< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afsluiten inboedelverzekering door natuurlijk persoon (die tevens directeur-enig aandeelhouder is van de vennootschap) op bestaande bedrijfspolis van B.V. Vraag of sprake is van nieuwe overeenkomst is. Verzwijging.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 167307 / HA ZA 10-166

Vonnis van 20 april 2011

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.M. van den Pol te Gorinchem,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en ABN AMRO genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 januari 2010

- de akte overlegging producties aan de zijde van [eiser] van 10 februari 2010

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek met één productie

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is directeur en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Handelsonderneming [bedrijf A] B.V. (hierna: [bedrijf A]).

2.2. [eiser] heeft op 18 februari 2004 een aanvraagformulier 'ABN AMRO Bedrijfspolis' ten name van [bedrijf A] ondertekend. Op 2 maart 2004 heeft [eiser] een extra vragenformulier ondertekend. Met ingang van 13 april 2004 is tussen [bedrijf A] en ABN AMRO een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen met polisnummer [nummer] (hierna: de bedrijfspolis). De dekking ziet op het risico van schade aan de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] en de daaraan gekoppelde opruimingskosten.

2.3. Op 25 augustus 2005 heeft [eiser] door middel van het ingevuld retourneren van een onderhoudsformulier van de bedrijfspolis een offerte aangevraagd voor een inventaris/goederenverzekering voor een verzekerd bedrag van EUR 500.000,-.

2.4. ABN AMRO heeft de inventaris/goederenverzekering ondergebracht op de reeds bestaande bedrijfspolis en het polisblad d.d. 2 september 2005 aan [eiser] gezonden.

2.5. Bij brief van 19 september 2005 heeft [eiser] aan ABN AMRO geschreven:

[...]De Inventaris/goederenverzekering groot E 500.000 welke in de polis als verzekeringnemer Handelsonderneming [bedrijf A] heeft, moet als verzekeringnemer [eiser] worden.

Dit om reden dat de [...] in de polis genoemde verpanding van de voorraad niet Handelsonderneming [bedrijf A] B.V. is doch [eiser]!

Daar Handelsonderneming [bedrijf A] voor zowel het bestuur als enig aandeelhouder ook [eiser] is, is het aan u te beoordelen of de polis aangepast, danwel een nieuwe polis hiervan opgemaakt moet worden.

Voorts verzoek ik u het bedrag van E 500.000 te verhogen tot E 600.000 om reden dat [eiser] geen b.t.w. kan verrekenen.[...]

2.6. Op 28 september 2005 heeft ABN AMRO een nieuw polisblad afgegeven, waarin de (bestaande) polis met polisnummer [nummer] op naam gesteld is van "Handelsonderneming [bedrijf A] B.V. e/o [eiser]" en waarin het verzekerde bedrag voor de roerende goederen is verhoogd naar EUR 600.000,-.

2.7. Bij brief van 6 oktober 2005 heeft [eiser] aan ABN AMRO verzocht om een offerte ter uitbreiding van de bedrijfspolis voor een bedrijfsschadeverzekering, een extra kostenverzekering en een rechtsbijstandverzekering . ABN AMRO heeft daarop aan [bedrijf A] een aanvraagformulier gezonden, dat door [eiser] op 24 oktober 2005 is ondertekend en teruggezonden. ABN AMRO heeft een nieuwe polis verstrekt onder (het bestaande) polisnummer [nummer] waarin dekking wordt verleend voor bedrijfsschade ad EUR 40.000,- en extra kosten ad EUR 10.000,-. Het verzoek voor het aangaan van een rechtsbijstandverzekering is niet ingewilligd.

2.8. Op 10 november 2005 is brand uitgebroken in het pand van [bedrijf A] aan de [adres] te [woonplaats], waarbij onder meer het grootste deel van de opgeslagen houtvoorraad verloren is gegaan.

2.9. ABN AMRO heeft bij brief van 24 april 2006 een beroep gedaan op vernietiging van de verzekeringsovereenkomst op grond van artikel 251 van het Wetboek van Koophandel (K.) omdat [eiser] als directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf A] op het op 18 februari 2004 ingevulde aanvraagformulier geen melding had gemaakt van het feit dat hij de daaraan voorafgaande acht jaar in aanraking was geweest met politie en justitie alsmede omdat hij niet geheel juiste en onvolledige informatie had verstrekt over een brand in 2000.

2.10. [bedrijf A] heeft bij dagvaarding van 6 juli 2006 ABN AMRO in rechte betrokken en vergoeding van de verzekerde bedragen gevorderd. Bij vonnis van 28 juli 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de vordering van [bedrijf A] afgewezen (zaak/rolnummer 122756 / HA ZA 06-916).

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat ABN AMRO gehouden is de door [eiser] geleden schade aan roerende zaken als gevolg van de brand op 10 november 2005 te vergoeden en ABN AMRO zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering op de volgende stellingen. In september 2005 heeft hij een verzekeringsovereenkomst gesloten met ABN AMRO met betrekking tot roerende zaken die destijds waren opgeslagen in het bedrijfspand van [bedrijf A] aan de [adres] te [woonplaats] en die aan hem persoonlijk waren verpand. Nadat op 10 november 2005 brand is uitgebroken in het pand, is het grootste deel van de opgeslagen houtvoorraad verloren gegaan. Op grond van de verzekeringsovereenkomst dient ABN AMRO de schade van [eiser] te vergoeden. Ten aanzien van deze overeenkomst kan ABN AMRO zich er volgens [eiser] niet op beroepen dat hij niet voldaan heeft aan zijn mededelingsplicht ex artikel 251 K. ABN AMRO heeft bij het aangaan van deze overeenkomst geen vragen gesteld over een strafrechtelijk verleden aan de zijde van [eiser] en zij was op correcte wijze geïnformeerd over de brand in 2000. Subsidiair merkt [eiser] op dat zijn strafrechtelijk verleden niet van dien aard is dat een redelijk handelend verzekeraar zich achteraf op het standpunt kan stellen dat zij de verzekering niet zou hebben geaccepteerd indien zij op de hoogte zou zijn geweest van de feiten. Meer subsidiair stelt [eiser] dat niet voldaan is aan het relevantievereiste.

3.3. ABN AMRO voert het volgende aan. [bedrijf A] heeft op 18 februari 2004 een opstalverzekering gesloten met ABN AMRO. Bij het invullen van het aanvraagformulier voor die verzekering heeft [eiser] als directeur/enig aandeelhouder van [bedrijf A] onjuiste informatie verstrekt over een brand in 2000 en geen melding gemaakt van het feit dat hij in de daaraan voorafgaande acht jaar in aanraking was geweest met politie en justitie. In 2005 is de bestaande bedrijfspolis uitgebreid met een inboedelverzekering en is de tenaamstelling aangepast in die zin dat als verzekeringnemers zijn opgenomen [bedrijf A] en/of [eiser]. De wijzigingen van de polis in september 2005 vormen een uitbreiding van de bestaande polis; er is geen sprake van een nieuwe verzekeringsovereenkomst.

Na de brand op 10 november 2005 is door ABN AMRO onder meer onderzoek gedaan naar de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst in 2004. Bij brief van 24 april 2006 heeft ABN AMRO met een verwijzing naar het destijds geldende artikel 251 K. een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de verzekeringsovereenkomst. Het beroep op vernietiging dat is gedaan met betrekking tot de overeenkomst van 2004 en dat door de rechtbank in haar vonnis van 28 juli 2010 is gehonoreerd geldt volgens ABN AMRO evenzeer en onverminderd ten aanzien van de verzekering met betrekking tot de roerende zaken.

Subsidiair voert ABN AMRO aan dat sprake is van een verzekeringsovereenkomst die voortbouwt op de reeds bestaande overeenkomst.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

nieuwe verzekeringsovereenkomst?

4.1. Het debat tussen partijen heeft zich met name toegespitst op de vraag of de inventaris/goederenverzekering die in september 2005 is afgesloten, moet worden beschouwd als een uitbreiding van de bestaande bedrijfspolis uit 2004, dan wel als een nieuwe verzekeringsovereenkomst.

4.2. [eiser] betoogt dat het gaat om een nieuwe overeenkomst omdat er sprake is van een nieuwe contractspartij en van een ander verzekerd object. Hij wijst erop dat in de bedrijfspolis van 2004 "Handelsonderneming [bedrijf A] B.V." als contractspartij is vermeld en dat in de polis van september 2005 "Handelsonderneming [bedrijf A] B.V. en/of [eiser]" als contractspartijen zijn vermeld. In de bedrijfspolis van 2004 gaat het om een opstalverzekering, namelijk verzekering van onroerend goed, terwijl de polis van september 2005 een inventaris/goederenverzekering betreft die ziet op roerende goederen (een houtvoorraad).

4.3. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft [eiser] ter gelegenheid van de pleidooien een advies overgelegd van prof. M.M. Mendel, die op verzoek van [eiser] zijn visie heeft gegeven op het geschil tussen partijen. Op de vraag "nieuwe overeenkomst of niet" schrijft prof. Mendel:

"Na enige aarzeling voel ik toch het meest voor de opvatting dat de inventaris/goederenverzekering van september 2005 een nieuwe overeenkomst is. Van belang is hierbij dat het bij die overeenkomst vooral ging om het belang van [eiser] in privé."

4.4. ABN AMRO meent dat er slechts sprake is van een uitbreiding van de polis, althans een voortbouwende overeenkomst. Zij voert daartoe aan dat [eiser] zijn aanvraag voor een offerte voor het verzekeren van de houtvoorraad gedaan heeft op het onderhoudsformulier van de bestaande bedrijfspolis, dat er geen nieuw aanvraagformulier is ingevuld en dat de inboedelverzekering is bijgeschreven op de bedrijfspolis onder hetzelfde nummer. Volgens ABN AMRO is [eiser] niet een 'andere' partij dan [bedrijf A].

4.5. De Hoge Raad heeft - in een geval waarin de looptijd van een verzekeringsovereenkomst was verstreken - geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of, na ommekomst van de looptijd, een nieuwe verzekeringsovereenkomst tot stand komt dan wel de bestaande overeenkomst wordt verlengd of voortgezet alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder in het bijzonder de mede door uitleg van de polis vast te stellen bedoeling van partijen (HR 8 januari 1993, NJ 1994, 151).

4.6. In de onderhavige zaak gaat het niet om de situatie dat de looptijd van een bestaande verzekeringsovereenkomst is verstreken, maar om de situatie dat [eiser] vanwege verpanding aan hem privé een houtvoorraad - mede - ter verzekering aanbood aan ABN AMRO. Dat neemt niet weg dat ook in dit geval alle omstandigheden van het geval van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of er al dan niet een nieuwe verzekering tot stand is gekomen.

4.7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ten pleidooie blijkt dat de gang van zaken als volgt is geweest.

- In 2004 heeft [bedrijf A] een verzekeringsovereenkomst gesloten met ABN AMRO. Het betrof een gebouwenverzekering voor een verzekerd bedrag van EUR 239.900,- en opruimingskosten tot een bedrag van EUR 25.000,-.

- Op 25 augustus 2005 heeft [eiser] - op een onderhoudsformulier dat hem in het kader van de gebouwenverzekering was toegezonden - verzocht om een offerte voor een inventaris/goederenverzekering voor een verzekerd bedrag van EUR 500.000,-. Vervolgens heeft telefonisch contact plaatsgehad tussen [eiser] en een verzekeringsadviseur van ABN AMRO, waarbij [eiser] heeft meegedeeld dat hij privé geld had geleend aan een huurder en als zekerheid voor de geldlening een pandrecht op de voorraad had bedongen. Die voorraad wilde hij verzekeren.

- ABN AMRO heeft [eiser] geen aanvraagformulier toegestuurd, maar op 2 september 2005 een nieuw polisblad - onder hetzelfde polisnummer - afgegeven aan [bedrijf A], waarop de nieuwe zaken zijn vermeld en met de aantekening dat het de verzekeraar bekend is dat de goederen zijn verpand aan de verzekerde.

- Bij brief van 19 september 2005 heeft [eiser] ABN AMRO erop gewezen dat de verpande zaken aan hem persoonlijk zijn verpand. Hij heeft tevens gevraagd het bedrag van EUR 500.000,- te verhogen met EUR 100.000,- aangezien hij (als privépersoon) geen BTW kan verrekenen.

- Op 28 september 2005 heeft ABN AMRO een nieuwe polis afgegeven - onder hetzelfde nummer. De polis is op naam gesteld van "Handelsonderneming [bedrijf A] en/of [eiser]" en het verzekerde bedrag is verhoogd tot EUR 600.000,-.

- Bij brief van 6 oktober 2005 is door [bedrijf A] om uitbreiding gevraagd van de bedrijfspolis met een bedrijfsschadeverzekering, een extra kosten verzekering en een rechtsbijstandverzekering.

- Daarop is door ABN AMRO een aanvraagformulier toegezonden, dat door [eiser] namens [bedrijf A] is ondertekend en retour gezonden. ABN AMRO heeft een nieuw polisblad verstrekt dd 28 oktober 2005 - onder hetzelfde polisnummer. Met uitzondering van de rechtsbijstandverzekering is de aanvraag gehonoreerd en is dekking verleend voor bedrijfsschade ad EUR 40.000,- en extra kosten ad EUR 10.000,-

4.8. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat [eiser] in privé een verzekeringsovereenkomst wilde sluiten met betrekking tot roerende goederen die lagen opgeslagen in de bedrijfshal van [bedrijf A]. Het ging derhalve om een nieuwe contractant: [eiser] in plaats van [bedrijf A]. Het ging voorts om een nieuw verzekerd object: roerende goederen in plaats van gebouwen. Bovendien ging het om een veel hogere dekking van het nieuwe object: EUR 600.000,00 in plaats van EUR 264.000,-. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat sprake is van een nieuwe overeenkomst.

4.9. Dat [eiser] zijn aanvraag om een offerte heeft gedaan op een 'bedrijfspolis onderhoudsformulier' maakt niet dat hij - zoals ABN AMRO aanvoert - vraagt om wijziging van de bestaande polis. Hij vraagt immers uitdrukkelijk om een offerte en heeft ook uitdrukkelijk aangeven dat het om goederen gaat die aan hem privé zijn verpand, zodat ook voor ABN AMRO duidelijk was dat het om een nieuwe verzekerde ging.

4.10. ABN AMRO heeft (als doorslaggevende omstandigheid) aangevoerd dat geen nieuw aanvraagformulier is toegezonden. ABN AMRO verwijst daarbij naar de 'Algemene Verzekeringsvoorwaarden ABN AMRO Bedrijfspolis 2004', waarin is vermeld:

2.2 Grondslag van de verzekering

De verzekeringen zijn door verzekeraar geaccepteerd en aangegaan op grondslag van juistheid en volledigheid van de gegevens door middel van een ingediend aanvraagformulier respectievelijk extra vragenformulier.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 januari 1984 (NJ 1985, 590) overwogen dat in de toelichting op art. 7.17.1 NBW wordt opgemerkt dat in de tegenwoordige verzekeringspraktijk de vragenlijst een grote rol speelt, ook bij de brandverzekering, en dat in aansluiting daarop in recente en gezaghebbende literatuur wordt gesteld dat bij het overgrote deel van de hier te lande gesloten verzekeringen een aanvraagformulier gebruikelijk is. Dat arrest zag echter op een casus waarbij de verzekeraar er een beroep op deed dat een nieuwe verzekering zou zijn afgesloten en waar de verzekeraar dus diende aan te tonen dat het zijn bedoeling was geweest een nieuwe overeenkomst te sluiten. In dat verband kan het niet verzenden van een aanvraagformulier hem worden tegengeworpen. In het onderhavige geval beroept de verzekerde zich erop dat een nieuwe overeenkomst is gesloten. De verzekerde moet derhalve aantonen dat die overeenkomst tot stand is gekomen. Niet valt in te zien hoe hem kan worden tegengeworpen dat de verzekeraar heeft nagelaten hem een nieuw aanvraagformulier toe te zenden. De enkele omstandigheid dat geen aanvraagformulier is toegezonden brengt niet mee dat ABN AMRO zich erop kan beroepen dat geen nieuwe overeenkomst is gesloten.

4.11. ABN AMRO heeft voorts aangevoerd dat geen sprake is van een nieuwe overeenkomst omdat de inventaris/goederenverzekering is bijgeschreven op de bestaande bedrijfspolis onder hetzelfde nummer. Echter: ook de in oktober 2005 door [bedrijf A] afgesloten verzekering voor bedrijfsschade en extra kosten is bijgeschreven op de bestaande bedrijfspolis onder hetzelfde nummer. Deze verzekering is volgens de eigen stellingen van ABN AMRO een nieuwe overeenkomst (vgl conclusie van antwoord punt 22). Daaruit volgt dat de omstandigheid dat een verzekering wordt ondergebracht op een bestaande polos onder een bestaand nummer, er - kennelijk ook volgens ABN AMRO - niet aan in de weg staat dat sprake is van een nieuwe overeenkomst.

4.12. Het verweer dat [eiser] niet een andere partij is dan [bedrijf A] wordt eveneens verworpen. Er is geen aanleiding om [eiser] met betrekking tot de verzekering van de houtvoorraad te vereenzelvigen met [bedrijf A], nu [eiser] een aan hem in privé verpande houtvoorraad wilde verzekeren. Dat de premie ten laste is gebracht van [bedrijf A] en door [bedrijf A] is betaald, maakt dat niet anders.

4.13. De conclusie is dat sprake is van een nieuwe overeenkomst. Het betoog van ABN AMRO dat de overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst die voortbouwt op de reeds bestaande verzekeringsovereenkomst kan niet worden gevolgd. Het gaat immers niet om een verzekering die tot stand is gekomen tussen dezelfde partijen en die naadloos aansluit op de oude verzekeringsovereenkomst, doch het gaat om een ander soort verzekering, een nieuw verzekerd object en een nieuwe contractspartij.

verzwijging/verkeerde opgave

4.14. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of ABN AMRO zich kan beroepen op vernietigbaarheid van de nieuwe verzekeringsovereenkomst met verwijzing naar het destijds geldende artikel 251 K.

- strafrechtelijk verleden

4.15. Ten aanzien van het door ABN AMRO aangevoerde verzwijgen van het strafrechtelijk verleden van [eiser] gaat de rechtbank uit van de vaste jurisprudentie dat een aspirant-verzekerde niet spontaan zijn strafrechtelijk verleden hoeft te vermelden, doch daartoe pas verplicht is als de verzekeraar er uitdrukkelijk naar vraagt. Vast staat dat ABN AMRO naar aanleiding van de aanvraag van [eiser] voor de inboedelverzekering geen aanvraagformulier heeft toegezonden en geen vragen heeft gesteld over zijn strafrechtelijk verleden. Nu [eiser] dit niet spontaan hoefde te vermelden, kan hem geen verzwijging worden verweten. Dit zou slechts anders zijn indien vast zou komen te staan dat [eiser] zijn verleden zou hebben verzwegen met de bedoeling zich daardoor een verzekering te verschaffen, die de verzekeraar, zo zij met dat verleden bekend zou zijn geweest, niet of niet onder dezelfde voorwaarden gesloten zou hebben. Zulks is echter door ABN AMRO niet gesteld, noch anderszins gebleken.

4.16. Ten pleidooie heeft [eiser] (alsnog) aan zijn vordering ten grondslag willen leggen de stelling dat hij destijds bij het invullen van het aanvraagformulier van 18 februari 2004 zijn strafrechtelijk verleden niet heeft verzwegen. ABN AMRO heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van de grondslag van de vordering. Nu de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 4.13. heeft geoordeeld dat in 2005 een nieuwe verzekeringsovereenkomst is gesloten met betrekking tot de inboedel, komt zij niet toe aan de behandeling van het -gestelde - verzwijgen van het strafrechtelijk verleden van [eiser] in 2004, zodat de vermeerdering van de grondslag onbesproken kan blijven.

- brand in 2000

4.17. [eiser] betoogt dat ABN AMRO in 2005 op de hoogte was van de brand omdat [eiser] daarvan melding heeft gemaakt in het aanvraagformulier voor een bedrijfspolis van 2004. In dat formulier heeft [eiser] onder het kopje: "Eventuele toelichting op bovengenoemde zaken" geschreven:

"Ik ben in jan 2000 slachtoffer geweest van pyromaan, waarbij dader nooit gepakt is, maar de verz heeft mij wel voor een aanzienlijk bedrag schadeloos moeten stellen en de verzekering stopgezet."

4.18. ABN AMRO voert aan dat de informatie die [eiser] heeft verschaft over een brand in een pand van [bedrijf A] in 2000 niet geheel juist en onvolledig is. Volgens ABN AMRO is uit onderzoek gebleken dat de brand het gevolg was van brandstichting en dat [eiser] in 2000 niet simpelweg slachtoffer is geweest van een pyromaan, maar dat aan deze brand allerlei problemen tussen [eiser] en zijn broers zijn voorafgegaan. [B], een broer van [eiser], heeft hem ervan beschuldigd negatief bij deze brand betrokken te zijn geweest en [eiser] is in verband met de brand door de politie gehoord.

ABN AMRO betoogt dat [eiser] haar had dienen te informeren omtrent de achtergronden van de brand, zodat zij een afweging had kunnen maken van het morele risico en niet met [bedrijf A]/[eiser] in zee zou zijn gegaan. ABN AMRO onderbouwt dit verweer door het overleggen van een in februari 2004 door [bedrijf A] bij Delta Lloyd ingediend aanvraagformulier, waarop door [eiser] wel een toelichting is gegeven op de achtergronden van de brand uit 2000 en waarbij bovendien een krantenartikel over de problemen is gevoegd.

4.19. De rechtbank stelt voorop dat de verzekeraar - voor zover zulks mogelijk is - de uiterste zorg moet betrachten om te voorkomen dat hij onbekend met voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden de verzekering afsluit (het zgn. verschoonbaarheidsvereiste). Deze zorgplicht gaat echter niet zover dat de verzekeraar niet mag vertrouwen op de juistheid van de door de wederpartij gedane mededelingen.

4.20. [eiser] heeft ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in 2004 niet verzwegen dat in 2000 brand is gesticht in zijn pand. Hij heeft geschreven dat brand is gesticht door een pyromaan en dat de verzekeraar de verzekering heeft stopgezet. Hij stelt - en dat wordt door ABN AMRO niet betwist - dat hij tijdens het gesprek met een medewerker van ABN AMRO te Gorinchem heeft gesproken over de brand en voorts dat de medewerkers van de vestiging [woonplaats] op de hoogte waren van alle omstandigheden rond zijn familie en de brand, omdat hij al heel lang bankierde bij ABN AMRO.

In dat licht hoefde [eiser] niet te begrijpen dat de beslissing van ABN AMRO om de verzekering aan te gaan, kon afhangen of zou kunnen afhangen van de schriftelijke vermelding van de problemen die [eiser] met zijn broers had in de periode van de brand in 2000. Indien ABN AMRO het belangrijk vond op de hoogte te zijn van alle omstandigheden rondom de brand in 2000 had het op haar weg gelegen (nadat zij was geïnformeerd over het feit dat de brand was aangestoken en dat de toenmalige verzekering was stopgezet) door nadere inlichtingen in te winnen of anderszins een nader onderzoek in te stellen zich alsnog duidelijkheid te verschaffen, zeker nu het volgens haar om voor de risicobeoordeling essentiële informatie ging.

Dat ABN AMRO in de omstandigheid dat [eiser] heeft vermeld dat de brand was aangestoken door een pyromaan geen aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te doen of nadere informatie op te vragen, omdat een pyromaan (volgens Van Dale) een 'ziekelijke brandstichter' is en eenieder slachtoffer kan worden van een psychisch gestoorde, dient voor haar rekening te blijven. Nu kennelijk nooit is vast komen te staan wie de brand destijds heeft aangestoken, mocht [eiser] in redelijkheid vermelden dat de brandstichter een pyromaan was, nog afgezien van de vraag in hoeverre [eiser] zich bewust was (of had moeten zijn) van het taalkundige verschil tussen een pyromaan en een brandstichter.

4.21. Uit het vorenstaande volgt dat ABN AMRO zich niet met succes kan beroepen op schending van de mededelingsplicht door [eiser] en gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden. De vordering zal worden toegewezen.

4.22. Als de in het ongelijk gestelde partij zal ABN AMRO worden veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op

explootkosten EUR 87,93

vast recht EUR 263,00

advocaatkosten EUR 1.808,00 (4 pt x tarief EUR 452,00)

totaal EUR 2.158,93

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat ABN AMRO gehouden is de door [eiser] geleden schade aan roerende zaken als gevolg van de brand op 10 november 2005 te vergoeden;

5.2. veroordeelt ABN AMRO in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 2.158,93;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad met betrekking tot de kostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature