< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Ontucht met minderjarigen; strafmaat bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Parketnummer : 20-004261-10

Uitspraak : 2 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 november 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-845296-10 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op 3 oktober 1959,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Vught, afdeling PPC te Vught.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met verbetering van de beslissingen ten aanzien van de opgelegde straf en de vordering van de benadeelde partij, in die zin dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde:

- zal veroordelen tot een gevangenis voor de duur van 4 jaar, waarvan 2 jaar voorwaardelijk;

- met een proeftijd voor de duur van 5 jaar voor de algemene voorwaarde, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen;

- voorts met een proeftijd voor de duur van 3 jaar voor de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat het ondergaan van een behandeling door De Waag, Kairos of andere instelling inhoudt;

- een beroepsverbod zal opleggen in de zin van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder 5 °, juncto artikel 31, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor wat betreft het werken met kinderen onder de 14 jaar;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 2.500,00 ter zake van immateriële schade, nog te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, en tot een bedrag van EUR 75,00 ter zake van materiële schade;

- daarbij te bepalen dat indien de verdachte een bepaald bedrag reeds heeft voldaan aan de benadeelde partij, de vordering tot dat bedrag dient te worden afgewezen;

- de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, met als reden dat de vordering een te groot beslag legt op het rechtsgeding vanwege het gebrek aan voldoende onderbouwing van het effect van het handelen van verdachte op de gestelde schadeposten en het causale verband daartussen;

- de vordering van de benadeelde partij inzake de kosten van rechtsbijstand overeenkomstig de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS) zal toewijzen tot drie maal EUR 270,00;

- ter zake van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht zal opleggen.

Namens de verdachte is geen verweer gevoerd ter zake van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde is door de raadsman vrijspraak bepleit van het bestanddeel seksueel binnendringen van het lichaam. Wat betreft de strafmaat heeft de raadsman bepleit dat het hof tot eenzelfde strafoplegging zal komen als de rechtbank. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is verzocht dat het hof aan de verdachte niet de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht zal opleggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 juni 2010 te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert, in elk geval in Nederland, met [benadeelde] (geboren op [1997]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte (telkens)

- zijn pink, althans vinger, in de anus van die [benadeelde] gebracht en/of geduwd en/of

- zijn penis in de mond van die [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of

- zich laten aftrekken door die [benadeelde] en/of

- de penis van die [benadeelde] aangeraakt en/of gestreeld en/of vastgepakt en/of (daarbij) op- en neergaande bewegingen met zijn, verdachtes hand gemaakt en/of

- de penis van die [benadeelde] in zijn, verdachtes, mond gebracht en/of aan die penis gezogen en/of

- de tepels van die [benadeelde] betast/gedraaid en/of

- de buik en/of zaadballen van die [benadeelde] betast;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert, in elk geval in Nederland, met [benadeelde] (geboren op [1996]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten en/of draaien van de tepels van die [benadeelde] en/of

- het betasten van de buik van die [benadeelde] en/of

- het aanraken en/of betasten en/of strelen en/of vastpakken van en/of het knijpen in de penis en/of zaadballen van die [benadeelde];

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert, in elk geval in Nederland, met [benadeelde] (geboren op [1997]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten en/of draaien van de tepels van die [benadeelde] en/of

- het aanraken en/of betasten en/of strelen en/of vastpakken van en/of het knijpen in de penis en/of zaadballen van die [benadeelde];

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juli 2010 tot en met 15 juli 2010 te Sint Hubert, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 790 milliliter, althans een hoeveelheid, GHB (gamma-hydroxyboterzuur), zijnde GHB (gamma-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangegeven krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 juni 2010 te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert, met [benadeelde] (geboren op [1997]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte telkens

- zich laten aftrekken door die [benadeelde] en/of

- de penis van die [benadeelde] aangeraakt en/of vastgepakt en/of daarbij op- en neergaande bewegingen met zijn, verdachtes hand gemaakt en/of

- de penis van die [benadeelde] in zijn, verdachtes, mond gebracht en aan die penis gezogen en/of

- de tepels van die [benadeelde] betast/gedraaid en/of

- de buik en/of zaadballen van die [benadeelde] betast;

2.

hij op tijdstippen in de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert, met [benadeelde] (geboren op [1996]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit

- het betasten en draaien van de tepels van die [benadeelde] en/of

- het aanraken en/of betasten en/of vastpakken van en/of het knijpen in de penis van die [benadeelde];

3.

hij op tijdstippen in de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert, met [benadeelde] (geboren op [1997]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit

- het betasten en draaien van de tepels van die [benadeelde] en/of

- het aanraken en/of betasten en/of vastpakken van en/of het knijpen in de penis en/of zaadballen van die [benadeelde];

4.

hij in de periode van 5 juli 2010 tot en met 15 juli 2010 in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 790 milliliter GHB (gamma-hydroxyboterzuur), zijnde GHB (gamma-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof volgt de raadsman in zijn pleidooi dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt aan het seksueel binnen dringen van het lichaam van [benadeelde]. Weliswaar heeft de verdachte bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij met zijn pink in de anus van [benadeelde] is geweest, maar hij heeft deze verklaringen nadien ingetrokken en deze verklaringen zijn niet bevestigd door het slachtoffer. Het slachtoffer heeft integendeel desgevraagd uitdrukkelijk ontkend dat de verdachte met diens vinger in zijn anus is geweest (verklaring [benadeelde] d.d. 19 juli 2010, blz. 134 van de doorlopende bladzijdenummering van het dossier van het vooronderzoek).

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1, 2 en 3 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 247 jo. art. 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4. is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van die wet. Het hof tekent hierbij aan dat het middel gammahydroxyboterzuur onder het synoniem 4-hydroxyboterzuur wordt vermeld op lijst II, behorende bij de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof tot een zelfde strafoplegging zal komen als de rechtbank (gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan

12 maanden voorwaardelijk, proeftijd drie jaren, met reclasseringstoezicht), aangezien de verdachte door deze strafzaak veel is kwijtgeraakt en gelet op de ingrijpende gevolgen die deze zaak zal hebben voor zijn leven na afloop van de detentie.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan hetgeen waarvan de rechtbank is uitgegaan, acht het hof de oplegging van een hogere straf dan in eerste aanleg geboden, met name om daarmee de ernst van de bewezen verklaarde feiten te benadrukken.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de omstandigheid dat de verdachte met zijn onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van jeugdige slachtoffers heeft geschonden;

- het gegeven dat algemeen bekend is dat jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later nadelige, psychische gevolgen kunnen ondervinden;

- het gegeven dat het gaat om drie jongens die elk gedurende een langere periode zijn misbruikt;

- de omstandigheid dat de verdachte door zijn handelwijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in hem als volwassene en als conciërge van een basisschool in de relatie met kinderen mocht worden gesteld;

- de omstandigheid dat niet alleen de jongens zelf, maar ook het gezin waarin ze opgroeien, wordt getroffen;

- het feit dat de verdachte, naar achteraf kan worden vastgesteld, calculerend te werk is gegaan door het heel geleidelijk opbouwen van een vertrouwelijke situatie en de intensiteit van de ontuchtige handelingen (“grooming”);

- de omstandigheid dat de verdachte zich kennelijk geen rekenschap heeft gegeven van de belangen van de slachtoffers en zich slechts heeft bekommerd om zijn eigen lustgevoelens;

- het ontuchtige karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die van dergelijke feiten het gevolg is.

Het hof acht het van belang dat een substantieel gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm wordt opgelegd, zulks om de naleving te bevorderen van de op te leggen bijzondere voorwaarden die strekken enerzijds tot behandeling van de verdachte en anderzijds tot bescherming van de maatschappij tegen recidive.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

23 maart 2011, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld door de strafrechter;

- de inhoud van het hem betreffende voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 25 oktober 2010, opgemaakt door C. van Mourik, reclasseringswerker;

- de inhoud van de hem betreffende rapportage van psychiatrisch onderzoek d.d. 7 oktober 2010, opgemaakt door C.G Huisman, psychiater, en de rapportage van een psychologisch onderzoek d.d. 15 oktober 2010, opgemaakt door S. Labrijn, GZ-psycholoog. Beiden concluderen dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens geclassificeerd als pedofilie, als gevolg waarvan het bewezen verklaarde aan de verdachte enigszins verminderd is toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt door hen ingeschat als hoog (psychiater, gebaseerd op het risicotaxatieinstrument SVR 20 en een klinische inschatting) respectievelijk gemiddeld (psycholoog, gebaseerd op de SVR 20). Beiden adviseren tot een verplichte ambulante behandeling;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat de ontuchtige handelingen spelenderwijs begonnen zijn. Daaraan heeft hij toegevoegd dat het op een of andere manier van zijn kant dwangmatig gebeurde, dat hij wel bedacht dat hij moest stoppen maar dat hij toch in herhaling verviel. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet durft uit te sluiten dat hij in de toekomst nogmaals in de fout zal gaan.

In het voordeel van de verdachte overweegt het hof dat de verdachte blijk heeft gegeven dat hij zich realiseert dat en waarom zijn gedragingen onaanvaardbaar zijn, dat hij zijn spijt heeft betuigd en dat hij wil meewerken aan behandeling.

Gelet op de verklaringen van de verdachte dat hij recidive niet durft uit te sluiten, op de inschatting van het recidiverisico door de psychiater en de psycholoog en op het feit van algemene bekendheid dat mensen met pedofiele neigingen deze ook na een strafrechtelijke veroordeling vaak niet kunnen onderdrukken, moet er naar oordeel van het hof ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van (minderjarige) personen. Om die reden zal het hof aan de verdachte een langere proeftijd dan twee jaar opleggen, te weten een proeftijd voor de duur van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich onder reclasseringstoezicht stelt.

Voorts ziet het hof aanleiding om bij wijze van bijzondere voorwaarde te bepalen dat de verdachte gedurende een periode van vijf jaar geen werkzaamheden of activiteiten (betaald of onbetaald) mag verrichten met kinderen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt. Een beroepsverbod zoals door de advocaat-generaal gevorderd acht het hof niet toereikend om te bereiken dat verdachte gedurende de komende jaren op geen enkele wijze werkzaam zal zijn met kinderen beneden de 16 jaar; in het bijzonder omvat een beroepsverbod als bedoeld in artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht niet eventuele activiteiten als vrijwilliger.

De verdachte heeft weliswaar te kennen gegeven dat hij geen situatie wil opzoeken waarin hij met kinderen onder de 16 jaar te maken krijgt, maar het hof acht het wenselijk dit voornemen kracht bij te zetten met de genoemde bijzondere voorwaarde.

Het hof overweegt in dit verband tenslotte dat het verbod niet omvat de sociale contacten met kinderen in de familie- en relatiesfeer.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde], ten deze vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger [benadeelde], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 24.971,24 nog te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 2.500,00 ter vergoeding van materiële schade, EUR 75,00 ter vergoeding van materiële schade en EUR 820,00 ter zake van de kosten van rechtsbijstand.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 1. bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

Gevorderd is een immateriële schadevergoeding van EUR 5.500,00.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de gevolgen daarvan voor de minderjarige [benadeelde] acht het hof een vergoeding ter hoogte van EUR 2.500,00 zoals door de rechtbank is opgelegd, in ieder geval redelijk. Het hof zal dit bedrag toewijzen. Het meergevorderde valt zonder nadere informatie in de vorm van bijvoorbeeld een deskundigenrapport niet goed te beoordelen binnen het bestek van deze strafzaak en in zoverre wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De vordering ter zake van reiskosten (EUR 100,00), telefoon- en portokosten (EUR 50,00) en gemiste werkdagen van de ouders (EUR 920,00) kunnen naar het oordeel van het hof in redelijkheid worden toegewezen. Weliswaar betreft het hier geen schade van de minderjarige [benadeelde] zelf, maar van zijn ouders. Desondanks komen deze kosten naar oordeel van het hof voor toewijzing in aanmerking, aangezien de ouders deze kosten niet ten behoeve van zichzelf maar in hun kwaliteit van ouder hebben gemaakt, teneinde de belangen van hun minderjarige zoon naar behoren te kunnen behartigen. Ouders zijn hiertoe verplicht ingevolge artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek . Het gaat hier derhalve niet om kosten die de ouders pro se, maar om kosten die zij qualitate qua, in hun hoedanigheid van ouder van de minderjarige en ten behoeve van de minderjarige hebben gemaakt.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat van de benadeelde partij verklaard dat de verdachte het door de rechtbank toegewezen bedrag van EUR 2.575,00 reeds heeft voldaan. Die betaling strekt in mindering op het op te leggen bedrag aan schadevergoeding, zodat van het toe te wijzen bedrag van EUR 3.570,00 thans nog openstaat een bedrag van EUR 995,00. Dit bedrag dient nog vermeerderd te worden met de wettelijke rente. Over de immateriële schade wordt naar het oordeel van het hof vanaf de laatste dag van de bewezen verklaarde periode (1 juni 2010) rente verbeurd, over de materiële schade vanaf de datum van indiening van het zogenaamde voegingsformulier bij de rechtbank (25 oktober 2010) en wel - en dat geldt dus ook voor het reeds betaalde bedrag - tot de datum waarop de schadevergoeding is voldaan c.q. zal worden betaald.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Van de vordering ter zake van studievertraging en kosten van huiswerkbegeleiding is het causale verband met de onderhavige strafzaak niet zonder meer gegeven.

Die onderdelen van de vorderingen behoeven een nadere onderbouwing, terwijl het strafgeding zich niet leent om een en ander nader uit te diepen. Een belangrijk doel van de strafrechtspleging is immers dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen en kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Onder de noemer “kosten van rechtsbijstand” heeft de benadeelde partij in eerste aanleg gevorderd een bedrag van EUR 2.217,24 en in hoger beroep een bedrag van EUR 7.139,02. Kennelijk zijn in dit bedrag begrepen kosten van rechtskundige bijstand ter vaststelling van de aansprakelijkheid en van de schade en/of kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek .

Op grond van de thans namens de benadeelde partij overgelegde stukken is voor het hof evenwel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij dergelijke kosten daadwerkelijk heeft gemaakt dan wel dat die kosten in redelijkheid zijn gemaakt. De kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden gaan daarom naar het oordeel van het hof op in de proceskosten, die geacht worden een vergoeding te omvatten voor de voorbereiding van de gedingstukken. In zoverre moet de vordering worden afgewezen.

Kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden als bedoeld in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek kunnen in een strafprocedure in hoger beroep niet worden vermeerderd. Wel kan in hoger beroep aanspraak worden gemaakt op de proceskosten van het hoger beroep.

Het hof zal ter zake van proceskosten toewijzen voor de eerste aanleg en voor het hoger beroep telkens een bedrag van EUR 625,00 dus in totaal EUR 1.250,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Gelet op de omvang van het bij dit arrest toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding staat voor het hof op voorhand geenszins vast dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst ten uitvoerleggen van de vervangende hechtenis. In redelijkheid mag worden verwacht dat de verdachte in staat is een dergelijk bedrag te voldoen, terwijl de mogelijkheden voor het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om voor de incasso betalingsregelingen te treffen sinds 1 januari 2011 zijn verruimd (door het vervallen van artikel 561, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering dat de termijn voor een betalingsregeling beperkte tot 27 maanden).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ten aanzien van feiten 1, 2 en 3:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit

i) dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ii) dat verdachte vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd, te weten: dat verdachte zich gedurende die proeftijd stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland in het arrondissement

's-Hertogenbosch dan wel een soortgelijke instelling en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verdachte, ook indien dat het volgen van een behandeling, gericht op zedenproblematiek, in De Waag, Kairos of een soortgelijke instelling inhoudt;

geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

iii) dat verdachte vóór het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd, te weten: dat de verdachte tot het einde van laatstgenoemde proeftijd geen werkzaamheden of activiteiten zal verrichten met kinderen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, noch beroepsmatig noch als vrijwilliger (zoals op het terrein van sociale, culturele of sportbezigheden), met daarbij de bepaling dat onder dit verbod niet zijn begrepen sociale contacten met kinderen in de familie- of relatiesfeer.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Met betrekking tot feit 1:

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 995,00 (negenhonderdvijfennegentig euro), nog te vermeerderen met de wettelijke over een bedrag van EUR 2.500,00 (immateriële schadevergoeding) vanaf 1 juni 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening en over een bedrag van EUR 1.070,00 (materiële schadevergoeding) vanaf 25 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, ten deze vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 995,00 (negenhonderdvijfennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van EUR 2.500,00 (immateriële schadevergoeding) vanaf

1 juni 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening en over een bedrag van

EUR 1.070,00 (materiële schadevergoeding) vanaf 25 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij voor zover deze strekt tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot heden begroot op EUR 1.250,00.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het laatstelijk geldende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman en mr. G.TH.C. van der Bilt,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 2 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature