< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering beperkt tot € 1470,--. Het College heeft op een onjuiste grondslag teruggevorderd. Nu de (overleden) partner de verhuur van het pand had ondergebracht in een eenmanszaak, is de daarmee behaalde winst een dienstbare maatstaf om de aanspraak van appellante te bepalen. Met de financiële stukken, vervaardigd ten behoeve van de Aangifte inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen van de partner, wordt het winstaandeel dat aan appellante toekomt berekend. De omstandigheid dat het mede om boekwinst gaat ten aanzien van het pand in verband met het staken van de onderneming, brengt hierin geen verandering, juist omdat appellante mede-eigenaar was. Het College was bevoegd de bijstand geheel terug te vorderen. Door de terugvordering te beperken is appellante niet benadeeld. Vernietiging besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Uitspraak



08/6801 WWB

08/6806 WWB

09/100 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 oktober 2008, 07/1097 en 08/129 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [vestigingsplaats]-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar zoon, [naam zoon] te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Voor appellante is [naam zoon] verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Hij heeft daarbij aan de gemachtigde van appellante verzocht bepaalde stukken over te leggen en inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 10 augustus 2010 is aan het verzoek voldaan.

Het onderzoek is hervat op 14 februari 2011. Voor appellante is wederom [naam zoon] verschenen, terwijl het College zich, zoals tevoren bericht, niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was in gemeenschap van goederen gehuwd met [v. N.]. In 2001 is zij gescheiden van [v. N.] gaan leven en [in] 2003 is het huwelijk omgezet in een partnerschapsregistratie. [In] 2004 is [v. N.] overleden.

1.2. Appellante ontving vanaf 24 april 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Die uitkering is met ingang van 1 augustus 2004 beëindigd, omdat aan appellante per die datum een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet is toegekend.

1.3. Appellante en [v. N.] waren gezamenlijk eigenaar van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: het pand). Dat pand was verhuurd tegen een huurprijs van - in 2004 - € 1.189,76 per maand. Omdat zij de huur vanaf januari 2004 niet meer betaalden, zijn de huurders gedagvaard. Bij vonnis van 18 november 2004 heeft de rechtbank Groningen, sector kanton, voor zover van belang, de huurders veroordeeld tot voldoening van een bedrag van € 10.904,95 aan huurachterstand, berekend tot en met 30 september 2004 en vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede tot voldoening van een bedrag van € 1.189,76 per maand vanaf 30 september 2004 tot en met de maand waarin het gehuurde zal zijn ontruimd.

1.4. Nadat het College was gebleken dat een deurwaarder door middel van derdenbeslag onder de werkgever van een van de voormalige huurders van het pand een bedrag van ongeveer € 4.000,--, waarvan € 2.000,-- kosten, had ontvangen, heeft het College bij besluit van 8 maart 2007 de aan appellante over de maanden januari en februari 2004 verleende bijstand tot een bedrag van € 2.000,-- van haar teruggevorderd. Het College heeft daartoe het volgend overwogen:

“Aan u is ondermeer in de maanden januari 2004 en februari 2004 bijstand verleend en naderhand beschikt u of kunt u beschikken over in aanmerking te nemen middelen.

Van gerechtsdeurwaarderskantoor ACG ontvingen wij informatie dat u inmiddels over een bedrag van € 2.000,- kunt beschikken aan inkomsten in verband met verhuur van de woning aan de [adres]. De deurwaarder heeft van de familie [naam familie] huur ontvangen en een bedrag van € 2.000,- kan aan u uitbetaald worden. Wij adviseren u contact op te nemen met de deurwaarder. De huur bedroeg € 1.189,76 per maand. De huur was niet betaald vanaf 1 januari 2004. Dat betekent dat de te ontvangen huur betrekking heeft op de maanden januari en februari 2004.

De aan u verstrekte uitkering over de maanden januari en februari 2004 wordt tot een bedrag van € 2.000,- van u teruggevorderd, omdat inkomsten uit huur in aanmerking genomen moeten worden bij de bepaling van het recht op bijstand (art. 32, eerste lid onder a en 58, eerste lid sub f 1 WWB).”

1.5. Het tegen het besluit van 8 maart 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 september 2007 ongegrond verklaard.

1.6. Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft het College de over de maanden februari en maart 2004 aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 940,-- van haar teruggevorderd, dit op dezelfde grond als waarop het besluit van 8 maart 2007 was gebaseerd. Het tegen het besluit van 15 augustus 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 december 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, de tegen de besluiten van 24 september 2007 en 18 december 2007 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat het College met inachtneming van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat huuropbrengsten als inkomsten dienen te worden toegerekend aan de periode waarop deze betrekking hebben. Aangezien vast is komen te staan dat vanaf januari 2004 de huur in het geheel niet meer werd voldaan, heeft het College de huuropbrengsten terecht aan de maanden januari, februari en maart 2004 toegerekend. Omdat artikel 31, eerste lid, van de WWB een limitatieve opsomming geeft van bedragen die van de middelen dienen te worden afgetrokken en de door appellante opgevoerde kosten daar niet onder vallen, heeft het College met die kosten terecht geen rekening gehouden. De stelling van appellante dat sprake is van winst uit onderneming maakt dit niet anders. De beroepen zijn niettemin gegrond verklaard en de besluiten van 24 september 2007 en 18 december 2007 zijn vernietigd, omdat het College ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat [v. N.] in de periode van januari 2004 tot en met maart 2004 nog in leven was, zodat de helft van de huuropbrengsten aan hem toekwam.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep primair naar voren gebrachte beroepsgrond herhaald, dat het pand door [v. N.] in diens eenmanszaak, genaamd [naam eenmanszaak], werd geëxploiteerd, zodat de huurinkomsten fiscaal gezien winst uit onderneming betreffen. Daarom moeten daarvan worden afgetrokken de kosten die gemaakt zijn in verband met deze inkomsten uit verhuur.

4. Het College heeft in de aangevallen uitspraak berust. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College bij besluit van 3 december 2008 opnieuw beslist op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 8 maart 2007 en 15 augustus 2007. De bezwaren zijn gegrond verklaard en de terugvordering is beperkt tot de helft van de in eerste instantie teruggevorderde bedragen, zijnde een bedrag van in totaal € 1.470,--. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19 eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling dient te worden betrokken. Gebleken is dat de beroepsgronden van appellante met betrekking tot de aangevallen uitspraak onverkort gelden ten aanzien van het besluit van 3 december 2008.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

Artikel 32, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen, voor zover deze betreffen inkomsten uit vermogen en inkomsten uit verhuur en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Naar vaste rechtspraak van de Raad moet, mede gelet op artikelen 11 en 31, eerste lid van de WWB , de term beschikken zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om het middel feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

5.2. Appellante en [v. N.] waren ten tijde in dit geding van belang gezamenlijk eigenaar van het pand. Op grond van de stukken die de gemachtigde van appellante bij brief van 10 augustus 2010 aan de Raad heeft gestuurd, staat voor de Raad vast dat [v. N.] het pand verhuurde middels de eenmanszaak die hij onder de naam [naam eenmanszaak] exploiteerde.

Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat appellante ten tijde in geding niet rechtstreeks kon beschikken over de inkomsten uit verhuur, omdat zij immers geen partij was bij de huurovereenkomst. Appellante was destijds in ieder geval als mede-eigenaar wel gerechtigd tot de helft van de netto opbrengst van het pand, nu niet van een andersluidende afspraak is gebleken. De Raad verwijst naar het bepaalde in de zevende titel van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de gemeenschap en in het bijzonder naar artikel 3:172 van het BW . Deze aanspraak op de helft van de vruchten kon zij geldend maken jegens [v. N.]. De omstandigheid dat zij na de beëindiging van de bijstandsverlening op 1 augustus 2004 erfgenaam is geworden van [v. N.], brengt hierin geen verandering.

5.3. Aangezien het College bij de terugvordering van de bijstand van appellante tot uitgangspunt heeft genomen dat appellante een zelfstandig recht heeft op de helft van de gehele huuropbrengst van het pand en daarmee op de helft van het bedrag dat de deurwaarder had ingevorderd, berust de besluitvorming van het College op een onjuiste grondslag. Dit betekent dat de besluiten van 24 september 2007 en 18 december 2007 in strijd met artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB zijn genomen.

5.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de besluiten van 24 september 2007 en 18 december 2007 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Uit hetgeen in 5.2 en 5.3 is overwogen volgt dat de Raad de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden zal bevestigen.

5.5. Het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 3 december 2008 berust op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag als de besluiten van 24 september 2007 en 19 december 2007, zodat het beroep dat appellante geacht moet worden tegen het besluit van 3 december 2008 te hebben ingesteld, onder vernietiging van dat besluit, gegrond moet worden verklaard.

De Raad zal, met het oog op finale geschillenbeslechting, bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand gelaten kunnen worden.

5.6. Nu [v. N.] de verhuur van het pand had ondergebracht in een eenmanszaak, is de daarmee behaalde winst een dienstbare maatstaf om de aanspraak van appellante, genoemd onder 5.3 te bepalen. Uit de door Redeker overgelegde financiële stukken, vervaardigd ten behoeve van de Aangifte inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen van [v. N.] voor het jaar 2004, volgt dat met de eenmanszaak in de periode van 1 januari 2004 tot en met 14 augustus 2004, de datum waarop de onderneming is gestaakt, een winst is gemaakt van € 31.846. Het daarmee samenhangende aandeel van appellante over de maanden januari tot en met maart 2004 bedroeg daarom (€ 31.846 / 2) / 7,5 maanden = € 2.122,07 per maand. De omstandigheid dat het mede om boekwinst gaat ten aanzien van het pand in verband met het staken van de onderneming, brengt hierin geen verandering, juist omdat appellante mede-eigenaar was. Daarom moet het bedrag van € 2.122,07 per maand worden aangemerkt als de middelen waarop appellante in de periode in geding aanspraak had. Door tussenkomst van de deurwaarder heeft appellante feitelijk een bedrag van € 2.940, in handen gekregen voortvloeiende uit de gestaakte onderneming. Hieruit volgt dat appellante over de maanden in geding naderhand over meer middelen is gaan beschikken dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Daarom is het College bevoegd de kosten van de aan appellante verleende bijstand over de maanden in geding volledig terug te vorderen. Het College heeft de terugvordering bij het besluit van 3 december 2008 beperkt tot een bedrag van € 1.470,--. Appellante is hierdoor beslist niet benadeeld. Gelet hierop en hetgeen overigens is aangevoerd is er naar het oordeel van de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot deze terugvordering kan overgaan.

5.7. Uit het voorgaande volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 3 december 2008 in stand gelaten kunnen worden.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 december 2008 gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 3 december 2008 in stand blijven;

Bepaalt dat het College aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Nijholt.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature