< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verzoek uitkeringen uit te betalen en in de pensioengrondslag te verwerken. Er is geen sprake van een algemene wijziging van het salaris die in de grondslag van appellants wachtgeld tot uitdrukking moet worden gebracht.

Uitspraak



10/2245 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 maart 2010, 09/2643 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de [politieregio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 28 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2011. Appellant is in persoon verschenen. De korpsbeheerder heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij de politie, laatstelijk bij de [politieregio]. Bij besluit van 14 oktober 1997 heeft de korpsbeheerder hem, met toepassing van artikel 95, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), eervol ontslag verleend met ingang van 1 januari 1998. Daarbij is hem een wachtgelduitkering toegekend op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) zoals dit gold op 31 december 1995.

1.2. Bij brief van 8 januari 2009 heeft appellant de korpsbeheerder gewezen op de algemene en de bijzondere uitkering die zijn overeengekomen in de paragrafen 2.3 en 2.4 van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie voor de jaren 2008 tot en met 2010 (hierna: Akkoord). Hij heeft verzocht deze uitkeringen (ook) aan hem uit te betalen en in zijn pensioengrondslag te verwerken.

1.3. Bij besluit van 27 februari 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2009 (hierna: bestreden besluit), heeft de korpsbeheerder dit verzoek afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank overwoog dat de korpsbeheerder ten onrechte niet op alle bezwaren van appellant was ingegaan. Zij was echter tevens van oordeel dat die bezwaren geen doel treffen, omdat - kort samengevat - appellant niet behoort tot de doelgroep van het Akkoord en de uitkeringen ook niet doorwerken in de grondslag van zijn wachtgeld.

3. In hoger beroep bestrijdt appellant het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Voor zover appellant van mening is dat hij rechtstreeks aanspraak kan maken op de algemene en bijzondere uitkering, stelt de Raad voorop dat ambtenaren en gewezen ambtenaren aan een arbeidsvoorwaardenovereenkomst zoals het Akkoord - of aan een circulaire waarin deze is bekendgemaakt - op zichzelf geen financiële aanspraken kunnen ontlenen. Zij ontlenen deze aanspraken aan de ter uitvoering van de overeenkomst vastgestelde algemeen verbindende voorschriften. In dit geval is dit de Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 augustus 2009 (Stcrt. 2009, 13045) tot - onder meer - toekenning van bijzondere uitkeringen in verband met het Akkoord (hierna: Regeling).

3.2. Ingevolge de artikelen IV en V van de Regeling worden de door appellant bedoelde uitkeringen toegekend aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Dit betreft - kort gezegd - ambtenaren die nog in dienst zijn. Appellant, als gewezen ambtenaar, behoort daar niet toe. Langs deze weg kan hij dus geen aanspraak op de uitkeringen maken.

3.3. Appellant stelt zich vervolgens op het standpunt dat de uitkeringen doorwerken in de grondslag voor zijn wachtgeld. Hij heeft aangevoerd dat het gaat om een bezoldigingsmaatregel die voor hem zou hebben gegolden indien hij in dienst was gebleven. Volgens de tekst van het Rwb uit 1991 (Stb. 1991, 331) is dit bepalend. De latere wijziging van het Rwb in 1994 (Stb. 1994, 346) is niet van toepassing, omdat deze gold voor de sector Rijk en niet voor de daarvan te onderscheiden sector Politie, aldus appellant.

3.4. De Raad overweegt dat, blijkens het onder 1.1 genoemde ontslagbesluit van 14 oktober 1997, het wachtgeld aan appellant is toegekend bij wijze van financiële regeling zoals destijds voorzien in artikel 95, tweede lid (in samenhang met artikel 97, derde lid), van het Barp . Het gaat dus om een individueel getroffen regeling ter zake van ontslag "op andere gronden". Deze individuele regeling houdt in dat zal worden gehandeld alsof het Rwb van toepassing is. Daarbij geldt de tekst van het Rwb zoals deze op 31 december 1995 luidde. Tegen het ontslagbesluit heeft appellant destijds geen rechtsmiddel ingesteld. Dit besluit en de daarin getroffen ontslagregeling staan daarom in rechte vast.

3.5. De stelling van appellant dat in de voorafgaande onderhandelingen - aanvankelijk - is aangestuurd op een reorganisatieontslag, waarop het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel (Stb. 1992, 440) van toepassing zou zijn geweest, kan daaraan niet afdoen. Appellant heeft in het ontslagbesluit berust. Daarmee heeft hij zich neergelegd bij een ontslag "op andere gronden", met een financiële regeling waarop uitsluitend de per 31 december 1995 geldende tekst van het Rwb van toepassing is. De bewoordingen van het ontslagbesluit zijn op dit punt volkomen duidelijk en niet voor enig misverstand vatbaar.

3.6. In het stelsel van het Rwb wordt de grondslag voor de berekening van de hoogte van het wachtgeld gevormd door de bezoldiging. Wat onder bezoldiging wordt verstaan, is geregeld in artikel 4 van het Rwb. Die bepaling moet in het geval van appellant - een gewezen politieambtenaar - worden gelezen in samenhang met het bepaalde bij en krachtens het Bbp. In artikel 4, zesde lid, van het Rwb, zoals dit is komen te luiden ingevolge het Koninklijk besluit van 25 april 1994 (Stb. 1994, 346) en op 31 december 1995 nog steeds luidde, is onder meer bepaald dat de bezoldiging wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris. De voordien geldende bepaling dat, indien in de bezoldiging wijziging zou zijn gekomen wanneer de belanghebbende op die bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, het aldus gewijzigde bedrag als bezoldiging zal gelden, is daarmee komen te vervallen.

3.7. De Raad ziet geen grond voor de stelling van appellant dat in zijn geval de oude tekst van artikel 4, zesde lid, van het Rwb moet worden aangehouden. Uit het ontslagbesluit volgt immers dat de op 31 december 1995 geldende tekst bepalend is en zal blijven. Dat deze tekst slechts van toepassing is voor de sector Rijk, is niets bijzonders. Dit geldt immers voor het Rwb in zijn geheel. Dat het Rwb in het geval van appellant toch van (overeenkomstige) toepassing is, komt enkel en alleen omdat het ontslagbesluit van 14 oktober 1997 dit bepaalt. Onder 3.4 is dit al nader uiteengezet.

3.8. Aan het vorenstaande doet ook niet af dat USZO Diensten B.V. in een brief van 3 maart 1998 heeft gesteld dat de tekst van het Rwb, zoals laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 28 mei 1991 (Stb. 1991, 331), de op 31 december 1995 geldende tekst was. Die mededeling sloeg duidelijk alleen op artikel 7 van het Rwb en was in zoverre juist. Dat appellant er ook - onjuiste - conclusies aan heeft verbonden wat betreft artikel 4 van het Rwb, moet voor zijn eigen rekening blijven, te meer nu het Rwb een algemeen verbindend (wettelijk) voorschrift is.

3.9. Mede in aanmerking genomen dat in artikel IV, vijfde lid, en artikel V, derde lid, van de Regeling uitdrukkelijk is bepaald dat de uitkeringen niet behoren tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel v, van het Bbp , komt de Raad tot de slotsom dat geen sprake is van een algemene wijziging van het salaris die in de grondslag van appellants wachtgeld tot uitdrukking moet worden gebracht.

3.10. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

IJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature