< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

1. OM appel. Het openbaar ministerie is ter zake van feit 3 niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, omdat het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven tegen de veroordeling door de eerste rechter ter zake van dit feit heeft ingediend. Toepassing artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De straf, opgelegd door de eerste rechter ter zake van het derde feit, blijft derhalve in stand.

2. Overweging met betrekking tot verschoningsrecht. Geen verplichting voor opsporingsambtenaren om personen die als getuige worden gehoord of personen die aangifte doen te wijzen op het verschoningsrecht. Een later beroep op het verschoningsrecht brengt niet mee dat een verklaring in een proces-verbaal niet tot het bewijs kan worden gebezigd.

3.Het hof veroordeelt de verdachte wegens mishandeling van zijn vader (feit 1) en bedreiging, meermalen gepleegd (feit 2), tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Uitspraak



Parketnummer: 24-003118-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-620814-09

Arrest van 4 mei 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 30 november 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsvrouw van verdachte mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 en 2 en ter zake van feit 3 veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep ter zake van feit 3 en verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van feit 3

Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven tegen de veroordeling door de eerste rechter ter zake van feit 3 heeft ingediend en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van dit feit noodzakelijk maken. Het hof zal het openbaar ministerie daarom ter zake van feit 3 niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis - voor zover aan hoger beroep onderworpen - vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Het hof heeft ter terechtzitting wijziging van de tenlastelegging toegelaten overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal. Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking stond, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1],

met kracht

- bij de keel heeft vast gepakt en/of in de keel heeft geknepen en/of tegen de keel heeft geslagen en/of

- tegen het lichaam heeft geduwd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente], [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat de jongens uit [plaats 2] met een vuurwapen zouden komen en dat zij, daarmee doelend op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], allemaal neergeschoten/afgemaakt zouden worden en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij, [slachtoffer 3], maar beter de sleutels aan hem, verdachte, kon geven, want anders kreeg hij, [slachtoffer 3], de kogel, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Bewijsoverweging ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en 2

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat de aangiften die zijn gedaan door [slachtoffer 1] (vader van verdachte) en [slachtoffer 3] (broer van verdachte) niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, nu zowel de vader als de broer van verdachte niet op hun verschoningsrecht zijn gewezen door de betrokken politieambtenaren. De politierechter heeft in eerste aanleg naar aanleiding van dit verweer verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 en 2. Ook in hoger beroep dient deze omissie van de politieambtenaren te leiden tot bewijsuitsluiting, ten gevolge waarvan vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te volgen, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De wetgever heeft opsporingsambtenaren niet verplicht om personen die door hen als getuige worden gehoord of personen die aangifte doen uitdrukkelijk te wijzen op de onder omstandigheden bestaande mogelijkheid zich te verschonen van het beantwoorden van bepaalde aan hen gestelde vragen. De omstandigheid dat er op een later moment een beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht brengt niet mee dat een in het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar tegenover die verbalisant weergegeven verklaring niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen en de ten laste gelegde feiten worden bewezen verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 24 augustus 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking stond, te weten [slachtoffer 1],

- bij de keel heeft vastgepakt en in de keel heeft geknepen en

- tegen het lichaam heeft geduwd,

waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 24 augustus 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente], [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat de jongens uit [plaats 2] met een vuurwapen zouden komen en dat zij, daarmee doelend op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], allemaal neergeschoten zouden worden en [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij, [slachtoffer 3], maar beter de sleutels aan hem, verdachte, kon geven, want anders kreeg hij, [slachtoffer 3], de kogel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1. mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 24 augustus 2009 schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn vader. Hij heeft zijn vader geduwd, bij de keel gepakt en in zijn keel geknepen. Hiermee heeft verdachte de lichamelijke integriteit van zijn vader geschonden. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn vader, moeder en broer. Deze bedreigingen hebben met name op de ouders van verdachte dermate veel indruk gemaakt dat zij hun huis uit zijn gevlucht en zich elders hebben verscholen. Door zijn gedragingen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij zijn familieleden.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk wegens strafbare feiten, waaronder ook bedreiging, is veroordeeld. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden de thans bewezen verklaarde feiten te begaan. Hierin en in de ernst van de feiten ziet het hof aanleiding om verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die tevens dient als stok achter de deur, teneinde hem ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, een passende en noodzakelijke bestraffing is.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 22c, 22d, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart het openbaar ministerie ter zake van feit 3 niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

stelt (ten overvloede) vast dat de ter zake van feit 3 genomen beslissingen van de eerste rechter d.d. 30 november 2009 derhalve in stand blijven, inhoudende:

- een geldboete van € 650,-, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 13 dagen zal worden toegepast;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden, met bepaling, dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 179 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , voor het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft deze bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

- tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 3 november 2008 van de politierechter te Assen opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. J. Dolfing, in tegenwoordigheid van S. van Krugten als griffier, zijnde mr. P. Koolschijn en mr. J. Dolfing buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature