< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft het college geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen aan [appellante] voor het geheel veranderen van drie studentenwoningen tot tien wooneenheden aan de [locatie] te Eindhoven.

Uitspraak



201009042/1/H1.

Datum uitspraak: 4 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 augustus 2010 in zaak nr. 09/1611 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft het college geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen aan [appellante] voor het geheel veranderen van drie studentenwoningen tot tien wooneenheden aan de [locatie] te Eindhoven.

Bij besluit van 30 maart 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 maart 2009 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 oktober 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.C.M. Janssen, advocaat te Veghel, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Peels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft het besluit van 30 maart 2009 vernietigd, omdat het college onder meer had verzuimd te bezien of het vrijstelling dan wel ontheffing had kunnen verlenen van het op dat moment geldende bestemmingsplan "Gestel binnen de Ring 2007", waarmee het bouwplan in strijd is.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het door haar in beroep naar voren gebrachte betoog dat voor het bouwplan van rechtswege bouwvergunning is verleend. Volgens haar is het bouwplan in overeenstemming met het ten tijde van het indienen van de bouwaanvraag en het besluit van 13 augustus 2007 geldende bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" en is, gelet op artikel 46, derde lid, van de Woningwet, van rechtswege bouwvergunning verleend. Hiertoe voert zij allereerst aan dat het bouwplan voldoet aan artikel 23.3.3, aanhef en onder a, van dat bestemmingsplan. Subsidiair voert zij aan dat het bouwplan niet in strijd is met dat bestemmingsplan, omdat het overgangsrechtelijke bescherming toekomt.

2.2.1. Weliswaar is de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet ingegaan op de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het ten tijde van het indienen van de aanvraag om bouwvergunning en het besluit van 13 augustus 2007 geldende bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" en aldus evenmin op de vraag of ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet van rechtswege bouwvergunning voor het bouwplan is verleend, maar dit leidt, gelet op het hiernavolgende, niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2.2. Ingevolge artikel 23.3.3, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" is voor gebouwen, niet zijnde aanbouwen of bijgebouwen bij woningen, bouwen vooruitlopende op de uitwerking mogelijk, mits het betreft verbouwing zonder uitbreiding van het vloeroppervlak en met handhaving van de functie.

Ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften wordt het bruto-vloeroppervlak gemeten per bestemming als de som van de oppervlakten van de tussen de buitenwerkse gevelvlakken, ook beneden peil, en de harten van scheidsmuren, eveneens beneden peil, in de diverse gebouwen aanwezige vloeren met een bepaalde bestemming, inclusief een evenredig aandeel in de intrinsieke voorzieningen, zoals trappenhuizen, liftkokers, toiletten, gangen enz. per laag.

Bij het ontbreken van een duidelijke omschrijving van het begrip vloeroppervlak als bedoeld in artikel 23.3.3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, komt het de Afdeling redelijk voor om bij de uitleg daarvan uit te gaan van de in artikel 2 van de planvoorschriften opgenomen omschrijving van het begrip bruto-vloeroppervlak. Het college wordt derhalve niet gevolgd in het pas ter zitting ingenomen standpunt dat van die begripsomschrijving niet uitgegaan zou mogen worden. Te meer nu het in zijn verweerschrift in beroep en hoger beroep het tegenovergestelde standpunt heeft ingenomen.

Anders dan [appellante] betoogt, is de Afdeling van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of het vloeroppervlak wordt vergroot tengevolge van het bouwplan de in dat plan voorziene trap met galerij dient te worden meegenomen bij de berekening van het bruto-vloeroppervlak. Weliswaar bevindt de trap met galerij zich buiten de buitenwerkse gevels, maar gelet op het feit dat deze voorziening noodzakelijk is om de boven gelegen appartementen te bereiken en het aldus een intrinsieke voorziening als bedoeld in artikel 2 van de planvoorschriften betreft, dient deze wel te worden meegenomen. Derhalve heeft het college zich in het besluit van 30 maart 2009 terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan een vergroting van het vloeroppervlak tot gevolg heeft. Dat enkele bestaande onderdelen van het pand, waaronder begrepen een serre en een deel van een balkon, zullen worden verwijderd, biedt, het bouwplan in zijn totaliteit bezien ten opzichte van het bestaande vloeroppervlak, geen grond voor een ander oordeel.

Nu geoordeeld moet worden dat met het bouwplan niet voldaan wordt aan het in artikel 23.3.3, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" opgenomen vereiste dat geen uitbreiding van het vloeroppervlak mag plaatsvinden, behoeft de vraag of een functiewijziging heeft plaatsgevonden geen beantwoording.

2.2.3. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring", omdat het overgangsrechtelijke bescherming toekomt.

Ingevolge artikel 30.1. van dat plan, voor zover van belang, mogen bouwwerken, welke op het tijdstip van de eerste terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in of krachtens de Woningwet, en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.

Uit de bouwaanvraag en de daarbij behorende tekeningen blijkt dat het bouwplan ziet op het veranderen van drie verdiepingen bestaande uit zestien kamers en diverse badkamers en keukens die gedeeld worden in tien zelfstandige appartementen met een eigen badkamer en keuken. Gelet op de vele bouwkundige wijzigingen van het pand die het realiseren van het bouwplan met zich brengt, waaronder begrepen het toevoegen van de trap met galerij, het verplaatsen en vernieuwen van diverse muren en het plaatsen van nieuwe keukens en badkamers, is sprake van een bouwplan dat een gedeeltelijke verandering te boven gaat.

2.2.4. Nu het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" is niet van rechtswege bouwvergunning voor het bouwplan verleend en heeft de rechtbank het bouwplan terecht getoetst aan het ten tijde van het besluit van 30 maart 2009 geldende bestemmingsplan "Gestel binnen de Ring 2007".

2.3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de berekening van de bestaande parkeerbehoefte ten onrechte de norm voor een studentenwoning heeft toegepast in plaats van de norm voor per kamer verhuurde woning. Voorts betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat twee op eigen terrein voorziene parkeerplaatsen niet voldoen aan de eisen van verkeersveiligheid.

2.3.1. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat ten tijde van het besluit van 30 maart 2009 het college bij het berekenen van de parkeerbehoefte zich niet had mogen baseren op de parkeernormen 1997, maar de op 27 juni 2008 vastgestelde parkeernormen had moeten toepassen. Bij een heroverweging in bezwaar, als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht , geldt als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Nu in de nieuwe parkeernormen niet langer een onderscheid wordt gemaakt tussen parkeernormen voor een studentenwoning en een per kamer verhuurde woning behoeft de vraag welke norm het college bij de berekening van de bestaande parkeerbehoefte had moeten toepassen geen beantwoording.

Voorts heeft het college onder verwijzing naar het advies van de verkeerskundige van de gemeente, die zich heeft gebaseerd op de landelijk geaccepteerde richtlijnen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, vastgelegd in het ASVV, voldoende gemotiveerd dat het realiseren van twee parkeerplaatsen aan de voorzijde van het pand op het trottoir vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is. Voor zover [appellante] in dit verband heeft verwezen naar het gelijkheidsbeginsel heeft het college voldoende gemotiveerd dat in de door [appellante] naar voren gebrachte gevallen, anders dan bij haar, een bredere draaicirkel bestaat. Dat in het door [appellante] te verbouwen pand een onderdoorgang aanwezig is, waardoor, indien de daarin aanwezige deur wordt geopend, een grotere draaicirkel ontstaat, is niet vergelijkbaar met een op zichzelf bestaande grotere draaicirkel.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011

552.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature