< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

artikel 220 e gemeentewet

verpleeg- en verzorgingstehuis

CIZ-indicatie 'zorg met verblijf'

artikel 9 van het besluit zorgaanspraken AWBZ

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht,

meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/439

Uitspraakdatum: 3 maart 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[naam],

gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde drs. C.J.M. Noordermeer Van Loo,

werkzaam bij Price Waterhouse Coopers Belastingadviseurs te Amsterdam.

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2009, nummer [aanslagnummer], krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als

[adres] te [plaats 2] (hierna: het object), per waardepeildatum 1 januari 2008 vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 op € [bedrag]. Bij deze beschikking zijn ook aanslagen onroerende-zaakbelasting (OZB) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2010 de waarde van het object verlaagd tot € [bedrag] en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft daartegen bij fax van 8 juni 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010 te Middelburg.

Eiseres is daar verschenen bij mr. [naam] en [naam]. Namens verweerder zijn verschenen N.P.C. Geerts en mr. P.E.H.A. Ingenhou. Ter zitting is het onderzoek gesloten. Het doen van uitspraak is één maal verdaagd.

2. Feiten

Eiseres is gebruiker van het object. Het object betreft een gecombineerd verpleeg- en verzorgingstehuis en bestaat uit een linker- en een rechtervleugel. De begane grond van de linkervleugel betreft een gesloten unit met 22 eenpersoonswooneenheden, waar psychogeriatrische zorg wordt geboden aan de bewoners. De wooneenheden bestaan uit een woonslaapkamer, een badkamer met douche en toilet en een pantry. De pantry is niet geschikt om te koken. Op de eerste verdieping van de linkervleugel bevindt zich de somatische verpleegafdeling. Op deze afdeling zijn acht eenpersoonswooneenheden beschikbaar voor bewoners. Op de begane grond en eerste verdieping van de rechtervleugel zijn in totaal 46 eenpersoonskamers en 2 tweepersoonskamers gesitueerd, welke zijn ingericht voor zorg van patiënten met een medische indicatie. Voor de 2 tweepersoonskamers zijn een sociale en medische indicatie vereist. Verder zijn er een aantal gemeenschappelijke (woon)ruimten. Alle wooneenheden zijn afsluitbaar, maar te allen tijde toegankelijk voor het personeel voor het verlenen van zorg en verpleging.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is de vraag of verweerder terecht bij het bepalen van de heffingsgrondslag geen waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden als bedoeld in artikel 220 e van de Gemeentewet buiten aanmerking heeft gelaten .

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij voert daartoe aan dat er in het object gedeelten te onderscheiden zijn die in hoofdzaak dienen tot woning dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden, waarvan de waarde ingevolgde genoemd buiten de maatstaf van heffing dient te worden gelaten. Het gaat om de individuele wooneenheden van de bewoners, de gemeenschappelijke ruimten en overige ruimte die in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden, zoals gangen. Eiseres stelt dat dit in totaal 65% van de totale oppervlakte betreft en dat daarom ook 65% van de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde buiten de maatstaf van de heffing dient te worden gelaten. Eiseres stelt daarenboven onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2010 (LJN: BL5638) dat de ondergrond voor 65% en de ongebouwde grond voor 80% als woondeel gekwalificeerd dient te worden. Zij concludeert tot een heffingsmaatstaf van € 2.227.000,--.

Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij voert daartoe aan dat er geen grond is om de waarde van één of meer gedeelten van het object uit te zonderen van de heffingsmaatstaf. De verzorgende en verplegende functie staan centraal. Hij wijst hierbij op de 24-uurs zorg en verpleging. De aldus overheersende rol van zorg en verpleging is van dien aard dat er geen sprake is van delen die in hoofdzaak dienen tot woning dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4. Beoordeling van het geschil

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard, dat alle bewoners door het Centraal Indicatieorgaan zijn geïndiceerd met de indicatie ‘zorg met verblijf’, en uitsluitend op grond van die indicatie in het tehuis verblijven. Eiseres heeft dit niet weersproken. Op grond van artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ omvat ‘verblijf’ verblijf in een instelling met samenhangende zorg bestaande uit persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, voor een verzekerde met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, indien die verzekerde aangewezen is op een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verzorging en verpleging van de bewoners zozeer overheersend zijn dat de woonfunctie daarin opgaat. Van delen van het object waarbij de woonfunctie overheersend is, is aldus geen sprake. Verweerder heeft mitsdien de juiste maatstaf voor de gebruikersheffing OZB gehanteerd.

Het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I Sinack, als voorzitter, in aanwezigheid van

mr. I. Dijkman en mr. J.C.K.W. Bartel, in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier, en op

3 maart 2011 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 3 maart 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature