< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank is van oordeel dat de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik recht is in de zin van artikel 79 RO . De rechtbank stelt vast dat aan een aantal voorschriften van deze Aanwijzing niet is voldaan. De betreffende zedenrechercheurs die het studioverhoor hebben afgenomen hebben niet de cursus Horen jonge getuigen gevolgd en tevens is niet voldaan aan de artikelen 2.2 en 5.1 van het protocol studioverhoren.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.600884-08 (P)

Uitspraak: 21 april 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres] te [woonplaats].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 5 november 2009, alwaar verdachte niet in persoon is verschenen, maar ter terechtzitting is verdedigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Lelystad, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

Het onderzoek ter terechtzitting is voortgezet op 6 april 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad.

Bij vonnis van 20 april 2010 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropend.

Het onderzoek ter terechtzitting is voortgezet op 7 april 2011, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kamper en van de standpunten door verdachte en zijn raadsman naar voren gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 1 oktober 2007 te [plaats], [gemeente A], in elk geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [datum in 1995]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens)

- meermalen, althans eenmaal, de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of gekust en/of betast en/of vastgepakt en/of gestreeld en/of

- meermalen, althans eenmaal, laten likken en/of kussen en/of betasten en/of vastpakken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans eenmaal, zich laten pijpen en/of aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans eenmaal, de borst(en) van die [slachtoffer] gelikt en/of gekust en/of betast en/of vastgepakt en/of gestreeld;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 1 oktober 2007 te [plaats], [gemeente A], in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [datum in 1995], immers heeft hij, verdachte, (telkens)

- meermalen, althans eenmaal, de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of gekust en/of betast en/of vastgepakt en/of gestreeld en/of

- meermalen, althans eenmaal, laten likken en/of kussen en/of betasten en/of vastpakken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans eenmaal, zich laten pijpen en/of aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans eenmaal, de borst(en) van die [slachtoffer] gelikt en/of gekust en/of betast en/of vastgepakt en/of gestreeld;

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 25 oktober 2007 deed [aangever] aangifte van seksueel misbruik. Op 19 oktober 2007 had [aangever], maatschappelijk werker bij het AMK Amsterdam, een gesprek met de heer [verdachte], naar later bleek verdachte. In het gesprek tussen [aangever] en verdachte vertelde verdachte dat hij seksuele handelingen had verricht met zijn kleindochter [slachtoffer]. Op 24 oktober 2007 had verdachte met [aangever] gebeld om te vertellen dat zijn kleindochter een dag later bij hem zou komen. [aangever] deed aangifte om de kleindochter te beschermen.

In overleg met de officier van justitie is besloten de moeder van [slachtoffer] in te lichten, zodat de ontmoeting tussen verdachte en zijn kleindochter werd verhinderd.

Op 14 november 2007 werd [getuige 1], te weten de moeder van [slachtoffer], als getuige gehoord. Op 30 oktober 2007 vond het studioverhoor van [slachtoffer] plaats. [slachtoffer] was ten tijde van het delict blijkens het geboorte uittreksel van de [gemeente B] twaalf jaar oud.

Nadat verdachte zich op 18 februari 2008, na ontbieding, had gemeld op het politiebureau te Lelystad, werd hij aangehouden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het eerste cumulatief/alternatief en het tweede cumulatief/alternatief ten last gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van [slachtoffer] en de bekennende verklaring van verdachte. Er is voldaan aan de wettelijke eisen omtrent het studioverhoor van [slachtoffer], daar de enkele afwijkingen van het protocol studioverhoren niet kunnen leiden tot bewijsuitsluiting. Er is geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer].

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het eerste cumulatief/alternatief en het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, daar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De verklaring van [slachtoffer] dient uitgesloten te worden van het bewijs.

Ten eerste is er sprake van onrechtmatig verkregen bewijs, aangezien er is gehandeld in strijd met het protocol studioverhoren. Zo heeft er geen informatief gesprek plaatsgevonden voorafgaand aan het studioverhoor van [slachtoffer], zijn essentiële verklaringen van [slachtoffer] niet of verkeerd opgenomen in het proces-verbaal en hebben er tijdens het verhoor lange, intimiderend aandoende, stiltes plaatsgevonden.

Ten tweede is er sprake van een onbetrouwbare verklaring van [slachtoffer]. Dit gelet op het onderzoeksverslag “misbruik, misleiding en misverstanden” van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, aangezien de moeder van [slachtoffer] aanwezig was tijdens het verhoor, de verslaglegging in het dossier niet volledig is, het opsporingsonderzoek niet gericht was op een alternatief scenario en er sturende- en meerkeuzevragen zijn gesteld aan [slachtoffer].

De eerste drie politieverhoren van verdachte dienen op grond van de Salduz-jurisprudentie uitgesloten te worden van het bewijs. Het vierde politieverhoor van verdachte kan eveneens niet als wettig bewijsmiddel gelden. De overige verklaringen van getuigen gelden als de auditu verklaringen en zijn afkomstig uit dezelfde bron.

Tenslotte verklaren [slachtoffer] en verdachte inhoudelijk niet overeenkomstig, aangezien [slachtoffer] niets bevestigt van wat verdachte verklaart en verdachte niets bevestigt van [slachtoffer]’s verklaring.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Bruikbaarheid van de verklaringen van verdachte.

Ten aanzien van de politieverhoren van de verdachte op 18 februari 2008, te weten de eerste drie verhoren van verdachte, komt de rechtbank tot het oordeel dat in strijd met de Salduz-norm is gehandeld doordat verdachte niet is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Derhalve zal de rechtbank deze verklaringen uitsluiten voor het bewijs.

Ten aanzien van het laatste politieverhoor van verdachte op 19 februari 2008 overweegt de rechtbank dat hoewel verdachte wellicht zijn verklaring niet heeft kunnen doorlezen alvorens te ondertekenen er desondanks sprake is van een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal dat in de wettelijke vorm is opgemaakt door de verbalisanten. De rechtbank ziet daarom geen reden om dit proces-verbaal uit te sluiten als wettig bewijsmiddel.

Bruikbaarheid van de verklaring van [slachtoffer].

Onrechtmatig verkregen bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat de toepasselijke Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (verder: de Aanwijzing) dient te worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie . Uit de inleiding bij de Aanwijzing blijkt dat de Aanwijzing met name is opgesteld om een professionele bejegening van slachtoffers van zedendelicten en het algemeen belang van waarheidsvinding te bevorderen.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat de betreffende zedenrechercheurs die het studioverhoor hebben afgenomen de cursus 'Horen jonge getuigen' hebben gevolgd, hetgeen strijdig is met het protocol studioverhoren (opgenomen als bijlage bij de Aanwijzing). Het moet er derhalve voor worden gehouden dat aan deze eis niet is voldaan. Tevens stelt de rechtbank vast dat niet aan de eisen van de artikelen 2.2 (schriftelijke toestemming van aangever en de wettelijke vertegenwoordiger ) en 5.1 (toestemming door de officier van justitie of de rechter-commissaris) van het protocol studioverhoren is voldaan. Niet is echter gebleken dat hierdoor het studioverhoor niet deskundig of onzorgvuldig is afgenomen. De rechtbank is van oordeel dat deze verzuimen gelden als onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Met deze vaststelling kan echter worden volstaan in het licht van het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de verzuimen en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

De rechtbank stelt vast dat [aangever], maatschappelijk werker bij het AMK Amsterdam, op 25 oktober 2007 aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik door verdachte van [slachtoffer]. Hierna is door de politie tot opsporing overgegaan. In dit geval heeft geen informatief gesprek plaatsgevonden, aangezien dit voorafgaat aan de aangifte van het slachtoffer. In casu heeft [slachtoffer] zelf geen aangifte gedaan en is zij enkel als getuige gehoord. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de afwezigheid van een informatief gesprek niet leidt tot onrechtmatigheid van het studioverhoor van [slachtoffer].

De geconstateerde onvolkomenheden in het uitgewerkte verslag van het studioverhoor zijn hersteld, nu zowel de rechtbank, de officier van justitie als de verdediging kennis hebben genomen van het studioverhoor en er hierdoor geen onduidelijkheden bestaan over de juiste tekst van het verhoor en de stiltes tussen de gestelde vragen en de verklaringen van [slachtoffer]. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

Betrouwbaarheid.

De rechtbank stelt voorop dat het niet voldoen aan de aanwijzingen neergelegd in het onderzoeksverslag “misbruik, misleiding en misverstanden” van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken het studioverhoor van [slachtoffer] nog niet onbetrouwbaar maken. Wellicht kan het niet voldoen aan de aanwijzingen uit het voornoemde onderzoeksverslag een indicatie zijn voor de onbetrouwbaarheid van een verklaring, maar dit dient van geval tot geval te worden beoordeeld.

De rechtbank leest de door de raadsman aangeduide passage van het aanvullende proces-verbaal zo dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij dit van haar moeder heeft gehoord. De rechtbank leest de aangeduide passage niet zo dat de verbalisant dit rechtstreeks van de bij het studioverhoor aanwezig geweest zijnde [getuige 1] heeft gehoord. De passage in het aanvullende proces-verbaal is op zichzelf staand verwarrend, maar gezien de overige inhoud van het proces-verbaal en het studioverhoor gaat de rechtbank er van uit dat [getuige 1] niet aanwezig was tijdens het studioverhoor van [slachtoffer]. De stelling van de raadsman wordt dan ook niet gevolgd en kan dan ook niet leiden tot onbetrouwbaarheid van deze studioverklaring.

Omtrent de volledigheid van de vastlegging van het studioverhoor overweegt de rechtbank nogmaals dat de geconstateerde onvolkomenheden in het uitgewerkte verslag van het studioverhoor zijn hersteld, nu zowel de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging kennis hebben genomen van het studioverhoor en er hierdoor geen onduidelijkheden bestaat over de juiste tekst van het verhoor en de stiltes tussen de verklaringen van [slachtoffer]. De vastlegging levert derhalve geen grond op om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer].

Met betrekking tot de verweren van de raadsman ten aanzien van het niet gericht zijn van het opsporingsonderzoek op een alternatief scenario en de mogelijk sturende- en meerkeuzevragen die gesteld zijn aan [slachtoffer] overweegt de rechtbank als volgt.

Van een onzorgvuldig onderzoek is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht niet aannemelijk dat [slachtoffer] in aanzienlijke mate is beïnvloed waardoor haar afgelegde verklaring onbetrouwbaar is. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] derhalve betrouwbaar en zal deze bezigen voor het bewijs.

Oordeel omtrent het ten laste gelegde.

De verdachte heeft tijdens zijn vierde verhoor , alsmede ter terechtzitting van 6 april 2010 , verklaard dat hij (op zijn boot in [plaats] in de ten laste gelegde periode ) meermalen de vagina van [slachtoffer] heeft gelikt en gestreeld , zijn penis meermalen heeft laten vastpakken door [slachtoffer] , zich meermalen heeft laten pijpen en aftrekken door [slachtoffer] en eenmaal de buste van die [slachtoffer] heeft gestreeld .

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte met haar seksuele spelletjes heeft gespeeld (op verdachtes boot in de ten laste gelegde periode).

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de consistente verklaringen van verdachte en acht deze verklaringen van verdachte geloofwaardig. De verklaring van verdachte vindt steun in de verklaring van [slachtoffer], daar [slachtoffer] heeft verklaard dat er seksuele spelletjes hebben plaatsgevonden. De rechtbank leest de verklaring van [slachtoffer] zo dat verdachte met haar seksuele handelingen heeft verricht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 1 oktober 2007 te [plaats], [gemeente A], telkens met [slachtoffer] (geboren op [datum in 1995]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen de vagina van die [slachtoffer] gelikt en gestreeld en

- meermalen laten vastpakken zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en

- meermalen zich laten pijpen en aftrekken door die [slachtoffer] en

- eenmaal de borst(en) van die [slachtoffer] gestreeld;

en

hij in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 1 oktober 2007 te [plaats], [gemeente A], telkens ontucht heeft gepleegd met de telkens aan zijn

zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [datum in 1995], immers heeft hij, verdachte,

- meermalen de vagina van die [slachtoffer] gelikt en gestreeld en

- meermalen laten vastpakken zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en

- meermalen zich laten pijpen en aftrekken door die [slachtoffer] en

- eenmaal de borst(en) van die [slachtoffer] gestreeld.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

en

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 7 april 2011 gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de detentieongeschiktheid van verdachte en het gegeven dat verdachte niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen voor een soortgelijk delict. Voorts dient de overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM te leiden tot strafvermindering.

Tenslotte heeft de raadsman bepleit toepassing te geven aan artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, te weten eendaadse samenloop, waardoor slechts één strafbepaling toepassing zal vinden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft ontuchtige handelingen verricht met zijn 12-jarige kleindochter [slachtoffer], op het moment dat zij in de zomerperiode van 2007 bij hem op zijn boot logeerde. Verdachte heeft onder meer de vagina van zijn kleindochter gelikt en gestreeld en zich laten pijpen en aftrekken door zijn kleindochter.

Dergelijk misbruik kan langdurige gevolgen hebben voor het slachtoffer, omdat er sprake is van ernstige schending van de integriteit van het lichaam van het slachtoffer. Bovendien is er kans op een scheefgroei in de psycho-seksuele ontwikkeling van het slachtoffer. Door het handelen van verdachte kan het vertrouwen in de medemens bij zijn kleindochter ernstig verstoord raken. De ervaring leert dat dit vaak het gevolg is van feiten als door verdachte begaan.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat verdachte niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest voor soortgelijke delicten.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, daar het bewezenverklaarde in twee strafbepalingen valt, namelijk die van artikel 245 en artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht . Beide strafbepalingen beogen om minderjarigen respectievelijk (anderszins) afhankelijke personen te beschermen tegen seksuele handelingen. Bovendien is bij de bewezenverklaring van beide feiten sprake van dezelfde periode, pleegplaats en handelingen.

De rechtbank zal derhalve bij de straftoemeting alleen de strafbepaling van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht toepassen, aangezien daarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen en uit het Pro Justita rapport van dr. T.W.D.P. van Os blijkt dat verdachte hartproblemen heeft. Daarbij komt dat het recidiverisico als laag ingeschat wordt door dr. Van Os. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Een bijzondere voorwaarde acht de rechtbank niet noodzakelijk, aangezien verdachte al geruime tijd deelneemt aan een behandeling bij De Waag.

De aanvang van de redelijke termijn is te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Daar is in ieder geval sprake van op 18 februari 2008, als verdachte in verzekering wordt gesteld. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat verdachte sedert die datum de verwachting had kunnen hebben dat vervolging tegen hem zou gaan plaatsvinden.

Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg – hetgeen in casu het geval is – heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar – te weten 24 maanden – nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De datum van de afronding van de behandeling ter terechtzitting is 21 april 2011. De periode tussen de aanvang en het einde van de redelijke termijn is dan ongeveer 38 maanden. Hieruit volgt dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM .

Gezien de termijnoverschrijding acht de rechtbank een strafkorting aangewezen. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden in plaats van 5 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals eerder ter terechtzitting van 6 april 2010 door de officier van justitie geëist was, een afdoende strafkorting.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 10 maart 2011;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 1 oktober 2008 uitgebracht door A. Wierts, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland;

- een psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 5 februari 2010, uitgebracht door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus.

10. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14 a, 14b, 14c, 27, 55, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. J.R. Krol, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2011.

Mr. J.R. Krol voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature