< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Omgevingsvergunning (WABO) verleend voor bouwen en planologisch strijdig gebruik; locatie schuur voldoet voldoet aan voorgevelafstand uit het bestemmingsplan; geen rekening gehouden met belangen van verzoeker; schorsing omgevingsvergunning voor deel dat ziet op de activiteit bouwen van de schuur.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/684

Uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

(…),

wonende te Giethoorn, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland, verweerder,

en

(…)

wonende te Amsterdam, belanghebbende.

Gemachtigde: mr. T. de Beet.

Procesverloop

Belanghebbende heeft op 14 oktober 2010 een omgevingsvergunning gevraagd voor het uitvoeren van activiteiten op het perceel De Rietlanden (..) te Giethoorn. Bij besluit van 30 november 2010 heeft verweerder belanghebbende deze verleend voor de activiteiten: bouwen en planologisch strijdig gebruik. Verzoeker heeft daartegen op 30 december 2010 bezwaar gemaakt. Verzoeker is op 14 februari 2011 over zijn bezwaar gehoord door de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften.

Belanghebbende heeft op 31 maart 2011 een aanvang gemaakt met de hem bij besluit van 30 november 2010 toegestane activiteiten, voor onder meer uitbreiding van het botenhuis met een schuur (verder te noemen: schuur). Op 1 april 2011 heeft verzoeker, teneinde een onomkeerbare situatie te voorkomen, de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen voor een termijn die duurt tot zes weken nadat op zijn bezwaarschrift is beslist ten aanzien van belanghebbendes activiteiten voor de schuur. Belanghebbende heeft zijn activiteiten voor de schuur op verzoek van de voorzieningenrechter opgeschort tot en met de dag waarop op het verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter wordt beslist.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 20 april 2011. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote (…), bijgestaan door J. Deunk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevr. mr. W.D. Lok, bijgestaan door G.D. Klaren. Belanghebbende is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.het verzoek

Verzoeker kan zich met verweerders besluit van 30 november 2010 op grond van het volgende niet verenigen:

1.De omgevingsvergunning is verleend in strijd met het geldende bestemmingsplan, omdat

a.de schuur wordt gebouwd binnen de minimale afstand van 1m vanaf de zijdelingse perceelsgrens;

b.de schuur wordt gebouwd op slechts 1,8m van de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan;

c.met de bouw van de schuur en een carport met meerdere wanden het maximale bebouwingsoppervlak van 50m2 wordt overschreden.

2.Verweerder heeft bij het verlenen van de vergunning het privaatrechtelijke belang van verzoeker – zijnde dat de schuur deels wordt gebouwd op grond die hij in eigendom heeft – niet meegenomen in de afweging om een planologische afwijking van het bestemmingsplan toe te staan.

3.Verweerder heeft procedurefouten gemaakt door te verzuimen andere belanghebbenden de gelegenheid te bieden een zienswijze in te dienen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet uitsluitend op de activiteiten die betrekking hebben op de realisatie van de schuur van belanghebbende. De toegestane activiteiten die zien op de realisatie van andere bouwwerken of gebouwen zijn niet in geschil. De voorzieningenrechter beperkt zich bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook tot de activiteiten die betrekking hebben op de schuur.

2.juridisch kader

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden beoordeeld met inachtneming van de volgende regelgeving.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. De voorzieningenrechter neemt daarbij in overweging of en in hoeverre door de onmiddellijke inwerkingtreding van het bestreden besluit een onomkeerbare situatie kan ontstaan die de behandeling van de bodemprocedure illusoir maakt.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Gelet op de datum – gelegen na 1 oktober 2010 – waarop belanghebbende vergunning heeft gevraagd voor zijn bouwplannen dient voor de beoordeling van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening te worden uitgegaan van de regelgeving zoals die per 1 oktober 2010 geldt.

Op het perceel De Rietlanden (..) te Giethoorn gelden de planvoorschriften zoals die zijn vastgelegd in het bestemmingsplan “Dwarsgracht”.

3.beoordeling van het verzoek

Verzoeker voert aan, dat de schuur in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan “Dwarsgracht”, omdat (a) de minimale afstand van 1m tot de zijdelingse perceelsgrens wordt onderschreden, (b) het botenhuis op 1,8m van de voorgevel wordt gebouwd, en (c) met het botenhuis en een carport met meerdere wanden het maximale bebouwingsoppervlak van 50m2 wordt overschreden.

Verweerder stelt, dat de carport gelet op de in het geldende bestemmingsplan gegeven begripsomschrijving dient te worden gezien als een ander-bouwwerk en niet als een bijgebouw in de zin van artikel 4 van het bestemmingsplan. Verweerder sluit hierbij aan bij de terminologie zoals die thans in de Wabo en daarop gebaseerde regelgeving wordt gehanteerd. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verweerders standpunt nu de carport maar één wand heeft, juist. Hieruit volgt, dat de oppervlakte van de carport bij de vaststelling van de gezamenlijke oppervlakte voor bijgebouwen buiten beschouwing dient te blijven en mitsdien dat de grens van 50 m2 die het bestemmingsplan hieraan stelt niet wordt overschreden. Van strijd met het bestemmingsplan is hierbij dan ook geen sprake.

Artikel 4B2sube van het bestemmingsplan Dwarsgracht staat geen bebouwing toe v óór de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan. Ter zitting is aan de hand van de plankaart gebleken, dat geen bebouwing is toegestaan vóór de gevels die gekeerd zijn naar het openbaar toegankelijke water van de Dwarsgracht (bestemming tuin). Tevens is gebleken, dat de erven vóór de gevels die gekeerd zijn naar de openbaar toegankelijke Rietlandenweg de bestemming wonen hebben en in principe voor bebouwing in aanmerking komen. Bij onduidelijkheid tussen voorschriften en plankaart geeft de plankaart de doorslag. Uit het ter beschikking gestelde fotomateriaal van de lokale bebouwingssituatie langs de Rietlandenweg blijkt verder dat in de praktijk daadwerkelijk vooral -evenals bij verzoekers- wordt gebouwd vóór die gevels die gekeerd zijn naar de Rietlandenweg. De voorzieningenrechter concludeert uit het voorgaande, in samenhang bezien met het bijzondere historische perspectief van Giethoorn als waterstreekdorp, waarin vervoer over water minstens zo belangrijk is als vervoer over de weg, dat als voorgevel van de woningen dient te worden aangemerkt: de gevel die gekeerd staat naar de Dwarsgracht. Hieruit volgt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat het bestemmingsplan Dwarsgracht, zij het impliciet, regelt welke gevel als voor- dan wel achtergevel dient te worden aangemerkt. De stelling van verzoeker, dat wegens een gebrek aan regels op dit punt dient te worden teruggegrepen op de Bouwverordening, volgt de voorzieningenrechter om die reden niet. De bouwverordening geeft overigens geen definitie van voorgevel, doch kent enkel voor- en achtergevelrooilijnen. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat moet worden geoordeeld dat de locatie van de schuur voldoet aan de voorgevelafstand uit het bestemmingsplan.

Tussen partijen is niet in geschil, dat de schuur van belanghebbende binnen de in het bestemmingsplan voorgeschreven minimale afstand van 1m wordt gebouwd. Voorts is niet in geschil dat dit moet worden gezien als een activiteit “planologisch strijdig gebruik”, waarvoor ingevolge de Wabo een omgevingsvergunning is vereist, die verweerder bevoegd is om te verlenen als daaraan – na afweging van alle in aanmerking te nemen belangen – geen belemmeringen in de weg staan. Bij zijn besluit van 30 november 2010 heeft verweerder geoordeeld, dat er geen zodanige belemmeringen in de weg staan aan het verlenen van een dergelijke vergunning. Verzoeker heeft aangegeven, dat verweerder bij het hanteren van die bevoegdheid verzuimd heeft om alle daarbij betrokken belangen te wegen. Verweerder heeft in de visie van verzoeker ten onrechte geen gewicht toegekend aan de hierna genoemde belangen van verzoeker:

-de inbreuk op zijn eigendomsrecht, nu de schuur van belanghebbende deels op de grond van verzoeker wordt gebouwd;

-het aanbrengen van een nieuwe ontsluiting (oprijlaan);

-het aanbrengen van verharding voor een nieuwe parkeerplaats voor de kampeerwagen

-verplaatsing van de in- en uitrit;

-herinrichting van een deel van de tuin.

Uit de gedingstukken volgt dat verweerder ten aanzien van het hanteren van zijn bevoegdheid in deze eerst gedurende de bezwaarfase heeft onderkend dat er strijd was met het bestemmingsplan en een nadere afweging van belangen heeft gemaakt die betrekking heeft op het door verzoeker gestelde eigendomsrecht en het zicht van verzoeker op de schuur. Verweerder is aan het door verzoeker gestelde eigendomsrecht van het stuk grond waarop de schuur wordt gebouwd voorbijgegaan, omdat de eigendomssituatie niet vast staat, zodat daaraan in het kader van de belangenafweging in de visie van verweerder geen gewicht kan worden toegekend. Verweerder baseert die visie op vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit volgt dat een privaatrechtelijke belemmering slechts aan verlening van (toen nog genoemd) een vrijstelling in de weg staat indien deze een evident karakter heeft. De voorzieningenrechter volgt verweerder in deze visie, nu dat evidente karakter uit de gedingstukken en het onderzoek ter zitting niet duidelijk en eenduidig vast is komen te staan.

Ten aanzien van het zichtaspect heeft verweerder overwogen, dat verzoeker zowel bij verplaatsing als bij handhaving op de huidige geplande locatie zicht heeft op het botenhuis. Verzoeker heeft dit ter zitting niet bestreden. Voor een evenwichtige belangenafweging in deze dient echter mede in ogenschouw te worden genomen, dat het hierbij feitelijk niet gaat om een botenhuis, maar om de uitbreiding daarvan met een schuur, waarvan het niet zonder meer noodzakelijk is dat deze in het verlengde van het botenhuis wordt gebouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verweerder dit element in bezwaar alsnog in zijn belangenafweging te betrekken. Dit geldt evenzeer voor de hiervoor door verzoeker genoemde financiële belangen, nu deze door verweerder in het geheel nog niet in de belangenafweging zijn betrokken.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerders besluit van 30 november 2010 in bezwaar als zodanig geen stand kan houden, nu verweerder:

-bij het nemen van dat besluit ten aanzien van de activiteit “planologisch strijdig gebruik” in het geheel geen rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker, daar waar die betrekking hebben op de schuur, en

-ook de nadere afweging die verweerder tot op heden in bezwaar ten aanzien daarvan heeft gemaakt de toets der kritiek niet doorstaat.

Op grond hiervan ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerders besluit van 30 november 2010 voor zover dat besluit ziet op het bouwen van de schuur te schorsen tot zes weken nadat op verzoekers bezwaar is beslist.

Verzoeker stelt voorts dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd om hem voorafgaand aan het besluit van 30 november 2010 in de gelegenheid te stellen om een zienswijze in te dienen, waarmee verzoeker bedoelt dat verweerder niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten volgen als bedoeld in artikel 3.7 van de Wabo . De voorzieningenrechter volgt verzoeker in deze stelling niet.

Ingevolge artikel 3.7 van de Wabo is op de voorbereiding van besluiten paragraaf 3.2 (reguliere voorbereidingsprocedure) van toepassing, tenzij paragraaf 3.3 (uitgebreide voorbereidingsprocedure) van toepassing is. Uit artikel 3.10 juncto artikel 2.12 van de Wabo volgt, dat de omgevingsvergunning, die voor de met het bestemmingsplan strijdige activiteit slechts kan worden verleend – onder meer – in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, niet onder de reikwijdte van de uitgebreide voorbereidingsprocedure valt. Het betreft hier de gevallen als genoemd in artikel 4 van bijlage II van het besluit omgevingsrecht . Verweerder heeft gelet op deze bepalingen terecht geoordeeld, dat voor de onderhavige omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure diende te worden gevolgd, zodat verzoeker noch andere belanghebbenden in de gelegenheid hoefden te worden gesteld om een zienswijze in te dienen.

Voorzover moet worden geoordeeld dat verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zijn bedenkingen tegen verweerders besluit kenbaar te maken, oordeelt de voorzieningenrechter, dat verweerders besluit om die reden niet voor schorsing in aanmerking komt. Uit de gedingstukken blijkt immers, dat verzoeker zijn standpunt in de bezwarenprocedure in voldoende mate heeft kunnen inbrengen en toelichten. De voorzieningenrechter passeert dit gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb .

4.Conclusie

Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot de voorlopige conclusie, dat er niet op voorhand van kan worden uitgegaan, dat de verleende omgevingsvergunning – daar waar deze de schuur betreft – in bezwaar stand zal houden, nu verweerder heeft nagelaten om de belangen van partijen ten aanzien van de schuur in volle omvang te wegen. Daarbij kan de onmiddellijke inwerkingtreding van het bestreden besluit leiden tot een onomkeerbare situatie, die de behandeling van de bodemprocedure illusoir maakt, wanneer de daarbij vergunde activiteiten voor de schuur onverkort kunnen worden voortgezet. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding de omgevingsvergunning voor het deel dat ziet op de activiteit bouwen van de schuur te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker is beslist.

5.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit voorzover het de daarbij toegestane activiteit bouwen van de schuur betreft tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

-bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 150, 00

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mevr. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, voorzieningenrechter, en door haar en R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature