heeft bij de korpschef;

- zich bedient van een of meerdere aliassen.

2.3. Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Anders dan verweerder heeft betoogd ziet eiser niet in dat er sprake is van een prematuur beroep nu er op 3 mei 2011, voordat de maatregel van bewaring daadwerkelijk was opgelegd, beroep is ingesteld en de maatregel van bewaring dateert van 4 mei 2011. Eisers gemachtigde pleegt beroep in te stellen op het moment dat hij de melding krijgt dat de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Dat acht hij niet onjuist en zonder meer in het belang van zijn cliënt.

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van

19 april 2011, procedurenummer Awb 11/ 11562 en de uitspraak van de nevenzittingsplaats Zwolle van 27 april 2011, procedurenummer Awb 11/12407, LJN: BQ3102, bestaat geen zicht op uitzetting naar China. Niet langer kan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 april 2011, 201101328/1/V3, gevolgd worden. Daartoe beroept eiser zich in het bijzonder op rechtsoverweging 2.3 van de hiervoor genoemde uitspraak van nevenzittingsplaats Zwolle, waarin de rechtbank overweegt:

"De rechtbank leidt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2011 af dat de Afdeling van oordeel is dat, in afwachting van de uitkomst van het onderhoud met de Chinese autoriteiten dat in maart 2011 zal plaatsvinden en in aanmerking genomen dat twee lp-aanvragen van gedocumenteerde Chinese vreemdelingen nog in behandeling zijn bij de Chinese autoriteiten en de minister ook daarover heeft gerappelleerd, zicht op uitzetting naar China niet ontbreekt. Nu er op 22 maart 2011 een onderhoud met de Chinese ambassadeur heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder binnen een redelijke termijn daarna uitsluitsel diende te geven over de voortgang rond en de afgifte van lp's. De rechtbank acht een termijn van vier weken redelijk. Bij schrijven van 22 april 2011 heeft verweerder in zeer algemene bewoordingen aangegeven wat er tijdens het onderhoud van 22 maart 2011 is besproken en heeft verweerder aangegeven dat er nog geen nieuwe datum voor een volgend onderhoud met de Chinese autoriteiten bekend is. Gelet op deze summiere informatie van verweerder en het feit dat het onderhoud met de Chinese autoriteiten kennelijk nog niet tot concrete afspraken heeft geleid is de rechtbank, onder verwijzing naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 26 november 2008, van oordeel dat geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat."

Voorts benadrukt eiser dat met name de geschiedenis van de laissez-passer-aanvragen bij de Chinese autoriteiten niet uit het oog mag worden verloren. De geschiedenis leert dat de mate van medewerking van de vreemdeling geen invloed heeft op het resultaat van de laissez-passer-aanvraag. De laatste keer dat een laissez-passer is afgegeven was in 2007. Sinds juli 2010 hebben 15 Chinezen een kopie van een paspoort overhandigd. Desondanks is er geen laissez-passer afgegeven door de Chinese autoriteiten. Een reactie van de zijde van deze autoriteiten is eveneens uitgebleven. Tevens betwist eiser, dat verweerder en de Chinese autoriteiten goede contacten hebben. Een gesprek tussen de minister en verweerder heeft uiteindelijk in maart 2011 plaatsgevonden. Het onderhoud dat zou plaatsvinden op 19 april 2011, is eenzijdig afgezegd door de Chinese autoriteiten. Uiteindelijk heeft op 4 mei 2011 een onderhoud plaatsgevonden. Volgens de Afdeling mag het resultaat van voornoemde resultaten worden afgewacht. Van enig resultaat van die besprekingen is tot heden niet gebleken. Voorts merkt eiser op dat de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2011, procedurenummer: 201103601, ziet op de periode van vóór 22 maart 2011.

2.4. Verweerder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Het beroep van eiser dient als prematuur aangemerkt te worden nu het beroep op 3 mei 2011 is ingesteld en de maatregel van bewaring eerst op 4 mei 2011 is opgelegd. Gelet daarop dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor wat betreft het zicht op uitzetting naar China acht verweerder allereerst van belang of de Chinese nationaliteit van de betrokken vreemdeling wel voldoende vaststaat. Indien dat niet het geval is, staat immers niet vast dat verwijdering naar China de enige mogelijkheid zou zijn. De bewijslast van zijn gestelde identiteit rust in beginsel op de vreemdeling. Deze zal in beginsel concrete en verifieerbare handelingen dienen te verrichten om zijn gestelde nationaliteit te bewijzen. Eiser heeft hier echter niet aan voldaan.

Indien van de Chinese nationaliteit van eiser moet worden uitgegaan, merkt verweerder op dat volgens vaste Afdelingsjurisprudentie op een vreemdeling de verplichting rust tot actieve en volledige medewerking aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de uitzetting te bewerkstelligen en de verplichting om de nodige controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Ook aan deze verplichting heeft eiser niet voldaan. In dit verband verwijst verweerder naar het verslag van het gehoor van 29 maart 2011 waaruit blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij hij zich heeft gewend tot de Chinese ambassade en contact heeft met zijn vriendin die is teruggegaan naar China en papieren om terug keren voor hem zou regelen, maar van controleerbare inspanningen om in het bezit te komen van documenten is geen sprake. Voorts acht verweerder voor de vraag of zicht op uitzetting bestaat van belang dat in de periode van januari 2010 tot 14 februari 2011 circa 30 Chinese vreemdelingen met de sterke arm zijn verwijderd. Daarbij ging het om vreemdelingen die reeds ten tijde van de inbewaringstelling, dan wel enige tijd erna, in het bezit waren of geraakten van een origineel en geldig paspoort of identiteitskaart waarmee zij konden worden uitgezet. Geen van hen was in het bezit van een laissez-passer. Het komt met enige regelmaat voor dat na de inbewaringstelling alsnog een paspoort wordt overgelegd. Blijkbaar hebben deze vreemdelingen enige bedenktijd nodig alvorens te berusten in een terugkeer naar China. Deze bevindingen geven grond voor de conclusie dat bij de vaststelling of sprake is van zicht op uitzetting geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden toegekend aan de verstrekking van laissez-passers door de Chinese ambassade, maar dat vooral een volledige medewerking van de betrokken vreemdeling van belang is bij de beoordeling of zicht op uitzetting bestaat. Gelet op de omstandigheid dat eiser niet volledig en actief aan zijn uitzetting meewerkt en gelet op de recente contacten met de Chinese autoriteiten, kan bezwaarlijk worden geconcludeerd dat (bij gebreke van directe en concrete resultaten) geen sprake is van zicht op uitzetting. Ten aanzien van de contacten met de Chinese ambassade heeft verweerder meegedeeld dat er in maart 2011 een onderhoud heeft plaats gevonden tussen verweerder en de Chinese ambassadeur. Verder is in week 16 op operationeel niveau gesproken met de Chinese ambassade en heeft op 4 mei 2011 een onderhoud op hoog ambtelijk niveau met de Chinese ambassadeur plaatsgevonden. Verweerder verzoekt om ongegrondverklaring van het beroep.

2.5. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5.1. Het betoog van verweerder dat er sprake is van een prematuur beroep en dat als gevolg hiervan het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, faalt. Op 3 mei 2011 is eiser met het oog op zijn inbewaringstelling door verweerder gehoord. Daarbij is hem aangezegd dat hij ingaande 4 mei 2011 in bewaring zal worden gesteld. Het besluit daartoe als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is aan eiser bekendgemaakt door uitreiking op 3 mei 2011 van de mededeling dat de maatregel is opgelegd op 4 mei 2011 te 08.00 uur, onder welke mededeling eiser op zijn rechtsmiddel is gewezen. Van een prematuur beroep als bedoeld in artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder deze omstandigheden geen sprake.

2.5.2. Ten aanzien van de vraag of thans zicht op uitzetting van eiser naar China bestaat, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft ter zitting onbestreden naar voren gebracht dat in de periode van januari 2010 tot 14 februari 2011 circa dertig Chinese vreemdelingen met de sterke arm zijn verwijderd. Daarbij ging het om vreemdelingen die reeds ten tijde van de inbewaringstelling, dan wel enige tijd erna, in het bezit waren of geraakten van een origineel en geldig paspoort of identiteitskaart waarmee zij konden worden uitgezet. Eiser heeft de uitzetting van deze Chinezen naar China volgens deze stand

van zaken niet betwist en de rechtbank ziet evenmin aanleiding tot twijfel daaraan. Gelet daarop staat thans niet vast dat uitzetting niet mogelijk is. Op eiser rust de verplichting om originele documenten over te leggen waarmee hij kan worden uitgezet. De enkele verklaring dat hij daar niet over beschikt ontslaat eiser niet van de verplichting actieve en controleerbare inspanningen te verrichten ter verkrijging van die documenten. Van de nodige inspanningen daartoe is de rechtbank evenwel niet gebleken.

Nu eiser onvoldoende meewerkt aan het onderzoek en zich niet actief inspant om originele documenten te verkrijgen waarmee hij kan worden uitgezet, komen de vertraging van het onderzoek en de verlenging van de duur van de bewaring in zoverre voor zijn rekening en risico.

2.5.3. Voor zover eiser onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 19 april 2011, procedurenummer Awb 11/ 11562 en van nevenzittingsplaats Zwolle, van 27 april 2011, procedurenummer Awb 11/12407, LJN: BQ3102, een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, faalt dit beroep. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slechts worden onderbouwd door verschil in behandeling van gelijke gevallen door verweerder, waarvan evenwel niet is gebleken. Voorts heeft verweerder in de onderhavige beroepsprocedure nieuwe informatie ten aanzien van de uitzettingen naar China verstrekt.

2.6. Het beroep is derhalve ongegrond.

Er is geen grond voor schadevergoeding.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht .

2.7. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. B. van Velzen en

J.J. Klomp, leden, en door de voorzitter en B. Simi, griffier, ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature