< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De stichting mocht doorslaggevende betekenis toekennen aan het feit dat appellant bij het in werking treden van de vertrekbevorderende maatregelen reeds vrijwillig en op geheel andere gronden ontslag had genomen. Bevordering van zijn vertrek was daarom niet meer nodig. Gelet op de dreigende financiële noodsituatie lag niet in de rede dat de stichting personeelsleden zoals appellant, die uit eigen beweging om ontslag verzochten, zou adviseren daarmee nog even te wachten teneinde financieel van de maatregelen te kunnen profiteren. De maatregelen werden juist noodzakelijk omdat er niet voldoende spontane ontslagaanvragen werden ingediend. Evenmin kon van de stichting worden verwacht dat zij personeelsleden zoals appellant in de gelegenheid zou stellen een reeds ingediend (en ingewilligd) verzoek om ontslag aan te passen. De Raad kan zich goed voorstellen dat het appellant een onaangenaam gevoel geeft dat hij door omstandigheden buiten zijn schuld achter het net heeft gevist. Er zijn echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de stichting - haar benarde financiële positie in aanmerking genomen - anders had behoren te handelen dan zij heeft gedaan.

Uitspraak



09/6621 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 oktober 2009, 08/1080 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de [Naam Stichting] [vestigingsplaats] (hierna: stichting)

Datum uitspraak: 28 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2011. Appellant is in persoon verschenen. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.E. Janssen, advocaat te ’s-Gravenhage, en door [werknemer 1] en [werknemer 2], beiden werkzaam bij de stichting.

II. OVERWEGINGEN

1. Gebleken is dat het bevoegd gezag over het Stedelijk Lyceum te [vestigingsplaats] (hierna ook: de school) voorheen werd uitgeoefend door de bestuurscommissie Het Stedelijk Lyceum van de gemeente [vestigingsplaats] (hierna: bestuurscommissie). Per einde juni 2008 is het bestuur - en daarmee het bevoegd gezag - overgedragen aan de stichting. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de stichting, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de bestuurscommissie verstaan.

1.1. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte "De bestuurder van Het Stedelijk Lyceum" als verwerend bestuursorgaan genoemd. De Raad heeft de juiste partijstelling in de aanhef van deze uitspraak opgenomen. Hij acht daarmee de aangevallen uitspraak op dit punt voldoende verbeterd.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was als leraar techniek werkzaam bij de school. Vanwege problemen in de collegiale samenwerking heeft hij in overleg met de rector besloten vervroegd uit te treden. Daartoe heeft hij de stichting bij brief van 23 april 2008 verzocht hem per 1 september 2008 ontslag te verlenen uit zijn functie van docent. Dit ontslag is hem bij besluit van 18 mei 2008 verleend.

2.2. Op of omstreeks 20 mei 2008 heeft de stichting de zogenoemde vertrekbevorderende maatregelen 2008 bekendgemaakt. Deze maatregelen strekten ertoe het personeelsbestand met ongeveer 20 formatieplaatsen te verminderen, teneinde inkomsten en uitgaven van de school weer met elkaar in overeenstemming te brengen en de financiële situatie beheersbaar te houden. De maatregelen waren van toepassing op werknemers die op 1 augustus 2008 een aanstelling voor onbepaalde tijd hadden en gingen direct in. Zij voorzagen onder meer in een eenmalige vergoeding (vertrekpremie) voor werknemers die met ingang van 1 augustus 2008 vrijwillig ontslag zouden nemen.

2.3. Bij e-mailbericht van 26 mei 2008 heeft appellant de stichting verzocht hem op grond van de vertrekbevorderende maatregelen per 1 augustus 2008 ontslag te verlenen. Bij besluit van dezelfde datum, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 september 2008 (hierna: bestreden besluit), is dit verzoek afgewezen. Daartoe is in hoofdzaak overwogen dat appellant reeds om andere redenen ontslag had gevraagd en dus niet gestimuleerd behoefde te worden om de school te verlaten.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat het aan appellant verleende ontslag niet op 1 augustus 2008 (maar op 1 september 2008) inging en dat van het bevoegd gezag niet kon worden verwacht het reeds genomen ontslagbesluit in te trekken om ervoor te zorgen dat hij alsnog aan de voorwaarden van de vertrekbevorderende maatregelen zou kunnen voldoen. Nu appellant al om geheel andere redenen ontslag had gevraagd en gekregen, zou inwilliging van zijn verzoek in strijd komen met de strekking van de maatregelen. Die strekking was het bevorderen van het vertrek van werknemers die nog niet van plan waren ontslag te nemen, aldus de rechtbank.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij, voorafgaande aan het bestreden besluit, niet met de vereiste onafhankelijkheid is gehoord. De hoorzitting is op 24 juni 2008 gehouden door de toenmalige voorzitter van de centrale directie, [naam voorzitter], die ook bij de totstandkoming van het primaire besluit van 26 mei 2008 betrokken is geweest en die vervolgens namens de stichting het bestreden besluit op bezwaar heeft genomen. Anders dan appellant blijkbaar meent, is deze gang van zaken niet in strijd met artikel 7:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikellid worden - voor zover hier van belang - personen die bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken zijn geweest van het horen uitgesloten, tenzij het horen geschiedt door het bestuursorgaan zelf. Deze laatste situatie doet zich hier voor. De gedingstukken laten zien dat [naam voorzitter] bij de oprichting van de stichting op 19 mei 2008 is benoemd tot eerste en vooralsnog enige bestuurder. Als zodanig vormde hij zowel ten tijde van het horen als bij het nemen van het bestreden besluit het (éénhoofdige) bestuur van de stichting en diende hij in zoverre met de stichting te worden vereenzelvigd. Dat ten tijde van de hoorzitting het bevoegd gezag nog bij de bestuurscommissie berustte, maakt dit niet anders. Op dat moment was de notariële akte van bestuursoverdracht reeds gepasseerd, zodat vaststond dat [naam voorzitter] bij het nemen van het bestreden besluit - na de inwerkingtreding van de bestuursoverdracht eind juni 2008 - als het bevoegde (éénhoofdige) bestuursorgaan zou gelden. Er is dus gehoord door het beslissende bestuursorgaan zelf. Dit is geheel in overeenstemming met het uitgangspunt van de Awb dat het primaire besluit in bezwaar door het betrokken bestuursorgaan wordt heroverwogen.

4.2. Wat betreft het inhoudelijke geschil, onderschrijft de Raad in grote lijnen de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop deze berust. De stichting mocht doorslaggevende betekenis toekennen aan het feit dat appellant bij het in werking treden van de vertrekbevorderende maatregelen reeds vrijwillig en op geheel andere gronden ontslag had genomen. Bevordering van zijn vertrek was daarom niet meer nodig. Gelet op de dreigende financiële noodsituatie lag niet in de rede dat de stichting personeelsleden zoals appellant, die uit eigen beweging om ontslag verzochten, zou adviseren daarmee nog even te wachten teneinde financieel van de maatregelen te kunnen profiteren. De maatregelen werden juist noodzakelijk omdat er niet voldoende spontane ontslagaanvragen werden ingediend. Evenmin kon van de stichting worden verwacht dat zij personeelsleden zoals appellant in de gelegenheid zou stellen een reeds ingediend (en ingewilligd) verzoek om ontslag aan te passen. De Raad kan zich goed voorstellen dat het appellant een onaangenaam gevoel geeft dat hij door omstandigheden buiten zijn schuld achter het net heeft gevist. Er zijn echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de stichting - haar benarde financiële positie in aanmerking genomen - anders had behoren te handelen dan zij heeft gedaan.

4.3. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

IJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature