< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontslagbesluit van gemeenteambtenaar / klokkenluider wordt geschorst. Het rapport van de schriftkundige waarop het ontslag is gebaseerd, is door een tegenadvies bestreden. Daardoor staat niet buiten twijfel dat de ontslagen ambtenaar de schrijver van de klokkenluidersbrief is. Verder hebben B&W geen andere feiten en omstandigheden aangedragen. Daarom wordt thans aan het belang van de ambtenaar meer gewicht toegekend.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 11/1753, 11/1754, 11/1755 en 11/1756

uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 26 mei 2011 in het geding tussen

[verzoeker], verzoeker,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J. van de Hel,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft verweerder verzoeker met ingang van 21 februari 2011 buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 24 februari 2011 bezwaar gemaakt. Daarbij is tevens bezwaar gemaakt tegen:

1. de organisatie van een bijeenkomst op 21 februari 2011 waarbij collega’s van verzoeker door de burgemeester tot in detail in kennis zijn gesteld van het geschil;

2. het plaatsen van een mededeling ten aanzien van verzoeker op het intranet van de gemeente Beuningen.

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft verweerder verzoeker op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO met ingang van 20 maart 2011 eervol ontslag verleend. Aan dit ontslag is een regeling verbonden die ertoe leidt dat verzoeker, ingeval aan hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet wordt toegekend, in aanmerking komt voor een bovenwettelijke uitkering op de voet van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO tot de datum van zijn pensioen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 14 april 2011 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 3 mei 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de vier bestreden besluiten worden geschorst en wordt bepaald dat:

- verzoeker binnen twee dagen na de uitspraak van de voorzieningenrechter volledig wordt toegelaten tot zijn werk;

- verzoeker voorafgaande aan zijn werkhervatting volledig wordt gerehabiliteerd, in ieder geval door middel van een rectificatie op intranet waarin wordt meegedeeld dat verzoeker ten onrechte is beschuldigd de auteur te zijn van de klokkenluidersbrief en er ten onrechte van is beschuldigd dat hij verweerder regelmatig heeft voorgelogen, alsmede door middel van het andermaal bijeenroepen van alle medewerkers voor een bijeenkomst waarin hen wordt meegedeeld dat verzoeker er ten onrechte van is beschuldigd de auteur te zijn van de klokkenluidersbrief en een leugenaar te zijn;

- verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de door verzoeker geleden en nog te lijden schade;

- de bezoldiging van verzoeker wordt gecontinueerd;

- verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 mei 2011. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. van de Hel, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en G.J. van Baaijen, ambtenaar van de gemeente Beuningen.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft een op 19 november 2010 gedateerde anonieme brief ontvangen met als afzender De Klokkenluider en als onderwerp ”oneerlijk ambtenaren / collega gedrag”. In deze brief zijn beschuldigingen geuit met betrekking tot het gedrag van ambtenaren van de gemeente Beuningen tegen de achtergrond van het vertrek van de heer [naam]. In het bijzonder is verwezen naar panden aan de [adres], die niet geheel gebouwd zouden zijn zoals ”wij de gemeente Beuningen de vergunning hebben afgegeven”. Vanuit de wandelgangen is de schrijver van de brief bekend geworden ”dat er buitenambtenaren zaken verzwijgen en daarvoor in ruil geld of spullen toegestopt worden”. Voorts is gesteld ”dat er een schildersbedrijf [schildersbedrijf] is dat er heel wat voor over heeft om het onderhoud van scholen te behouden” en dat door dit bedrijf hiervoor ”extra geld op de begroting (wordt) gezet om deze ambtenaren van de nodige centjes te voorzien”. Aangegeven is dat het ”met de feestdagen in zicht” wat onrustiger wordt en ”er op de diverse bijeenkomsten weer collega’s worden ingepakt”. De brief eindigt met de aankondiging dat indien hieraan geen aandacht wordt besteed, de hele zaak aan de grote klok zal worden gehangen. De brief vangt aan met: ”Ik ben al heel lang in dienst van de gemeente Beuningen” en eindigt met: ”De tijd die ik nog moet uitdienen, zal ik op een eerlijke manier doen”.

2.2 Verweerder acht aannemelijk dat verzoeker degene is die de brief heeft geschreven en verzonden. Daartoe is gewezen op het feit dat verzoeker één van de ambtenaren is die al heel lang in dienst zijn van de gemeente Beuningen, hij de heer [naam] heeft gekend en hij woonachtig is in de directe nabijheid van de duurdere panden aan de [adres]. Daarnaast is gewezen op het schriftkundig onderzoek door het bureau E. & W. Waisvisz (hierna: bureau Waisvisz). Dit bureau heeft op 24 en 28 januari 2011 geconcludeerd dat verzoeker met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de auteur van de brief is.

Verweerder heeft verzoeker op diverse momenten geconfronteerd met de brief en met zijn vermoedens dat hij als auteur van de brief is aan te wijzen. Verzoeker is tweemaal bij de burgemeester geweest en volgens verweerder heeft verzoeker hem beide keren voorgelogen. Ook tijdens een bijeenkomst op 2 februari 2011 heeft verzoeker in aanwezigheid van zijn gemachtigde, mr. J. van de Hel, volgehouden dat hij niet degene is die de brief heeft geschreven.

Tegen de achtergrond van verzoekers stelselmatige ontkenningen, de inhoud van de brief en het rapport van het schriftkundig bureau is verweerder van mening dat verzoeker niet meer in zijn organisatie te handhaven is. Verweerder heeft er geen enkel vertrouwen meer in dat verzoeker in staat of bereid is om de normen en waarden die binnen de organisatie aanwezig zijn nog verder uit te dragen. Verweerder neemt het verzoeker kwalijk dat hij een dergelijke brief met ongefundeerde beschuldigingen naar collega-ambtenaren heeft geschreven en dat hij niet de waarheid spreekt, ondanks de mogelijkheden die hem zijn geboden om voor zijn gedrag uit te komen. Verweerder is van mening dat verzoekers houding en opstelling ertoe leiden dat sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk en een zodanig verschil van inzicht over integriteit van handelen binnen een ambtelijke organisatie dat verzoeker niet meer in de organisatie te handhaven is.

2.3 Op 21 februari 2011 heeft verweerder een bijeenkomst georganiseerd waarbij collega’s van verzoeker door de burgemeester in kennis zijn gesteld van het geschil.

Hierna heeft verweerder de volgende mededeling op het intranet van de gemeente Beuningen geplaatst:

”Voorgenomen ontslag [verzoeker].

Het college van B&W heeft het voornemen uitgesproken om een ontslagprocedure in werking te zetten t.a.v. [verzoeker]. Het college heeft hiertoe besloten omdat de vertrouwensband tussen [verzoeker] en de gemeente volledig is geschaad.

De reden voor het voorgenomen ontslag is het feit dat [verzoeker] anoniem ernstige beschuldigingen heeft geuit over een aantal medewerkers van de gemeente. Deze beschuldigingen bleken niet te kloppen. Daarnaast heeft hij het college regelmatig voorgelogen. Na zorgvuldig onderzoek en meerdere gesprekken is besloten om de ontslagprocedure in werking te zetten. Met ingang van 21 februari is [verzoeker] niet meer werkzaam op het gemeentehuis.

Richting externen kunnen we communiceren dat [verzoeker] met verlof is. Het spreekt vanzelf dat we niet naar buiten treden met wat er aan de hand is.

Directie en college.”

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt met een besluit gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is.

2.5 Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 oktober 2010, LJN: BO2673, kan een ambtenaar slechts tegen een feitelijke handeling beroep instellen (en daaraan voorafgaand bezwaar maken) wanneer sprake is van een handeling waardoor de ambtenaar rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het organiseren van de bijeenkomst waarbij de burgemeester mededelingen over verzoeker aan collega’s heeft gedaan en het plaatsen van de hierboven weergegeven mededeling ten aanzien van verzoeker op het intranet als met een besluit gelijkgestelde andere handelingen als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, omdat verzoeker daardoor rechtstreeks in zijn rechtspositionele belangen wordt getroffen.

2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, tegen de achtergrond van het hiernavolgende voorlopige rechtmatigheidsoordeel, voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat voor hem met ingang van 20 maart 2011 sprake is van een substantiële achteruitgang in inkomen en hij door de onderhavige besluitvorming van verweerder in zijn eer en goede naam wordt aangetast. In dit verband wordt opgemerkt dat aan de mate van spoedeisendheid minder stringente eisen mogen worden gesteld naarmate meer twijfel bestaat ten aanzien van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.7 Vooropgesteld moet worden dat een verzoek als het onderhavige in het algemeen slechts voor toewijzing in aanmerking komt, indien als gevolg van de onmiddellijke werking van het bestreden besluit de belangen van een betrokkene onevenredig zouden worden geschaad in verhouding tot het met een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen doel. Hiervan zal in een geval als het onderhavige eerst sprake kunnen zijn, indien op basis van de beschikbare gegevens de conclusie gerechtvaardigd is dat een meer dan gerede kans bestaat dat het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak de rechterlijke toetsing niet zal kunnen doorstaan. Hierbij dient nog te worden aangetekend dat een procedure als de onderhavige zich niet leent voor een diepgaand onderzoek naar alle ter zake relevante feiten en omstandigheden.

2.8 Ingevolge artikel 8:8, eerste lid, van de CAR /UWO kan de ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

Ingevolge artikel 10d:4 van de CAR /UWO treft het college voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 van de CAR /UWO ontslagen wordt een passende regeling.

Deze ontslaggrond is van toepassing in gevallen waarin sprake is van verstoorde verhoudingen. Volgens vaste jurisprudentie dient bij een dergelijk ontslag beoordeeld te worden of de verhoudingen zodanig verstoord zijn geraakt dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Deze ontslaggrond is tevens van toepassing in gevallen waarin in de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie een impasse is opgetreden waarin geen uitzicht meer bestaat op herstel van een vruchtbare samenwerking (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 april 2005, LJN: AT4891).

2.9 Naar aanleiding van het rapport van het bureau Waisvisz van 24 en 28 januari 2011, waarin geconcludeerd is dat verzoeker met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de auteur van de brief is, heeft verzoeker het rapport van prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach, hoogleraar aan de Faculteit der Psychologie en Neurowetenschappen van de Universiteit Maastricht, van 18 februari 2011 overgelegd. Deze is van mening dat de methoden die de rapporteurs van het bureau Waisvisz hebben gebruikt ver ondermaats zijn en de conclusie dat verzoeker met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de auteur van de brief is op geen enkele wijze kunnen dragen.

Op verzoek van verweerder heeft het bureau Waisvisz op 10 maart 2011 een reactie op het rapport van prof. dr. Merckelbach gegeven. Vervolgens heeft prof. dr. Merckelbach op 26 april 2011 op het nadere rapport van het bureau Waisvisz van 10 maart 2011 gereageerd.

Verzoeker heeft vervolgens een rapport van forensisch schriftexpert W. de Jong van Niehoff & De Jong van 19 mei 2011 overgelegd. De conclusie van deze contra-expert komt er op neer dat de kans dat verzoeker de enveloppe wel heeft geschreven kleiner is dan de kans dat deze de enveloppe niet heeft geschreven.

2.10 Hoewel prof. dr. Merckelbach geen schriftkundige is en niet zelf een schriftkundig onderzoek heeft gedaan en in aanmerking genomen dat De Jong niet de beschikking heeft gehad over de originele enveloppe, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat voldoende twijfel is gezaaid aan het advies van bureau Waisvisz. Vastgesteld moet althans worden dat op basis van de thans beschikbare rapporten niet buiten twijfel is dat verzoeker de brief heeft geschreven.

2.11 Een zo ingrijpend besluit als een ontslagbesluit zou naar voorlopig oordeel in beginsel niet louter op de uitkomst van een betwistbaar schriftkundig onderzoek mogen worden gebaseerd, maar tevens zo mogelijk dienen te steunen op andere feiten en omstandigheden waarop de conclusie gebaseerd kan worden dat verzoeker de brief heeft geschreven.

De omstandigheid dat verzoeker één van de ambtenaren is die al heel lang in dienst zijn van de gemeente Beuningen, hij de heer [naam] heeft gekend en hij woonachtig is in de directe nabijheid van de panden aan de [adres], is daartoe in dit geval onvoldoende.

2.12 Vooralsnog is niet gebleken dat verweerder zodanige andere feiten of omstandigheden kan aanwijzen die in de richting van verzoeker als auteur van de litigieuze brief wijzen. Evenmin bestaat er thans concrete aanwijzing dat het advies van het bureau Waisvisz door een andere expert zal worden ondersteund.

Daarom bestaat er thans aanleiding aan het belang van verzoeker een groter gewicht toe te kennen dan aan het belang bij een onmiddellijke uitvoering van het ontslagbesluit.

Dat brengt mee dat verweerder aan het ontslagbesluit niet de vertrouwensbreuk ten grondslag heeft kunnen leggen, nu deze is gebaseerd op onvoldoende feiten en omstandigheden.

2.13 Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het ontslagbesluit van 18 maart 2011 naar verwachting op bezwaar geen stand zal houden.

Er bestaat dan ook aanleiding om dat besluit te schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Daarbij zal worden bepaald dat verweerder verzoeker vanaf 14 juni 2011 in staat stelt om de bij zijn functie behorende werkzaamheden wederom uit te oefenen.

2.14 Voor schorsing van het besluit tot het verlenen van buitengewoon verlof van

18 februari 2011 bestaat geen aanleiding, omdat dit besluit met het nemen van het ontslagbesluit van 18 maart 2011 is uitgewerkt. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

2.15 Voor het treffen van andere voorlopige voorzieningen bestaat onvoldoende aanleiding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de schorsing van het ontslagbesluit van 18 maart 2011 en de terugkeer van verzoeker op de werkplek voldoende aan de belangen van verzoeker wordt tegemoetgekomen.

2.16 Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen, omdat artikel 8:73 van de Awb in een voorlopige voorzieningenprocedure niet van toepassing is.

2.17 De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand en € 1.309,- aan kosten van de door verzoeker ingeschakelde deskundige De Jong, in totaal € 2.183,-. De kosten van prof. dr. Merckelbach komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze niet als ter zake kundige kan worden aangemerkt. Van andere kosten is niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

- schorst het ontslagbesluit van 18 maart 2011 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder verzoeker vanaf 14 juni 2011 in staat stelt om de bij zijn functie behorende werkzaamheden uit te oefenen;

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening voor het overige af;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 2.183,-;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: 26 mei 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature