Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gedrag van eiseres en haar functioneren, waaronder haar wijze van lesgeven, in de periode 2004 tot 2009 niet aansluiten bij hetgeen de organisatie van haar docenten verlangt, te weten de leerlingen op een positieve manier aanspreken, uitleg geven over de leerstof en hen stimuleren tot samenwerking. Ook de wil om samen te werken met collega’s ontbreekt. De rechtbank betrekt hierbij dat eiseres een aantal malen het gebrek aan overwicht op de leerlingen heeft menen te moeten compenseren door fysieke middelen in te zetten. Eiseres is na de klachten uit 2004 direct hiermee geconfronteerd. Eveneens is er zowel door het assessment als met behulp van de externe coach getracht om het functioneren van eiseres te verbeteren. Nu eiseres in april 2009 zelf heeft aangegeven te willen overleggen over een ontslagregeling, lag het niet op de weg van verweerder om verder te gaan met het voorgenomen coachings- en beoordelingstraject. De rechtbank oordeelt dat verweerder de tekortkomingen van eiseres voldoende heeft aangegeven en dat eiseres reële kansen heeft gekregen om de gewenste verbetering in haar functioneren tot stand te brengen. Beroep ongegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/497

Uitspraak in het geding tussen

[…], wonende te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam

en

de Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (BOOR), verweerder,

gemachtigde mr. M.J. Quaak.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 7 mei 2009 is aan eiseres het voornemen van verweerder meegedeeld om de aanstelling van eiseres met ingang van 1 oktober 2009 te beëindigen. Op 20 augustus 2009 heeft eiseres niet ingestemd met dit voornemen en de voorgestelde regeling.

Bij brief van 1 september 2009 heeft verweerder eiseres het voornemen tot ontslag meegedeeld met ingang van 1 oktober 2009. Op 23 september 2009 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden.

Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2009 ontslag verleend primair op grond van ongeschiktheid voor de functie op grond van artikel 9.b.3., sub g, van de Collectieve arbeidsovereenkomst Voortgezet Onderwijs (hierna: CAO/VO) en subsidiair op grond van andere redenen genoemd in artikel 9.b.3, sub l, van de CAO/VO, te weten een blijvend diepgaand verschil van inzicht over eiseres functioneren.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 oktober 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft verweerder het bezwaar van 8 oktober 2009 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 8 februari 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 december 2010 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Quaak. Tevens was aanwezig drs. J.C. Rath, lid van het college van bestuur van de Stichting BOOR.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op enkele vragen.

Verweerder heeft bij brief van 23 februari 2011 hierop gereageerd, waarna op 1 maart 2011 een reactie van eiseres is ontvangen. Partijen hebben ingestemd met het doen van uitspraak door de rechtbank zonder nadere zitting. Het onderzoek is vervolgens door de rechtbank gesloten op 18 maart 2011.

2 Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 9.b.3, onder g, van de CAO/VO kan de werknemer, met inachtneming van het in artikel 9. b.4 bepaalde, ontslag worden verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie.

Ingevolge artikel 9.b.4, voor zover hier van belang, gaat het ontslag niet eerder in dan de dag volgend op die, waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.

Ingevolge artikel 9.b.3, onder l, van de CAO/VO, voor zover hier van belang, kan de werknemer ontslag worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

2.2 Voor de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres is vanaf 1992 werkzaam in het openbaar onderwijs. Met ingang van 7 september 1998 is zij in tijdelijke dienst aangesteld bij verweerder. Per 1 augustus 2000 is zij in vaste dienst aangesteld bij de Openbare Scholengemeenschap Nieuw Zuid (hierna: OSG Nieuw Zuid) als docent wiskunde. In de loop van het schooljaar 2003-2004 ontstonden er bij de directie van de school twijfels over het functioneren van eiseres. Deze waren mede ingegeven door klachten van ouders over haar manier van lesgeven. Aan eiseres is medegedeeld dat de directeur enige lesobservaties zou houden.

Met instemming van eiseres is op 3 april 2006 een assessment afgenomen. In het verslag daarvan van 22 mei 2006 is geconcludeerd dat eiseres op mbo-niveau functioneert en dat zij op een groot aantal aspecten, zowel in intellectuele zin als waar het gaat om vaardigheden, voor haar eigen functie tekort schiet. In het verslag wordt verder gesteld dat eiseres niet meer gemotiveerd is maar geen alternatief toekomstperspectief ziet. De assessor heeft geadviseerd om eiseres niet meer in te zetten voor haar eigen werk.

In 2007 hebben er diverse lesobservaties plaatsgevonden. Op 5 november 2007 is door de directie aan eiseres medegedeeld dat uit recente klachten van leerlingen is gebleken dat er niet veel veranderd is. De directeur wil naar aanleiding hiervan, naast de externe begeleiding, een beoordelingstraject starten, dat in een functioneringsgesprek verder zal worden besproken. Dit functioneringsgesprek vindt plaats op 19 november 2007.

Van 3 december 2007 tot 24 april 2008 wordt eiseres gecoacht door een externe coach, de heer Terpstra van Dialoog Terpstra Advies. Eind 2008 en in 2009 komen er bij de directeur klachten binnen van ouders over eiseres. In maart 2009 is aan eiseres een time-out gegeven en tevens is eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 23 april 2009. In dit gesprek is besloten een voorstel te doen voor beëindiging van de arbeidsrelatie.

Op 7 mei 2009 doet verweerder een voorstel tot beëindiging van de aanstelling. Op 25 mei 2009 is er met de gemachtigde van eiseres in beginsel overeenstemming over de beëindiging van de aanstelling. De vaststellingsovereenkomst wordt uiteindelijk niet getekend door eiseres. Eiseres geeft aan dat zij geen regeling meer wenst en werkzaam wil blijven als lerares wiskunde. Op 1 september 2009 maakt verweerder aan eiseres het ontslagvoornemen bekend. Eiseres heeft op 23 september 2009 hierop mondeling gereageerd in een zienswijzegesprek. Op 7 oktober 2009 besluit verweerder eiseres te ontslaan. Hierbij wordt aan eiseres een werkloosheiduitkering, alsmede een bovenwettelijke en nawettelijke uitkering toegezegd tot het bereiken van de 65- jarige leeftijd. Voorts wordt een eenmalige vergoeding van € 25.000,- bruto alsmede een begeleidingstraject naar ander werk tot een bedrag van maximaal € 10.000,- toegezegd.

3.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres op juiste gronden eervol ontslag is verleend. Daarbij stelt verweerder dat eiseres ongeschikt is voor de functie van docent wiskunde en tevens dat er een diepgaand verschil van inzicht bestaat over de manier waarop eiseres invulling geeft aan de functie van docent. Verweerder ziet geen mogelijkheden meer om eiseres functioneren als docent wiskunde op zodanig niveau te brengen dat zij als volwaardig docent inzetbaar zou zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het doel van het assessment aan eiseres is meegedeeld en duidelijk is beschreven. Het doel van het assessment was, volgens verweerder, om te kunnen vaststellen wat eiseres huidige kwaliteiten en vaardigheden waren in relatie met de eisen die worden gesteld aan haar functioneren als docent wiskunde. Voorts stelt verweerder dat door het inzetten van een externe coach, een duidelijk vervolg is gegeven aan de resultaten van het assessment. Er is volgens verweerder geen sprake van misleiding. Het advies van de adviseur is door de school van eiseres niet overgenomen maar eiseres is de kans gegeven om haar functioneren te verbeteren. Eveneens is het vervolg ingezet met de gesprekken die zijn gevoerd met eiseres over haar functioneren. Eind 2007 werd door de locatiedirectie vastgesteld dat het functioneren, ondanks de geboden begeleiding, niet vooruitging. Er is daarom naast een coachingstraject eveneens met een beoordelingstraject gestart. In 2009 ontstonden er opnieuw klachten van ouders. Volgens verweerder liep in maart de situatie in de klas uit de hand waarna de locatiedirecteur eiseres een time-out heeft gegeven. Hierna heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en verweerder. Nu er in dit gesprek over de mogelijkheden voor beëindiging van de aanstelling is gesproken, zijn de klachten onbesproken gebleven en is er ook niet meer toegekomen aan uitvoering van verdere begeleiding van eiseres. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het functioneren van eiseres niet aansluit bij hetgeen de organisatie van docenten verlangt. Volgens verweerder blijkt uit de overgelegde verslagen en lesbezoeken dat eiseres een frontale, klassieke manier van lesgeven hanteert waarbij de leerlingen niet mogen samenwerken, omdat eiseres vreest anders de orde in de klas niet te kunnen handhaven.

Uit het assessment-verslag bleek volgens verweerder dat eiseres moeite heeft met organisatorische zaken als klassenmanagement en samenwerking met collega’s. Verweerder ziet dit juist als aspecten van de functie van docent die steeds belangrijker zijn geworden op de school. De school waaraan eiseres lesgeeft, zet de leerling centraal en leraren dienen dan ook voldoende te zijn toegerust om deze doelstellingen te verwezenlijken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende functioneert. Aangezien eiseres van mening is dat zij goed lesgeeft en van oordeel is dat de leerlingen geen inzet tonen, is volgens verweerder niet te verwachten is dat eiseres zich zal verbeteren.

Verweerder bestrijdt dat de ongeschiktheid voor de functie van eiseres voor een groot deel op klachten van ouders is gebaseerd. De klachten zijn eerder aanleiding geweest om bij eiseres een assessment af te nemen.

3.2 Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiseres meent dat het ontslag op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij diverse cursussen gevolgd heeft om vaktechnisch up-to-date te blijven, teneinde haar functie zo goed mogelijk te kunnen uitoefenen. Tevens heeft zij een langdurige ervaring in het onderwijs als docent. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat het doel van het assessment dat in 2006 is gehouden, destijds niet deugdelijk is meegedeeld. Eiseres stelt dat er sprake was van een zekere misleiding. Er is ook geen duidelijk vervolg gegeven op het assessment. Eiseres acht het voorts onjuist om de ongeschiktheid voor een belangrijk deel op de klachten van de ouders te baseren. Deze klachten zijn niet met eiseres besproken en zijn niet objectief. Evenmin is meegedeeld hoe deze klachten zijn afgewikkeld. Verweerder had een feitenonderzoek moeten verrichten naar de achtergrond van de klachten. Door dit na te laten is verweerder op onzorgvuldige wijze tot het ontslagbesluit gekomen.

Voorts herkent eiseres zich niet in de lesobservaties die hebben plaatsgevonden. Zij heeft ze niet willen ondertekenen. Ten onrechte wordt door verweerder gesteld dat eiseres uitsluitend frontaal klassikaal zou lesgeven. Eiseres is van mening dat zich veel veranderingen hebben voorgedaan in de wijze waarop wordt lesgegeven en dat nieuwe lesmethodes zijn ingevoerd. Dit heeft ertoe geleid dat er op een andere wijze gewerkt diende te worden door docenten. De lesobservaties zijn incidenteel van aard en zijn onvoldoende om bij te dragen aan de conclusie dat er sprake is van ongeschiktheid.

Eiseres bestrijdt voorts dat er een onoverbrugbaar verschil in inzicht bestaat over de wijze van lesgeven en het functioneren. Dit verschil is er wel in zekere mate, maar niet diepgaand en blijvend. Dit te meer omdat eiseres altijd open heeft gestaan voor begeleiding en suggesties. Eiseres wil dan ook graag terugkeren in haar werk. Het feit dat eiseres eerst ertoe neigde akkoord te gaan met een minnelijke regeling zegt niets over de vraag of zij ongeschikt is voor haar functie.

3.3 Ter zitting hebben partijen, voor zover thans van belang, nog het volgende naar voren gebracht.

Eiseres heeft gesteld dat zij met veel plezier en passie lesgeeft. Tevens brengt eiseres naar voren dat het middel ontslag te zwaar is. Er zijn volgens eiseres te snel conclusies getrokken nu er ook gekozen had kunnen worden voor een andere aanpak zoals structurele begeleiding of ander werk. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat Rotterdam-zuid geen gemakkelijke werkomgeving is. Leerlingen hebben er veel problemen en hun gedrag is veranderd ten opzichte van een aantal jaren geleden. Eiseres is van mening dat zij deze leerlingen zo goed mogelijk helpt. Daarnaast is eiseres altijd erg betrokken geweest bij zowel de leerlingen als bij de school. Zo heeft eiseres in de medezeggenschapraad gezeten en deelgenomen aan de ondernemingsraad. De cijfers van de leerlingen van eiseres waren goed.

Verweerder beaamt dat eiseres zich heeft ingezet voor de school en de leerlingen. Uit de jaarverslagen blijkt dat de school waaraan eiseres lesgaf onderwijsveranderingen heeft doorgevoerd. Deze veranderingen brengen met zich dat leerlingen meer centraal staan en hierdoor wordt er een flexibeler werkhouding van de leerkrachten verwacht. Volgens verweerder heeft eiseres moeite met deze veranderingen en ligt hierin ook de reden waarom eiseres onvoldoende is gaan functioneren. Verweerder is van mening dat eiseres een onjuist beeld heeft van haar functioneren.

4 De rechtbank oordeelt als volgt:

4.1 Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), onder andere neergelegd in zijn uitspraak van 6 januari 2005 (LJN AS2575) moet de ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen en zal van ontslag in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid gesteld is dit te verbeteren.

4.2 Verweerder heeft zijn standpunt met verschillende gegevens onderbouwd.

De klachten van ouders uit 2004

Met betrekking tot de klachten van ouders uit 2004 blijkt dat deze met eiseres zijn besproken op 13 en 15 december 2004, waarna in een brief aan eiseres van 20 december 2004 de directeur constateert dat deze klachten niet door eiseres konden worden weerlegd en hij voor de komende periode lesobservaties aankondigt.

Het assessment

Ten aanzien van het assessment gehouden op 3 april 2006 is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eiseres stelt, niet is gebleken dat de doelstelling van het assessment onvoldoende kenbaar is gemaakt aan eiseres. In het assessmentverslag staat bij de vraagstelling vermeld dat wordt bezien wat de huidige vaardigheden en kwaliteiten van eiseres zijn in relatie tot de functie-eisen als docente in het VMBO. De rechtbank ziet niet in waarom er sprake zou zijn van een zekere misleiding, nu er door verweerder is aangegeven met welk doel het assessment is gestart. Uit het assessmentverslag blijkt dat eiseres haar werk niet aankan. Op een groot aantal aspecten, zowel in intellectuele zin als waar het gaat om vaardigheden voor haar eigen functie, komt eiseres tekort. Ook blijkt uit het verslag dat eiseres nieuwe ontwikkelingen niet kan volgen en dat zaken als klassenmanagement en kennisoverdracht haar heel veel moeite zullen kosten. Ook zal het voor leerlingen vaak onduidelijk zijn wat ze wil en waarom en ook collega’s zullen haar vaker niet goed kunnen volgen. De adviseur verwacht niet dat eiseres zich zal kunnen verbeteren. Ze kan het niet en ook de motivatie begint te verdwijnen. Het advies is om haar niet meer in te zetten in haar eigen werk. De rechtbank is van oordeel dat dit verslag harde aanwijzingen bevat waaruit blijkt dat eiseres op dat moment niet beschikte over de essentiële eigenschappen die van belang zijn voor het op goede wijze vervullen van de functie en dat verbetering niet te verwachten was.

De lesobservaties

Ten aanzien van de lesobservaties die zijn gehouden op 5 februari 2007, 23 maart 2007, en 15 november 2007 is de rechtbank van oordeel dat deze een beeld geven van de gang van zaken in de klas waaraan eiseres op dat moment lesgaf. De lesobservatie van 5 februari 2007 signaleert onder meer dat didactische instrumenten niet werden ingezet en dat niet geconstateerd kon worden of de docent vaardig is in het uitleggen van de leerstof. In het verslag van de observatie van 23 maart 2007 wordt opnieuw geconcludeerd tot een onvoldoende didactische aanpak, op grond waarvan de observator stelt dat het geen wiskundeles was, maar een huiswerkles. Het ontbreken van interactie tussen docent en klas was zorgwekkend, aldus deze observatie. Ook het observatieformulier van de les van 15 november 2007 geeft in zeer kritische bewoordingen weer dat eiseres tekortschiet in interactie met de leerlingen en didactiek. Ook op de overige aspecten worden kritische opmerkingen gemaakt.

Eiseres heeft deze observaties niet ondertekend omdat zij zichzelf hierin niet herkende. Eiseres betwist dat zij frontaal klassikaal zou lesgeven. Eveneens hebben zich veranderingen voorgedaan in het onderwijs waar het gaat om lesgeven en de invoering van nieuwe lesmethodes.

De tegenwerpingen van eiseres leiden er niet toe dat de feitelijke constateringen opgenomen in de lesobservaties, onjuist zouden zijn. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de inhoud en conclusies van de lesobservaties te twijfelen. Het standpunt van eiseres dat de lesobservaties onvoldoende bijdragen aan de conclusie dat eiseres ongeschikt zou zijn, volgt de rechtbank niet, nu de lesobservaties aangeven op welke onderdelen eiseres onvoldoende functioneerde.

Het functioneringstraject

Op 19 november 2007 heeft een functioneringsgesprek plaatsgehad, waarin wordt voortgeborduurd op eerdere gesprekken met eiseres. De conclusies van het assessment, recente klachten van leerlingen en lesobservaties hebben geleid tot een beoordelingstraject dat tot doel heeft het toekomstperspectief van eiseres beter in beeld te krijgen. In het schooljaar 2006/2007 is eiseres ingezet als ondersteunend docent naast de hoofddocent. In het daarop volgende jaar heeft eiseres de verantwoordelijkheid voor het merendeel van de klassen gedeeld met een collega-docent, voor enkele klassen was zij alleen verantwoordelijk. Wat betreft de lesgebonden taak bevat het verslag van het functioneringsgesprek een aantal kritische opmerkingen die aansluiten bij de eerdere lesobservaties. Op de vraag van de rechtbank aan verweerder of het verslag incompleet is, heeft verweerder geantwoord niet te beschikken over een meer compleet verslag. Gelet op de veronderstelling dat dit verslag niet compleet is en niet de opvatting vermeldt van eiseres, kan aan dit gespreksverslag slechts beperkte waarde worden gehecht.

Bij brief van 9 september 2008 is eiseres door de locatiedirecteur uitgenodigd voor een gesprek op 15 september 2008 onder meer over haar functioneren als docent en het beoordelingstraject dat dit schooljaar zal worden voortgezet. In een brief van 6 oktober 2008, naar aanleiding van dit gesprek, wordt gememoreerd aan het feit dat de schoolleiding eiseres als docent onvoldoende vindt functioneren, op grond waarvan er geen reden is om een uitbreiding van de aanstelling te overwegen. Daarnaast wordt melding gemaakt van een incident in een 1e klas, waarbij eiseres de leerlingen op een onaanvaardbare wijze zou hebben toegesproken. In een brief van 16 december 2008 van de locatiedirecteur gaat deze in op het vervolg van het beoordelingstraject, waarbij opnieuw een coach zal worden ingeschakeld, waarna in gesprekken tussen deze directeur en eiseres de opbrengst van het coachingstraject zal moeten worden vastgesteld. Om eiseres in staat te stellen optimaal te profiteren van het coachingstraject en de kans op verbetering te vergroten, is besloten de lestaak van eiseres met 0,16 wtf te verminderen, welke tijd eiseres geacht wordt in het coachingstraject te investeren. Uit deze brief blijkt dat eiseres niet akkoord is gegaan met de vermindering van haar lestaak, maar dat de schoolleiding deze vermindering handhaaft. In een nadere toelichting op de vragen van de rechtbank heeft verweerder op 23 februari 2011 een verklaring van 17 februari 2011 van drs. B.J.P van de Ven, die per 1 januari 2009 is aangetreden als locatiedirecteur a.i., overgelegd. In deze verklaring geeft hij aan met eiseres op 4 maart 2009 gesproken te hebben over haar betrekkingsomvang. In dit gesprek heeft eiseres in een chaotisch verhaal aangegeven wat zij aan deskundigheidsbevordering heeft gedaan. Deze opgave wordt door de heer Van de Ven niet overtuigend geacht. In een nadere reactie hierop van 1 maart 2011 heeft eiseres gesteld dat aan het coachingstraject geen verdere uitvoering is gegeven en dat het gesprek op 4 maart 2009 niet aansloot op de inhoud van de brief van de locatiedirecteur van 16 december 2008. De rechtbank concludeert hieruit dat externe coaching in de eerste maanden van 2009 niet heeft plaatsgevonden, maar dat wel de lestaak van eiseres is verminderd ten behoeve van deskundigheidsbevordering. Uit het feit dat eiseres tijdens het gesprek op 4 maart 2009 een kleine notitie hierover heeft ingeleverd, leidt de rechtbank af dat ook eiseres ervan doordrongen was dat zij een inspanning diende te leveren ter bevordering van haar deskundigheid.

De coaching

In de periode 23 november 2007 tot en met 8 april 2008 is eiseres door een externe coach begeleid. In de aanbevelingen van de coach die met eiseres zijn besproken en die door haar gedeeld werden, komt naar voren dat haar opstelling om zich volledig onafhankelijk en solitair binnen de schoolorganisatie op te stellen, niet altijd verstandig is. Eiseres heeft bij problemen niemand om daarover te praten en bij de vele onderwijsvernieuwingen heeft zij ook niemand om tot uitwisseling van ideeën te komen. Niemand zoekt meer contact met eiseres en zodoende mist ze steeds meer feedback, die af en toe broodnodig is in het huidige onderwijs, aldus deze aanbevelingen. In alle coachingsgesprekken kwam steeds weer terug de manier van lesgeven en de benadering van de leerlingen. Eiseres gaf aan begeleiding op dit punt wenselijk te vinden. Ook in deze aanbevelingen wordt naar het oordeel van de rechtbank zichtbaar in welke opzichten eiseres problemen heeft bij de vervulling van haar functie.

De klachten van ouders in 2008 en 2009

Deze klachten zijn onderbouwd met een e-mailbericht van een ouder op 12 december 2008, een brief van 11 maart 2009 van een andere ouder en twee e-mailberichten van een ouder verstuurd op 16 februari 2009 en nog één op 1 april 2009. In deze berichten worden concrete voorbeelden gegeven van wat de leerlingen zouden hebben meegemaakt. De klachten zien, anders dan de eerdere klachten uit 2004, op het duwen, slaan en schoppen van leerlingen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat met deze klachten voorzichtig moet worden omgegaan en dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de klachten. Dit doet echter niet af aan het feit dat de in de klachten omschreven gang van zaken door eiseres niet is weersproken. Verweerder heeft de klachten niet nader onderzocht of met eiseres besproken, waardoor de precieze toedracht en de draagwijdte van het beschreven gedrag niet kan worden vastgesteld. Niettemin neemt de rechtbank aan dat drie verschillende klachten van ouders over het gebruik door eiseres van fysieke middelen om haar gezag te handhaven, betekenis hebben.

Het incident op 6 april 2009

In de hiervoor reeds aangehaalde verklaring van de heer Van de Ven zet hij uiteen wat de aanleiding was om eiseres op 6 april 2009 een time-out te geven. Na een melding van twee leerlingen, heeft hij, uit voorzorg vanwege de vrees dat eiseres tot fysiek geweld tegenover leerlingen zou overgaan, wat in de periode daarvoor al een enkele keer was voorgekomen en omdat de situatie in de les totaal uit de hand liep, eiseres bewogen het lokaal te verlaten. Eiseres beoordeelt de situatie anders. Naar haar mening was er geen bijzondere situatie en hebben twee leerlingen slechts hun beklag gedaan over eiseres bij de directeur.

Over de ontstane situatie zou op 23 april 2009 met eiseres gesproken worden. Gelet op de in het gesprek opgekomen gedachte om te streven naar een minnelijke beëindiging van het dienstverband, is niet meer ingegaan op de ontstane situatie, het incident op 6 april 2009 en de eerder door ouders geuite klachten.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat met bovenvermelde gegevens voldoende aannemelijk is gemaakt dat het gedrag van eiseres en haar functioneren, waaronder haar wijze van lesgeven, in de periode 2004 tot 2009 niet aansluiten bij hetgeen de organisatie van haar docenten verlangt, te weten de leerlingen op een positieve manier aanspreken, uitleg geven over de leerstof en hen stimuleren tot samenwerking. Ook de wil om samen te werken met collega’s ontbreekt.

4.4 Onder deze omstandigheden kon verweerder zich op het standpunt stellen dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat eiseres niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. De rechtbank betrekt hierbij dat eiseres een aantal malen het gebrek aan overwicht op de leerlingen heeft menen te moeten compenseren door fysieke middelen in te zetten. De rechtbank merkt bij dit oordeel wel op dat de dossiervorming bij verweerder te wensen overliet en dat verweerder een niet in alle opzichten heldere lijn naar eiseres heeft gevolgd, waarbij een formele beoordeling achterwege is gebleven en ondanks andersluidende adviezen eiseres meermalen de kans is geboden haar functioneren te verbeteren.

4.5 Volgens voormelde vaste jurisprudentie van de CRvB is voor een ongeschiktheidsontslag in het algemeen vereist dat de betrokken ambtenaar concreet met de verweten tekortkomingen is geconfronteerd op een zodanige wijze dat redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat bij gebreke van verbetering ontslag dreigde en op een zodanig tijdstip dat hij nog een reële kans had om de gewenste verbetering in zijn functioneren tot stand te brengen.

4.6 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen duidelijk vervolg is gegeven aan de uitkomsten van het assessment. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, anders dan eiseres stelt, wel een vervolg heeft gegeven aan de uitkomsten van het assessment. Naar aanleiding van het assessment is eiseres van 23 november 2007 tot 24 april 2008 begeleid door een externe coach. Door het geven van opdrachten aan eiseres is geprobeerd haar manier van lesgeven te verbeteren. Tijdens de coachingsgesprekken heeft eiseres aangegeven dat zij begeleiding wenste. Hieraan is gehoor gegeven door op 9 september 2008, 6 oktober 2008 en 16 december 2008 gesprekken met eiseres te voeren over het verdere traject. Weliswaar is in 2009 niet opnieuw gestart met coaching, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende begeleiding en verbeterkansen heeft geboden aan eiseres. Eiseres is na de klachten uit 2004 direct hiermee geconfronteerd. Eveneens is er zowel door het assessment als met behulp van de externe coach getracht om het functioneren van eiseres te verbeteren. Nu eiseres in april 2009 zelf heeft aangegeven te willen overleggen over een ontslagregeling, lag het niet op de weg van verweerder om verder te gaan met het voorgenomen coachings- en beoordelingstraject. De rechtbank oordeelt dat verweerder de tekortkomingen van eiseres voldoende heeft aangegeven en dat eiseres reële kansen heeft gekregen om de gewenste verbetering in haar functioneren tot stand te brengen.

4.7 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor een goede functievervulling noodzakelijk zijn. Verweerder was bevoegd om eiseres met toepassing van artikel 9.b.3, onder g, van de CAO/VO ontslag te verlenen.

4.8 Nu de rechtbank van oordeel is dat eiseres ongeschikt is voor het verrichten van haar functie, komt zij niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond of er sprake is van een blijvend diepgaand verschil van inzicht tussen eiseres en verweerder over de wijze waarop eiseres invulling geeft aan de functie van docent.

4.9 Het beroep is ongegrond.

4.10 De rechtbank ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

5 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A van ’t Laar voorzitter, en mr. E.R. Houweling en

mr. M.G.L. de Vette, leden, in tegenwoordigheid van J.E. Sondorp, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 4 mei 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA te Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature