< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

WW, besluit dagloonregels, verwijtbare werkloosheid, schending 7:11 en 7:12 Awb

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2705

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H.J. van Kuilenburg.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 9 maart 2010 heeft verweerder aan eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) toegekend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit laatste besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 11 januari 2011. Eiser en zijn gemachtigde zijn daarbij, met schriftelijk bericht van afwezigheid, niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd.

Overwegingen

2.1 Eiser was laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerker bij boekhandel [boekhandel] (hierna: de boekhandel). Eiser was aldaar van 1 maart 2009 tot en met 30 juni 2009 werkzaam voor de duur van 38 uren per week en van 1 juli 2009 tot 1 maart 2010 voor de duur van 30,5 uren per week. Dit dienstverband is geëindigd door middel van een beëindigingsovereenkomst. Voorafgaande aan het dienstverband bij de boekhandel was eiser in dienstverband werkzaam b[B] Logistiek (hierna: [B] Logistiek), welk dienstverband is geëindigd doordat eiser dit heeft opgezegd. Op 9 februari 2010 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek hem per 1 maart 2010 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering.

2.2 Bij besluit van 9 maart 2010 heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 maart 2010 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend, berekend naar een dagloon van € 115,14. Eisers bezwaar tegen dit besluit, kort gezegd gericht tegen de gehanteerde uitgangspunten bij de berekening van het dagloon, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.3 De rechtbank constateert, met eiser, dat verweerder in het bestreden besluit heeft verzuimd om op één van de bezwaargronden van eiser te reageren, te weten de grond dat artikel 7 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) in dit geval naar analogie dient te worden toegepast. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot stand is gekomen, nu geen heroverweging van het besluit van 9 maart 2010 op grondslag van alle bezwaren heeft plaatsgevonden zoals dit artikel vereist. Verder brengt dit mee dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, en het besluit daarom strijdig is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van voornoemde redenen wordt het beroep gegrond verklaard en wordt het bestreden besluit vernietigd. Om vorenbedoelde gebreken te repareren heeft verweerder op 24 september 2010 een, door verweerder genoemde ‘aanvullende beslissing op bezwaar’ doen uitgaan. Deze ´aanvullende beslissing op bezwaar´ is naar het oordeel van de rechtbank op te vatten als een aanvullende motivering van het bestreden besluit. Nu eiser in dit beroep heeft gereageerd op deze aanvullende motivering, kan deze worden betrokken bij de vraag of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

2.4 Eiser komt in beroep primair op tegen het door verweerder bij de berekening van het dagloon, op grond van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van het Besluit, buiten toepassing laten van artikel 17, eerste lid, van het Besluit, waardoor verweerder ten onrechte het dagloon niet uitsluitend baseert op het hogere verdiende loon bij [B] Logistiek. Eiser voert daartoe aan dat het standpunt van verweerder dat eiser uit het dienstverband bij [B] Logistiek verwijtbaar werkloos zou zijn geworden, strijdig is met de uitleg en toepassing die de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in zijn uitspraak van 24 juni 2009, LJN BJ2446 geeft aan het begrip verwijtbare werkloosheid. Voor zover de rechtbank eiser daarin niet volgt, stelt eiser dat de conclusie van verweerder dat zijn opzegging van het dienstverband bij [B] Logistiek verwijtbaar is, als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van het Besluit, feitelijk niet juist is.

2.5 Op grond van artikel 17, eerste lid, van het Besluit wordt het WW-dagloon van de werknemer die binnen 24 maanden na de dag van beëindiging van een eerdere dienstbetrekking een andere dienstbetrekking is aangegaan, bij beëindiging van deze nieuwe dienstbetrekking binnen 36 maanden na die eerdere beëindiging, niet lager vastgesteld dan op het WW-dagloon dat gold of zou hebben gegolden vanwege die eerdere dienstbetrekking. Het dagloon wordt in aanmerking genomen naar de mate waarin de nieuwe dienstbetrekking in de plaats is gekomen van de eerdere dienstbetrekking.

Op grond van artikel 17, vijfde lid, aanheft en onder a, van het Besluit is het eerste lid niet van toepassing op het vaststellen van het WW-dagloon indien de eerste dienstbetrekking is beëindigd als gevolg van verwijtbare werkloosheid van de werknemer.

Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer, zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

2.6 Zoals uit voornoemde artikelen volgt, biedt artikel 17, eerste lid, van het Besluit een dagloongarantie in het geval een werknemer na de beëindiging van een dienstbetrekking binnen 24 maanden een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt en hij binnen 36 maanden na het eindigen van de eerste dienstbetrekking werkloos wordt. Alsdan wordt het dagloon niet lager vastgesteld dan het dagloon dat gegolden zou hebben vanwege de eerste dienstbetrekking. Deze dagloongarantie geldt echter niet als de eerste dienstbetrekking is beëindigd als gevolg van verwijtbare werkloosheid van de werknemer.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB van 24 juni 2009, LJN BJ2446 geen gevolgen voor de toepassing van artikel 17, vijfde lid, van het Besluit. In die uitspraak heeft de CRvB zijn rechtspraak ten aanzien van verwijtbare werkloosheid, in het kader van de vraag of een WW-uitkering op grond daarvan blijvend of gedeeltelijk moet worden geweigerd, nader ingevuld voor de situatie dat een werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat hij uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen. In die situatie behoeft, anders dan voorheen, geen onderzoek meer plaats te vinden naar de verwijtbaarheid van de werkloosheid uit de voorlaatste dienstbetrekking in het geval de werkloosheid uit de laatste dienstbetrekking niet verwijtbaar is en ten tijde van de baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer dezelfde omvang als de beëindigde dienstbetrekking. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval echter geen sprake. Eiser heeft immers op grond van zijn dienstverband bij de boekhandel een eigen recht op een WW-uitkering opgebouwd, zodat de vraag of deze uitkering als gevolg van verwijtbare werkloosheid uit de voorlaatste dienstbetrekking blijvend of gedeeltelijk moet worden geweigerd reeds om die reden niet aan de orde kan komen en ook niet aan orde is. Aan de orde is wel een andere vraag, namelijk of bij de berekening van de hoogte van de WW-uitkering ontstaan op grond van de laatste diensbetrekking gerekend dient te worden met het hogere dagloon uit de voorlaatste dienstbetrekking, wat uitsluitend kan indien de voorlaatste dienstbetrekking niet als gevolg van verwijtbare werkloosheid is geëindigd. Verweerder heeft in dit geval dan ook terecht onderzocht of de beëindiging van de voorlaatste dienstbetrekking op zichzelf aan eiser te verwijten is.

2.8 De uitkomst van dit onderzoek is dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser weliswaar vanaf 1995 extra zorg aan zijn gezin moet besteden, zoals eiser in bezwaar had aangevoerd, maar dat van een noodzaak om vanwege die situatie in 2009 ineens ontslag te nemen bij [B] Logistiek niet is gebleken. Nu volgens verweerder ook van een andere noodzaak daartoe niet is gebleken, concludeert verweerder dat er voor eiser aan de voortzetting van dienstverband bij [B] Logistiek niet zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd, zodat eiser wat betreft dit dienstverband als verwijtbaar werkloos moet worden aangemerkt. De rechtbank onderschrijft deze conclusie van verweerder en betrekt hierbij dat eiser in dit verband in beroep uitsluitend heeft gesteld dat voornoemde conclusie van verweerder feitelijk onjuist is, maar daarbij in het geheel niet heeft toegelicht in welke feiten en omstandigheden de noodzaak tot het nemen van ontslag dan wel zou hebben gelegen. Het voorgaande brengt mee dat verweerder op grond van artikel 17, vijfde lid van het Besluit terecht niet de dagloongarantie van artikel 17, eerste lid, van het Besluit heeft toegepast wegens verwijtbare werkloosheid.

2.9 Eiser heeft zich subsidiair – in het geval artikel 17, eerste lid, van het Besluit buiten toepassing zou blijven – op het standpunt gesteld dat verweerder heeft verzuimd artikel 7 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen naar analogie toe te passen.

2.10 Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Besluit wordt onder meer het WW-dagloon van de werknemer, die aantoont dat zijn per tijdseenheid overeengekomen loon is verlaagd op of nadat hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, vastgesteld door het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten te vervangen door het loon dat deze werknemer zou hebben genoten indien deze verlaging niet zou hebben plaatsgevonden, tot ten hoogste 9/7 deel van dat lagere loon.

Op grond van artikel 7, tweede lid, van het Besluit is het eerste lid slecht van toepassing op de werknemer die onmiddellijk voordat zijn arbeidsurenverlies is ingetreden in dienstbetrekking stond tot dezelfde werkgever of diens rechtsopvolger als waarmee de vermindering van loon is overeengekomen.

2.11 Artikel 7 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen is bedoeld om belemmeringen weg te nemen om een loopbaan bij een zelfde werkgever voort te zetten in een lager betaalde functie of tegen een lager loon. Die situatie is bij eiser niet aan de orde. In de eerste plaats geeft de wijziging, zoals verweerder terecht heeft aangegeven in zijn ´aanvullende beslissing op bezwaar´, van het dienstverband bij [B] Logistiek naar de boekhandel geen recht op toepassing van artikel 7 van het Besluit, nu geen sprake is van dezelfde werkgevers, zoals artikel 7, tweede lid, van het Besluit voorschrijft. In de tweede plaats komt het artikel evenmin voor toepassing in aanmerking ten aanzien van de wijziging in het dienstverband bij de boekhandel per 1 juli 2009. Eiser is per die datum weliswaar minder uren gaan werken, maar zijn per tijdseenheid overeengekomen loon, het uurloon, is niet verlaagd. Voor een toepassing van artikel 7 van het Besluit naar analogie, zoals door eiser betoogd, ziet de rechtbank geen ruimte.

2.12 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond wordt verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en dat bepaald wordt dat de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank ziet daarbij aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437,- (1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 437,- en wegingsfactor 1). Nu de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand worden gelaten, ziet de rechtbank reeds daarom geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in de bezwaarfase heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de beslissing op bezwaar van 6 juli 2010;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven;

3.4 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 aan hem vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,00.

Aldus vastgesteld door mr. E. Bongers, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2011.

De griffier: De rechter:

mr. L.M. Janssens-Kleijn mr. E. Bongers


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature