< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Ontvankelijkheid. Bevoegdheid en toepasselijk recht, nu moeder en minderjarige in België verblijven. Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag afgewezen. Hoofdverblijf bij vader bepaald.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Team familierecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 218971 FA RK 10-2066

beschikking betreffende gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken,

in de zaak van

(naam),

thans wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de vrouw,

voorheen advocaat mr. G.V. van Campen,

thans advocaat mr. J.J.J.M. van Ruth,

en

(naam),

wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de man,

advocaat mr. G.L.H.M. Sliepenbeek-Sanders.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 10 mei 2010 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- het op 10 januari 2011 ontvangen verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoek, met bijlagen;

- de op 25 juni 2010 ontvangen brief van de advocaat van de man, met bijlagen;

- de op 17 augustus 2010 ontvangen brief van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda;

- het op 6 oktober 2010 ontvangen rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, hierna te noemen de raad, met bijlagen;

- de op 7 januari 2011, 10 januari 2011, 18 januari 2011, 19 januari 2011 en 21 januari 2011 ontvangen brieven van de advocaat van de man, met bijlagen;

- de op 10 en 11 januari 2011 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw;

- de brief van de griffier van deze rechtbank van 11 januari 2011 aan partijen en belanghebbenden;

- de door de advocaat van de man ter terechtzitting overgelegde pleitnota;

- het kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 mei 2010;

- de beschikking van deze rechtbank van 31 mei 2005 (met als kenmerk 143437 FA RK 05-883);

- de beschikking van deze rechtbank van 16 november 2010 (met als kenmerk 225404 FA RK 10-1739);

- het uittreksel uit het gezagsregister betreffende na te noemen minderjarige;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 februari 2011.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden- en West Brabant, gevestigd Meerten Verhoffstraat 18, 4811 AS Breda, hierna te noemen de raad;

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd Erasmusweg 34, 4834 AA Breda, hierna te noemen de stichting.

2. Het verzoek

De vrouw verzoekt aanvankelijk, samengevat,

- bepaling dat zij wordt belast met het gezag over de minderjarige;

- primair: bepaling dat de contactregeling tussen de man en de minderjarige wordt beëindigd,

subsidiair: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

- bepaling dat de Raad voor de Kinderbescherming opdracht wordt gegeven tot het doen van onderzoek naar de in het petitum van het verzoekschrift vermelde vragen.

De man verzoekt, samengevat,

- primair: bepaling dat hij wordt belast met het gezag over de minderjarige,

subsidiair: bepaling dat de minderjarige zijn hoofdverblijf zal hebben bij hem;

- te bevelen dat de vrouw, bij gebrek aan toestemming voor de verhuizing naar (naam land), zich binnen 48 uur na betekening van de af te geven beschikking weer inschrijft op het adres aan de (straatnaam) te (plaatsnaam), op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 5.000,= per dag, dat zij met dit bevel in gebreke blijft;

- geheel subsidiair: vaststelling van een consultatie- en informatieregeling.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken vast.

- Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

- Uit hun relatie is geboren de minderjarige (naam), geboren te (plaatsnaam) op (datum).

- De man heeft de minderjarige erkend.

- De man en de vrouw hebben gezamenlijk het gezag over dit kind.

Ontvankelijkheid

3.2 Bij voormelde brief van 10 januari 2011 heeft de vrouw haar verzoek ingetrokken. Op dezelfde datum heeft de rechtbank het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de man ontvangen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de intrekking eerder is geschied dan de indiening van het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek en dat het zelfstandig verzoek van de man niet-ontvankelijk is.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu zowel de brief van de vrouw als het verweerschrift van de man op dezelfde dag ter griffie van de rechtbank zijn ontvangen, is niet bekend welk stuk eerder is ingediend. Dat brengt met zich mee dat de rechtbank er van uit gaat dat de procedure die is ingeleid met het verzoek van de vrouw nog niet is beëindigd op het tijdstip dat het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de man is ingediend.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook al zou de intrekking eerder hebben plaatsgevonden, dit er niet aan in de weg staat dat het zelfstandige verzoek van de man in behandeling kan worden genomen en zo nodig als inleidend verzoekschrift kan worden aangemerkt. Evenmin is er een beletsel om het verzoek van de man op de al eerder geplande zittingsdatum te behandelen. Door de wet noch het procesreglement wordt voorgeschreven dat voorafgaande aan de zitting een verweertermijn moet worden gesteld. Verder heeft de vrouw gelet op datum van indiening van het verzoek en de behandeling ter zitting voldoende gelegenheid gehad om op de verzoeken van de man te kunnen reageren, waarbij van belang is dat de verzoeken betrekking hebben op dezelfde geschilpunten die de vrouw aan de rechtbank had voorgelegd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de beginselen van de goede procesorde niet zijn geschonden. Dit betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

3.3 De bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna te noemen: Verordening Brussel II bis). Op grond van artikel 8 Verordening Brussel II bis zijn in zaken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, waaronder mede wordt begrepen de uitoefening van het gezagsrecht, de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Deze bepaling geldt echter onder voorbehoud van hetgeen in onder meer artikel 10 Verordening Brussel II bis is bepaald. Daarin is – voor zover in casu van belang - bepaald dat in geval van ongeoorloofde overbrenging de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen én enige persoon die gezagsrecht bezit in de overbrenging van het kind heeft berust. Onweersproken is gebleven dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige nog steeds in Nederland is gelegen, derhalve is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen over hetgeen de man heeft verzocht.

3.4 Op het onderhavige verzoek is het Nederlands recht toepasselijk als het recht van de gewone verblijfplaats van de betrokken minderjarige.

Gezag en hoofdverblijf

3.5 Bij beschikking van 31 mei 2005 heeft de rechtbank een opbouwende contactregeling tussen de man en de minderjarige vastgesteld, inhoudende dat de man en de minderjarige uiteindelijk gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend vóór schooltijd – met dien verstande dat de man de minderjarige van schoolt haalt en naar school terug brengt –, alsmede gedurende de helft (drie aaneengesloten weken) van de zomervakantie, de helft van de overige vakanties, de verjaardag van de man, Vaderdag en de verjaardagen van de overige kinderen van de man. Tussen partijen staat vast dat de hiervoor genoemde regeling tot maart 2010 is uitgevoerd. Voorts staat vast dat de vrouw per 9 april 2010 het contact tussen de man en de minderjarige heeft stopgezet. Bij het daaropvolgend van de zijde van de man aanhangig gemaakt kort geding, heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 21 mei 2010 geconstateerd dat er geen sprake is van contra-indicaties voor contact tussen de man en de minderjarige en dat de vastgestelde contactregeling zo spoedig mogelijk dient te worden hervat. Bij dat vonnis is de vrouw veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de in de beschikking van 31 mei 2005 vastgestelde contactregeling. Voorts heeft de voorzieningenrechter de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in het vonnis onder rechtsoverweging 3.8 genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. De vrouw is van dit vonnis in kort geding in hoger beroep gegaan. De man heeft bij het Hof schriftelijk aangegeven dat hij voorlopig afziet van contact tussen hem en de minderjarige. Het Hof is er derhalve van uitgegaan dat de man zijn verweer in hoger beroep niet langer handhaaft en heeft voormeld vonnis vernietigd. Vervolgens heeft de Raad voor de Kinderbescherming haar onderzoek uitgebreid naar een kinderbeschermingsonderzoek, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van (naam minderjarige). Bij voormelde beschikking van 16 november 2010 is de minderjarige onder toezicht gesteld en is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs verleend. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw en de minderjarige op 30 november 2010 zijn uitgeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente (plaatsnaam) en dat zij zich op 3 december 2010 hebben ingeschreven in (plaatsnaam), (naam land), alwaar zij thans nog steeds verblijven. De man heeft op 13 januari 2011 bij de Centrale Autoriteit een verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige ingediend.

3.6 De man heeft ter zitting aangegeven dat hij de verzoeken enkel in het belang van de minderjarige heeft ingediend, zodat uitvoering kan worden gegeven aan de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. De man ziet in dat (naam minderjarige) nu niet daadwerkelijk bij hem zal kunnen verblijven. Hij acht het van groot belang dat middels de observatieplaatsing op de (naam instelling) onderzoek met betrekking tot (naam minderjarige) kan worden gedaan en dat (naam minderjarige) op deze wijze de ruimte krijgt om zich onder andere een reëel beeld van de man te vormen. Alleen op deze wijze is herstel van het contact tussen de man en de minderjarige mogelijk.

3.7 De vrouw weerspreekt de verzoeken van de man. Zij heeft ter zitting gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het contact tussen de man en de minderjarige te stimuleren, maar dat de minderjarige zich tegen het contact met de man blijft verzetten. Op dit moment is zij geenszins van plan om het contact tussen de man en de minderjarige te herstellen. De vrouw heeft aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zij is van mening dat de uitvoering thans plaats vindt, nu de gezinsvoogd een huisbezoek bij haar heeft afgelegd. De vrouw acht het niet in het belang van de minderjarige om uitvoering te geven aan de machtiging tot uithuisplaatsing. De minderjarige voert thans wekelijks gesprekken met drs. (naam), alwaar hij met zijn verhaal terecht kan. Zij wenst de huidige situatie te continueren.

3.8 De stichting geeft aan dat er thans op vrijwillige basis – in de woning van de vrouw in (naam land) – gesprekken met de minderjarige zijn gevoerd. Op dit moment heeft de stichting, gelet op het feit dat de minderjarige in (naam land) verblijft, geen mogelijkheid om de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen. De stichting brengt ter zitting naar voren dat op het moment dat er zich in de situatie van de minderjarige een wijziging voordoet, zij opnieuw zal bezien of al dan niet moet worden overgegaan tot uitvoering van de beschikking, en op welke wijze uitvoering daarvan in het belang van de minderjarige is.

3.9 Uit het raadsonderzoek d.d. 4 oktober 2010 blijkt dat de raad van mening is dat de contacten tussen de man en de minderjarige op dit moment enkel zouden kunnen plaatsvinden onder begeleiding. Daarbij neemt de raad in aanmerking dat zolang de minderjarige in de invloedsfeer of omgeving van moeder verblijft, contact met vader voor de minderjarige een onmogelijke opgave blijft. Uit extreme loyaliteit naar de vrouw kan de minderjarige het zich niet veroorloven om wat dan ook nog met vader te willen. In zijn beleving is de man verantwoordelijk voor al hetgeen de vrouw wordt aangedaan. De minderjarige neemt hierdoor een ontoelaatbare, leeftijdsinadequate verantwoordelijkheid in. Naar de mening van de raad heeft de vrouw de minderjarige te zeer besmet met angst voor de man en het gevoel van onveiligheid dat de man voortdurend oproept. Concluderend stelt de raad dat met het oog op de identiteitsontwikkeling van de minderjarige, hij los moet kunnen komen van de conflictueuze verhouding tussen zijn beide ouders, zonder daarbij gehinderd te worden door een loyaliteitsconflict. De minderjarige moet ervaren dat hij met beide ouders een fijne, kindeigen relatie mag aangaan die geen nadelige gevolgen heeft voor zijn relatie met de andere ouder. De symbiotische relatie tussen de vrouw en de minderjarige kan naar de mening van de raad enkel worden doorbroken door de minderjarige in een neutrale setting te plaatsen alwaar onderzoek kan worden gedaan naar de problematiek van de minderjarige.

3.10 De ouders zijn op grond van artikel 1:252 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige, nu uit de stukken blijkt dat er een aantekening heeft plaatsgevonden in het gezagsregister.

Ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Het tweede lid bepaalt dat het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing zijn.

Het uitgangspunt van de wet is dat het in het belang van het kind is dat na de echtscheiding of verbreking van de relatie tussen de ouders het gezag gezamenlijk door hen wordt uitgeoefend en dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat een van de ouders met het gezag wordt belast. Blijkens art. 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De man heeft aangegeven dat zijn verzoek tot het eenhoofdig gezag ertoe strekt om uitvoering te kunnen geven aan de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Hoewel de vrouw keuzes heeft gemaakt die niet in het belang van (naam minderjarige) zijn, acht de rechtbank een gezagswijziging niet passend om de ontstane situatie te doorbreken. De strijd tussen de ouders is inmiddels jarenlang gaande. Deze is de afgelopen periode, ondanks de ondertoezichtstelling, verergerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw eigenmachtig alle contacten tussen de man en de minderjarige heeft verbroken alsmede dat zij zonder toestemming van de man met de minderjarige naar (naam land) is verhuisd.

Aangenomen kan worden, mede gelet op het rapport van de raad, dat er sprake is van een situatie waarin de minderjarige klem of verloren is geraakt tussen beide ouders. Echter gelet op het feit dat het contact en de verhouding tussen de man en de minderjarige ernstig verstoord is, zal een gezagswijziging het probleem niet oplossen, maar eerder versterken. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat gelet op het optreden van de vrouw het ook niet in het belang van de minderjarige wordt geacht om haar alleen met het gezag te belasten, indien daartoe een verzoek zou liggen. Dit betekent dat het verzoek van de man dienaangaande zal worden afgewezen.

3.11 De man verzoekt subsidiair de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen. Op grond van artikel 1:253a BW kan een dergelijk geschil tussen de ouders, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, aan de rechter ter beslissing worden voorgelegd.

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat inzicht wordt verkregen in de problematiek van de minderjarige, alsmede dat de (on)mogelijkheden om het contact tussen de man en de minderjarige te herstellen worden onderzocht. De raad heeft aangegeven dat het voorgaande enkel te realiseren is, indien de minderjarige in een neutrale setting verblijft. Ter zitting heeft de vrouw nogmaals uitdrukkelijk aangegeven dat zij niet bereid is om haar medewerking aan de uithuisplaatsing te verlenen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat uitvoering wordt gegeven aan de machtiging tot uithuisplaatsing. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man moet worden bepaald, met de uitdrukkelijke bedoeling dat op deze wijze uitvoering wordt gegeven aan de beschikking van 16 november 2010. Dit betekent dat het verzoek van de man dienaangaande zal worden toegewezen.

3.12 De man verzoekt voorts te bevelen dat de vrouw, bij gebrek aan toestemming voor de verhuizing naar (naam land), zich binnen 48 uur na betekening van de af te geven beschikking weer inschrijft op het adres aan de (straatnaam) te (plaatsnaam), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per dag, dat zij met dit bevel in gebreke blijft. De rechtbank is van oordeel dat dit geen verzoek is in de zin van de geschillenregeling van artikel 1:253 a BW. Daarbij komt dat nu het hoofdverblijf van de minderjarige, met het oogmerk op de uithuisplaatsing, bij de man wordt bepaald, de man geen belang meer heeft bij toewijzing van een dergelijk verzoek, waarbij de vrouw zich wederom in Nederland vestigt. Dit betekent dat het verzoek van de man dienaangaande zal worden afgewezen.

Proceskosten

3.13 Omdat tussen partijen sprake is van een relatie als bedoeld in de tweede zin van lid 1 van artikel 237 Rechtsvordering zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige (naam), geboren te (plaatsnaam) op (datum), zijn hoofdverblijf heeft bij de man, zulks met inachtneming van rechtsoverweging 3.11;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Warnaar, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Nederveen, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature