< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bouwvergunning voor reclame-uitingen geweigerd wegens strijd met welstand. Folie met plakletters is geen bouwwerk, buizenframes met zeildoek wel. De welstandscommissie heeft ten onrechte niet aan de Welstandsnota maar aan niet vastgestelde en bekendgemaakte Beoordelingscriteria getoetst. In de Welstandsnota is niet naar deze Beoordelingscriteria verwezen. Geen aanwijzing dat de Beoordelingscriteria bestendig beleid bevatten.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2309 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap Van Neerbos Bouwmarkten B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

eiseres,

gemachtigde mr. J.G. Tjallingii,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde P.D. Bes.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een bouwvergunning te verlenen.

Bij besluit van 7 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2011. Namens eiseres zijn verschenen [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2], bijgestaan door mr. J.G. Tjallingii. Verweerder is vertegenwoordigd door P.D. Bes.

Overwegingen

1. De aanvraag dient ter legalisering van ter legalisering van reclame-uitingen aan de gevels van de bouwmarkt Gamma aan de Sijsjesbergweg 10 te Amsterdam. Het gaat om twee reclame-uitingen op de westgevel en twee op de noordgevel, alle uitgevoerd in witte plakletters op donkerblauwe folie, een raamwerk met twee spandoeken op de zuidgevel en een raamwerk met drie spandoeken op de oostgevel.

2. De bouwvergunning is geweigerd omdat de reclame-uitingen volgens verweerder in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie heeft een negatief advies uitgebracht met een verwijzing naar “Beoordelingscriteria voor de toelaatbaarheid van reclame op bouwwerken in de Grootstedelijke Gebieden en Projecten” (hierna: Beoordelingscriteria) uit 2004.

3.1. Eiseres betwist in beroep dat sprake is van bouwvergunningplichtige bouwwerken. Een deel van de reclame-uitingen bestaat uit plakletters en een ander deel uit eenvoudige buizenframes met een zeildoek, die met een aantal schroeven aan de muur bevestigd zijn.

3.2. In het bestreden besluit en in het verweerschrift is verweerder niet ingegaan op de vraag of de folie met plakletters aan de west- en noordgevel, die direct op de gevel zijn aangebracht, zijn aan te merken als bouwwerk. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd gesteld dat de plakletters op zichzelf niet kunnen worden aangemerkt als een bouwwerk en op zichzelf niet bouwvergunningplichtig zijn. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de plakletters in dit geval toch bouwvergunningplichtig zijn, omdat zij deel uitmaken van een aanvraag voor alle reclame-uitingen en de bouwaanvraag niet gesplitst mag worden, zodat de plakletters deel uitmaken van een bouwwerk.

3.3. De rechtbank deelt niet de stelling van verweerder dat de reclame-uitingen, bestaande uit plakfolie met letters, zijn aan te merken als bouwwerk. Het gaat hier niet om een constructie van enige omvang die is bevestigd aan de gevel. De omstandigheid dat deze reclame-uitingen deel uitmaken van een bouwaanvraag voor 4 reclame-uitingen, heeft niet tot gevolg dat de plakletters onderdeel worden van een bouwwerk, nu de reclame-uitingen in het kader van de beoordeling van de gehele aanvraag afzonderlijk beoordeeld kunnen en moeten worden. Nu de reclame-uitingen bestaande uit plakletters niet kunnen worden aangemerkt als een (deel van een) bouwwerk, zijn deze niet bouwvergunningplichtig. In het bestreden besluit is dan ook ten onrechte voor deze reclame-uitingen een bouwvergunning geweigerd op grond van de redelijke eisen van welstand. Deze beroepsgrond slaagt en het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd, hetgeen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.4. De reclame-uitingen op de oost- en zuidgevel bestaan uit buizenframes met een dikte van 60 mm. In het frame is een zeildoek gespannen ter grootte van 18 bij 3,65 meter. De buizenframes zijn door middel van houders en beugels met schroeven aan de gevels bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat het geheel van zeildoek, buizenframes en beugels is aan te merken als een constructie van enige omvang en dus als een bouwwerk terwijl deze reclame-uitingen ook bestemd zijn om blijvend ter plaatsen te functioneren. Voor deze reclame-uitingen is dus een bouwvergunning vereist. In zoverre slaagt het beroep van eiseres niet.

4.1. Eiseres stelt in beroep verder dat de welstandscommissie ten onrechte niet aan de Welstandsnota heeft getoetst, maar aan Beoordelingscriteria. Deze criteria zijn niet bekendgemaakt en niet vastgesteld. Het welstandsadvies is nooit aan eiseres verstrekt. Door het nauwelijks gemotiveerd over te nemen heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het welstandsadvies is zelf ook onvoldoende gemotiveerd.

4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Beoordelingscriteria voor de toelaatbaarheid van reclame op bouwwerken in de Grootstedelijke Gebieden en Projecten onderdeel zijn van de Welstandsnota grootstedelijke gebieden en projecten. De welstandsnota is aangevuld met deze Beoordelingscriteria omdat de welstandsnota geen specifieke criteria bevat voor reclameobjecten in grootstedelijke gebieden. De welstandscommissie toetst alle ingediende bouwplannen aan de Beoordelingscriteria. Het is inmiddels bestendig beleid geworden om op deze manier de reclame-uitingen objectief te toetsen. Eiseres heeft in bezwaar kennis kunnen nemen van zowel het welstandsadvies als de Beoordelingscriteria, omdat deze stukken ter inzage hebben gelegen bij de stukken van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie. De welstandscommissie heeft terecht getoetst aan artikel 5 van de Beoordelingscriteria, die bepalen dat de reclame beperkt moet zijn tot één hoofduiting, in losse letters moet worden uitgevoerd, en rekening moet houden met de vlakverdeling van de pui van het gebouw aan de zuid- en oostzijde.

4.3. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat op 16 juni 2004 de Welstandsnota grootstedelijke gebieden en projecten (verder: de Welstandsnota) is vastgesteld. Deze welstandsnota bevat basiscriteria, algemene gebiedscriteria en specifieke criteria maar kent geen specifieke bepalingen over reclame-uitingen. De welstandscommissie heeft daarom de Beoordelingscriteria gebruikt, die de op schrift gestelde vaste regels van de welstandscommissie bevatten. De Beoordelingscriteria zijn vervat in een concept voordracht van Burgemeester en Wethouders aan de gemeenteraad van 2004 maar zijn nooit vastgesteld.

4.4. In het welstandsadvies van 25 november 2009 heeft de welstandscommissie over de twee bouwwerken het volgende overwogen:

“Als beleidskader gelden de beoordelingscriteria voor de toelaatbaarheid van reclame op bouwwerken in de Grootstedelijke gebieden en projecten, artikel 5.

… Op de zuidgevel komt een raamwerk met twee spandoeken. Op de oostgevel een raamwerk met drie spandoeken. Deze worden aangelicht met zes bouwlampen. Reclame dient uitgevoerd te worden in losse letters en/of losse tekens die in de reclame-uiting betekenis hebben. De spandoeken voldoen hier niet aan en verstoren bovendien, mede door de bouwlampen het gevelbeeld. Het is niet toegestaan meer dan één reclame-uiting per gevel aan te brengen.”

4.5. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of een bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.

4.6. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BI2952) is dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

4.7. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1999/2000, 26 734) blijkt dat de gemeenteraad de verplichting heeft gekregen om een welstandsnota vast te stellen, onder meer om te bewerkstellingen dat er vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid wordt verkregen over de criteria waaraan bouwplannen worden getoetst. Weliswaar kunnen niet alle welstandscriteria vooraf in een welstandsnota worden opgenomen, maar dit geldt bijvoorbeeld niet voor de bepaling dat slechts één hoofdreclame-uiting per gebouw is geoorloofd. Daarvan is niet in te zien dat de gemeenteraad, indien zij dit criterium had willen stellen, dit niet in de Welstandsnota had kunnen opnemen. De Welstandsnota bevat dit criterium echter niet. Ook verwijst de Welstandsnota niet naar de Beoordelingscriteria.

Nu in de Welstandsnota basiscriteria en gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen, waaruit bovendien volgt dat de welstandseisen op bedrijventerreinen wat soepeler kunnen zijn dan elders, is niet in te zien waarom de welstandscommissie daar niet (kenbaar) aan had moeten toetsen. De rechtbank is dan ook met eiseres van oordeel dat de welstandscommissie ten onrechte aan de Beoordelingscriteria heeft getoetst in plaats van aan de Welstandsnota. Dit betekent dat verweerder dit welstandsadvies niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen, nu dit advies geen blijk geeft van toetsing aan het wettelijk voorgeschreven toetsingskader. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de welstandscommissie in plaats van aan de Welstandsnota aan de Beoordelingscriteria mocht toetsen, ondanks het feit dat deze niet zijn vastgesteld en bekendgemaakt. De rechtbank heeft bovendien geen aanwijzing dat deze Beoordelingscriteria door de welstandscommissie als bestendig beleid plegen te worden gehanteerd. Deze beroepsgrond slaagt.

5. De stelling van eiseres dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat in het kader van de bouwvergunning voor het gebouw overleg is gepleegd met de welstandscommissie, naar aanleiding waarvan de gevelbekleding is gewijzigd in het nu voorliggende bouwplan, slaagt niet. In de adviezen van de welstandscommissie van 7 maart 2007 en 23 mei 2007 die zijn uitgebracht voor de oprichting van het gebouw zelf, is juist aangegeven dat de reclame-uitingen separaat aangevraagd moeten worden, zodat voor eiseres duidelijk was dat de welstandscommissie daarover toen geen oordeel heeft gegeven.

6. Eiseres heeft haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet deugdelijk onderbouwd. Het overleggen van foto’s van andere vergelijkbare reclame-uitingen, zonder aan te geven wat het adres van het gebouw is dat is gefotografeerd, is onvoldoende onderbouwing. Van verweerder kan niet worden gevergd om zelf de adressen te achterhalen om te onderzoeken welke welstandscriteria daarop van toepassing is.

7.1. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, omdat dit niet deugdelijk is gemotiveerd, wat in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht .

7.2. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat er aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 298, - vergoedt. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 298,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature