< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Vrijstelling en bouwvergunning voor oprichten van 3 windturbines. Crisis- en herstelwet is van toepassing, nu sprake is van aanleg van productie-installatie voor opwekking van duurzame electriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 . Verweerderis bevoegd om gebruik te maken van de hem in artikel 19, lid 2, WRO gegeven vrijstellingsbevoegdheid. Ruimtelijke onderbouwing wordt toereikend geacht, waarbij ingegaan wordt op de aangevoerde beroepsgronden met betrekking tot geluidsnormen, slagschaduw, flora en fauna. Belangenafweging.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2305

uitspraak van de meervoudige kamer

inzake

[eiser 1] en [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder.

Inleiding

1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juni 2010, waarbij verweerder, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning heeft verleend aan Eneco New Energy B.V. (thans Eneco Wind B.V., verder te noemen: vergunninghouder) voor het oprichten van een windpark, bestaande uit 3 windturbines,

1 inkoopstation en bijbehorende werken op de percelen kadastraal bekend HTN04, sectie E, nummer 976 (gedeeltelijk) en sectie H, nummers 30, 2010, 32, 2020 en 2030 (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten (verder: de percelen).

1.2 De beroepen zijn, gevoegd met de zaken nrs. SBR 10/2089, SBR 10/2456, SBR 10/2455, SBR 10/2454, SBR 10/2457, SBR 10/2458, SBR 10/2459 en SBR 10/2460, behandeld ter zitting van 23 maart 2011, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Namens verweerder zijn verschenen mr. A.R.E. Maris, B. Nauta, drs. K.T. Helling en H. Huffels, allen werkzaam bij de gemeente Houten. Namens vergunninghouder zijn verschenen [X], projectontwikkelaar, en mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn.

1.3 Na afloop van het verhandelde ter zitting zijn eisers door de rechtbank nog in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken te reageren op het rapport Ecologische toetsing bouw Windpark Houten van Tauw van 26 oktober 2010. Eisers hebben hiervan gebruik gemaakt door toezending van het rapport van Els & Linde B.V. van 4 april 2011.

Overwegingen

2.1 Op 24 mei 2007 heeft vergunninghouder een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor de realisatie van 3 windturbines (met toebehoren) van het type Vestas V90 2MW, welke in rechte lijn worden opgesteld op de percelen op ongeveer 53 meter van het Amsterdam Rijnkanaal. De windturbines hebben een ashoogte van 105 meter en een rotordiameter van 90 meter met elk een elektrisch vermogen van 2 MW.

Ten behoeve van deze aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 21 juni 2010 vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en bouwvergunning verleend.

Crisis- en herstelwet

2.2 Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) in werking getreden. De rechtbank is van oordeel dat het bepaalde in artikel 5.3 van de Chw toepassing mist.

De rechtbank ziet zich daarmee geplaatst voor de beantwoording van de vraag of het in beroep bestreden besluit van verweerder van 21 juni 2010 onder de reikwijdte valt van de Chw.

De rechtbank beantwoordt die vraag, in tegenstelling tot het eerder in de brieven van

6 augustus 2010 en 9 februari 2011 ingenomen voorlopige standpunt, bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.3 Artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw bepaalt dat Afdeling 2 (‘Procedures’) van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke of infrastructurele projecten.

2.4 Bijlage I vermeldt - voor zover in dit geval van belang - onder meer de volgende categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Chw:

1. duurzame energie

1.1. aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998.

2.5 Ingevolge artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zijn Provinciale staten bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen.

Ingevolge artikel 9e, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 geven Provinciale staten in ieder geval toepassing aan de bevoegdheid op grond van het eerste lid indien een producent een voornemen tot de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld en de betrokken gemeente een aanvraag van die producent tot vaststelling dan wel wijziging van een bestemmingsplan met betrekking tot de gronden, bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen.

2.6 De vraag die voorligt is dus of in het onderhavige geval sprake is van de aanleg van een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, zoals vermeld in categorie 1.1 van Bijlage 1 van de Chw.

2.7 De rechtbank stelt vast dat het bouwplan voorziet in de realisatie van drie windturbines met een capaciteit van in totaal 6 MW. Gelet op artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, bezien in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw en categorie 1.1 van bijlage 1 van de Chw, kan de rechtbank tot geen ander oordeel komen dan dat de oprichting van een windpark met een capaciteit van 5 tot 100 MW - en dus ook dit windpark - onder de reikwijdte van de Chw valt. De omstandigheid dat Provinciale staten in dit geval geen inpassingsplan als bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 hebben vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank niet bepalend voor de beantwoording van de vraag of de Chw van toepassing is op een dergelijk project. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in categorie 1.1 van bijlage 1 van de Chw als beoordelingscriterium voor de vraag of de Chw van toepassing is, expliciet wordt verwezen naar de installatie zelf en niet naar de bevoegdheid van Provinciale staten om een inpassingsplan vast te stellen. Ook in de totstandkomingsgeschiedenis van de Chw zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de aanwending van de bevoegdheid door Provinciale staten en niet louter de aard van de productie-installatie bepalend is voor de toepasselijkheid van de Chw. Dat dit de bedoeling van de wetgever is, is te minder aannemelijk nu - naar vergunninghouder terecht heeft opgemerkt - die uitleg er toe zou kunnen leiden dat, gelet op artikel 9e, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998, de toepasselijkheid van de Chw door een gemeente doelbewust zou kunnen worden bewerkstelligd door geen medewerking te verlenen aan een noodzakelijke wijziging van het planologische regime.

2.8 De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voorliggende bouwplan is aan te merken als een project als bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I van de Chw, zodat Afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. De rechtbank zal het beroep dus dienovereenkomstig beoordelen.

Belanghebbende

2.9 De rechtbank staat primair en ambtshalve voor de beantwoording van de vraag of eisers als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. De omwonende van een bouwplan dient inzake de daarvoor verleende bouwvergunning allereerst op zodanige afstand van het betreffende bouwplan te wonen dat, gelet op de omvang en de ruimtelijke effecten van het bouwplan, alsmede (de mate van) zicht op het op te richten bouwwerk, aan voornoemd criterium wordt voldaan.

2.9.1 Nu beide eisers woonachtig zijn aan de Veerwagenweg en hun woning op korte afstand is gelegen van het te realiseren bouwplan, zijn eisers reeds om die reden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit aan te merken. Er is ook overigens geen beletsel eisers in hun beroep te ontvangen.

Beoordeling van de beroepsgronden

2.10 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat die wetswijzigingen niet van toepassing zijn in dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.11 Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing. Nu de onderhavige aanvraag om bouwvergunning - die door verweerder terecht mede is opgevat als een verzoek tot het verlenen van vrijstelling - op 24 mei 2007 is ingediend, dient te worden getoetst aan de WRO.

2.12 Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder bouwvergunning. Artikel 44 van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning moet en alleen dan mag worden geweigerd in een aantal specifieke situaties. Zo moet een bouwaanvraag worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.13 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat het bouwplan in strijd is met de vigerende bestemmingsplannen ‘Globaal Bestemmingsplan Houten’ en ‘Globaal Bestemmingsplan Houten Vinex’.

Het bouwplan kan daarom op de betreffende percelen alleen worden gerealiseerd indien de strijdigheid met de bestemmingsplannen wordt opgeheven door een vrijstelling. Verweerder heeft de aanvraag voor de bouwvergunning daarom terecht mede opgevat als een verzoek om vrijstelling op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.13.1 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door Gedeputeerde Staten (GS) in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

GS hebben ter invulling van artikel 19, tweede lid, van de WRO in hun “Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening” (hierna: de Circulaire) aangegeven in welke categorieën van gevallen vrijstelling kan worden verleend van een bestemmingsplan zonder dat een voorafgaande verklaring van geen bezwaar is vereist. In de voor dit geding van toepassing zijnde versie van de Circulaire, gedateerd 4 juli 2006 en in werking getreden op 1 september 2006, is in artikel 3.1.2 (de limitatieve vrijstellingslijst), onder C, sub n, opgenomen dat burgemeester en wethouders in het landelijk gebied vrijstelling kunnen verlenen voor het oprichten van windturbines op de locaties die daarvoor in § 8.2 van het Streekplan 2005-2015 zijn aangewezen, met inachtneming van de daarbij genoemde aantallen, vermogens en randvoorwaarden.

2.13.2 Teneinde te kunnen beoordelen of verweerder bevoegd was in dit geval gebruik te maken van de in artikel 19, tweede lid, van de WRO bedoelde vrijstellingsbevoegdheid, moet dan ook worden bezien of het bouwplan past binnen de reikwijdte van de Circulaire van 4 juli 2006, in het bijzonder binnen artikel 3.1.2 (Limitatieve lijst), onder C (Landelijk gebied), onder n, van die Circulaire. In dat kader dient beoordeeld te worden of het bouwplan op de betreffende locatie is aangewezen in het Streekplan 2005-2015 alsmede of is voldaan aan de randvoorwaarden, welke op hun beurt zijn opgenomen in het Windplan Utrecht, door GS vastgesteld op 9 juli 2002.

De rechtbank overweegt in verband hiermee als volgt.

2.13.3 Uit het Streekplan 2005-2015 blijkt dat voor windenergie een viertal locaties in de provincie Utrecht is aangewezen, waarbij onder meer het Windplan Utrecht en de uitgevoerde milieueffectrapportage uitgangspunt zijn geweest. De vier locaties die hierbij zijn aangewezen zijn:

1. de locatie gelegen langs het Amsterdam Rijnkanaal nabij Baambrugge (5 turbines,

15 MW);

2. de locatie gelegen langs de A2 ter hoogte van Breukelen in de gemeente Loenen

(3 turbines, 7,5 MW);

3. de locatie langs de A12 ten zuidwesten van Woerden (4 turbines, 6 MW);

4. de locatie langs het Amsterdam Rijnkanaal nabij Schalkwijk (8 turbines, 20 MW).

Naast de hiervoor genoemde locaties wordt per regio ruimte geboden aan maximaal twee kleinschalige opstellingen, waarbij de randvoorwaarden gelden zoals die in het Windplan zijn opgenomen. Onder een kleinschalige opstelling wordt verstaan een opstelling die bestaat uit 3 tot 6 windturbines, waarbij de betreffende regio’s zijn aangegeven op kaart 8.2 van de bij het Streekplan behorende kaartenbijlage. Nu het bouwplan voorziet in de realisering van drie windturbines en derhalve als kleinschalig is aan te merken, en de locatie waarop de windturbines zijn geprojecteerd op de hiervoor genoemde kaart 8.2 is aangegeven, moet worden geoordeeld dat in die zin wordt voldaan aan het uitgangspunt zoals dat is opgenomen in het Streekplan.

2.13.4 In het Windplan Utrecht, dat is opgesteld teneinde inzicht te krijgen in de vanuit ruimtelijk oogpunt meest gewenste locaties voor de plaatsing van windturbines, is voorts aangegeven dat door de provincie in elk van de regio’s die op kaart 8.2 zijn weergegeven,

1 of 2 kleinschalige opstellingen worden toegestaan, waarbij een voorkeur bestaat voor lijnopstellingen. De rechtbank stelt vast dat ook aan die voorwaarde wordt voldaan, nu het bouwplan voorziet in realisering van drie dezelfde windturbines die in rechte lijn ten oosten van de A27 langs het Amsterdam-Rijnkanaal worden opgesteld.

2.13.5 In het Windplan wordt verder vermeld dat de provincie bij concrete aanvragen van geval tot geval dient te beoordelen of plaatsing van windturbines aanvaardbaar is en de landschappelijke kwaliteit positief beïnvloedt. De rechtbank is van oordeel dat ook aan deze voorwaarde voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO wordt voldaan.

De rechtbank wijst in dat verband op het besluit van GS van 27 november 2007, waarin zij zich uitdrukkelijk hebben uitgelaten over de aanvaardbaarheid van de oprichting van de drie windturbines. In dit besluit van 27 november 2007 hebben GS opgemerkt dat volgens het Windplan realisering van drie windturbines aan het Amsterdam-Rijnkanaal en langs de rand van (toekomstig) bedrijventerrein De Meerpaal mogelijk is. Verder hebben GS opgemerkt dat het hen verheugt dat het gemeentebestuur van Houten opnieuw een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO opstart voor de plaatsing van drie windturbines. Ten slotte wordt door GS opgemerkt dat zij op inhoudelijke gronden geen belemmeringen zien voor de realisering van de windturbines op die locatie. Hieruit kan slechts worden afgeleid dat GS de plaatsing van de windturbines op deze locatie hebben beoordeeld en op aanvaardbaarheid hebben getoetst. De omstandigheid dat dit oordeel niet specifiek is gegeven naar aanleiding van de op 24 mei 2007 ingediende bouwaanvraag maar onderdeel uitmaakt van de nadere besluitvorming in het kader van de bestemmingsplanprocedure, maakt vorenstaande niet anders. Bepalend is immers dat de beoordeling heeft plaatsgevonden en niet in welke vorm of welke procedure.

2.13.6 Ook de omstandigheid dat de locatie waar windturbine 3 is voorzien, is aangemerkt als een zogenoemde gebiedscategorie III betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat daardoor sprake is van strijd met het Streekplan en het Windplan. De rechtbank wijst ter ondersteuning van dat oordeel op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) van 17 oktober 2007, LJN: BB5861, gedaan in de procedure omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan “Windturbines Veerwagenweg”, waarin de ABRS in rechtsoverweging 2.11.10 op grond van de daar vermelde overwegingen uitdrukkelijk tot de conclusie komt dat situering van windturbine 3 op deze locatie niet leidt tot strijd met het Streekplan en het Windplan. De rechtbank neemt deze overwegingen over en maakt die tot de hare.

2.13.7 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder in zoverre bevoegd was om in dit geval gebruik te maken van de hem in artikel 19, tweede lid, van de WRO gegeven vrijstellingsbevoegdheid.

2.14 De beroepsgrond van eisers dat verweerder van deze vrijstellingsbevoegdheid geen gebruik kan maken omdat één van de vigerende bestemmingsplannen ouder is dan 10 jaar, faalt nu de in het vierde lid van artikel 19 van de WRO opgenomen formele vereisten voor het verlenen van vrijstelling slechts zien op de bevoegdheid tot het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Nu verweerder in het onderhavige geval vrijstelling heeft verleend op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO, moet worden geoordeeld dat het bepaalde in artikel 19, vierde lid, van de WRO in dit geval toepassing mist. De ouderdom van de vigerende bestemmingsplannen staat aan de bevoegdheid tot toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO dus niet in de weg.

2.15 Eisers hebben voorts aangevoerd dat de verleende vrijstelling ten onrechte onbegrensd is, nu noch het gebruik noch de bouwmogelijkheden nader zijn omschreven. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu de vrijstelling blijkens het dictum van het bestreden besluit uitdrukkelijk ten behoeve van het thans voorliggende bouwplan is verleend. Dit betekent dus dat de vrijstelling enkel is verleend voor dit bouwplan, inclusief de daarbij behorende bouwtekeningen.

2.16 De rechtbank staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing toereikend is.

2.16.1 De rechtbank stelt vast dat de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door het rapport "Ruimtelijke onderbouwing voor het plaatsen van drie windturbines, één inkoopstation en bijbehorende werken op percelen nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten, BV20070142”. Hierin is ingegaan op de feitelijke situatie ter plaatse en de relatie met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, alsmede op de ontwikkeling die de gemeente voorstaat. In de ruimtelijke onderbouwing wordt voorts ingegaan op de aspecten die door eisers in het beroepschrift zijn aangevoerd.

2.16.2 Met betrekking tot eisers bezwaren dat het bouwplan niet voldoet aan de geldende geluidsgrenswaarden stelt de rechtbank vast dat in de ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd uiteen is gezet dat het bouwplan voldoet aan de ingevolge de, voor de windturbines afgegeven, milieuvergunning geldende geluidsnormen en dat de geluidbelasting van de windturbines op de gevels van de woningen in de omgeving voldoet aan de gestelde grenswaarden.

2.16.3 Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS (zie onder meer de uitspraak van 2 februari 2011, LJN: BP2806) dient de vraag of een bouwplan voldoet aan de (krachtens het Activiteitenbesluit) te stellen geluidsnormen te worden bezien in een procedure ingevolge de Wet milieubeheer. Thans kan slechts aan de orde zijn de vraag of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de vrijstelling niet mocht worden verleend, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in de milieuwetgeving opgenomen geluidsnormen.

2.16.4 Bij besluit van 15 december 2009, dus voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, heeft verweerder aan vergunninghouder een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en inwerking hebben van het windpark op de percelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het nemen van het besluit van 21 juni 2010 er geen sprake was van een situatie waarin verweerder ernstig had moeten betwijfelen of kon worden voldaan aan de geldende geluidsnormen. De rechtbank miskent daarbij niet dat door enkele omwonenden tegen het besluit van 15 december 2009 beroep was ingesteld bij de ABRS. Op die beroepen was ten tijde van het thans bestreden besluit nog niet beslist.

Die omstandigheid vormt op zichzelf evenwel geen grond voor het oordeel dat de rapporten waar verweerder zijn standpunt op heeft gebaseerd gebreken vertonen en dat daardoor ten tijde van de vergunningverlening ernstig moest worden betwijfeld of kon worden voldaan aan de (in de milieuvergunning opgenomen) geluidsnormen. Eisers hebben dit niet door middel van objectieve gegevens aannemelijk gemaakt.

De rechtbank betrekt hierbij hetgeen terzake is vermeld in de rapporten van de Stichting advisering bestuursrechtspraak (Stab) van 3 februari 2006 en 25 augustus 2010, waarin met betrekking tot het geluidsaspect wordt geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat het laagfrequent geluid van windturbines zal leiden tot een overschrijding van de gehoordrempel.

2.16.5 Voor vernietiging van het bestreden besluit in verband met de geluidsaspecten bestaat evenmin aanleiding gelet op de uitspraak van de ABRS van 23 februari 2011 op het tegen voornoemde milieuvergunning gerichte beroep (LJN: BP5473). In die uitspraak heeft de ABRS overwogen dat de inrichting met ingang van 1 januari 2011 onder de werking van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) is komen te vallen, waardoor voor de inrichting geen vergunningplicht meer geldt, zodat de bij besluit van 15 december 2009 verleende vergunning van rechtswege is komen te vervallen.

Gelet hierop dienen de windturbines met ingang van 1 januari 2011 te voldoen aan de geluidnormen zoals neergelegd in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat voor vergunninghouder maatwerkvoorschriften zullen worden vastgesteld die strenger van aard zullen zijn dan de in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit neergelegde voorschriften. Vergunninghouder heeft aangegeven aan die voorschriften te kunnen en te zullen voldoen. Eisers hebben gesteld noch aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk zou zijn. Aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder vanwege de geluidsaspecten van het windpark in relatie tot de toepasselijke geluidsnormen had dienen af te zien van het verlenen van de vrijstelling kunnen ook hierin niet worden gevonden.

2.17 Eisers hebben voorts aangevoerd dat niet wordt gegarandeerd dat niet onaanvaardbaar veel slagschaduw zal optreden, waardoor een goed woon- en leefklimaat niet is gewaarborgd. Ook deze beroepsgrond van eisers kan niet slagen.

2.17.1 De rechtbank overweegt in dat verband dat het voorkomen van onaanvaardbare hinder ten gevolge van slagschaduw in het kader van de milieuvergunning uitvoerig aan de orde is gekomen. In de hiervoor in 2.16.4 genoemde rapporten van de Stab wordt overigens geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van voelbare trillingen en dat niet is gebleken dat draaiende rotorbladen een negatieve invloed hebben op de gezondheid. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het standpunt van verweerder dienaangaande onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins onjuist zou zijn. Vorenstaande geldt temeer nu eisers dit standpunt van verweerder niet met objectieve gegevens hebben betwist.

2.18 Eisers hebben voorts aangevoerd dat de gevolgen voor de flora en fauna onvoldoende door verweerder zijn onderzocht, nu de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde ‘Quick-scan natuurwaarden windturbinelocaties Houten’ van april 2004 dermate oud is dat deze scan niet meer gebruik mocht worden ter onderbouwing van het bestreden besluit. Ook deze beroepsgrond slaagt niet, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.

2.18.1 De vraag of voor de uitvoering van een bouwplan een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen medewerking aan het bouwplan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Ten behoeve van het project is een quick-scan verricht naar de natuurwaarden ter plaatse van de locaties voor de windturbines. Op basis van dit onderzoek kon verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. De rechtbank schaart zich met dit oordeel achter het oordeel van de ABRS, zoals dat is neergelegd in eerdergenoemde uitspraak van 17 oktober 2007, LJN: BB5861. De rechtbank wordt in dit oordeel bovendien gesteund door het uitvoerige rapport “Ecologische toetsing bouw Windpark Houten” van 26 oktober 2010 van Tauw, dat weliswaar dateert van na het bestreden besluit, maar in welk rapport de bevindingen van de quick-scan naar de natuurwaarden ter plaatse worden onderschreven.

Aan vorenstaande kan niet afdoen hetgeen is aangevoerd in het door eisers nader ingediende rapport van 4 april 2011 van Els & Linde B.V., nu dit rapport geen aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat sprake is van een evidente belemmering op grond van de Flora- en faunawet voor het verlenen van de gevraagde vrijstelling.

2.19 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.20 De rechtbank vindt in hetgeen eisers hebben aangevoerd ten aanzien van de aantasting van hun woon- en leefklimaat en ten aanzien van het landschap geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten medewerking te verlenen aan het bouwplan. De rechtbank is zich daarbij bewust van het feit dat eisers in enige mate negatieve gevolgen zullen kunnen ondervinden van dit bouwplan, doch niet aannemelijk is geworden dat de gevolgen van het bouwplan voor eisers zodanig zullen zijn dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat.

De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat vergunninghouder een groot belang heeft bij het ontwikkelen en realiseren van duurzame energie, waaronder windenergie, teneinde de energiebehoefte veilig te kunnen stellen. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plaatsing van windturbines een algemeen maatschappelijk belang dient.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen de algemene belangen bij het opwekken van windenergie en de daarmee parallel lopende belangen van vergunninghouder heeft mogen laten prevaleren boven de belangen van eisers.

2.21 Het vorenoverwogene is aanmerking nemende is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, waarmee de strijdigheid van het bouwplan met het vigerende planologische regime is opgeheven.

2.22 De rechtbank komt tot de slotsom dat de beroepsgronden van eisers niet slagen. Aan een bespreking van het in artikel 1.9 van de Chw opgenomen relativiteitsvereiste komt de rechtbank dus niet toe. De beroepen leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit en worden ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.M. Willems en

mr. E.C. Matiasen, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.

De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen de gronden niet meer worden aangevuld.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature