< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 29 maart 2010 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Uitspraak



201009093/1/H3.

Datum uitspraak: 27 april 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2010 in zaak nrs. 10/2644 en 10/2645 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2010 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2010, verzonden op 5 augustus 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 oktober 2010.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Vermaat, advocaat te Barendrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Wildemors, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) wordt een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Ingevolge artikel 28 van de Wet justiti ële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie alsmede van gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters .

Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 , voor zover van belang, wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige chauffeurspas.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover van belang, bij de aanvraag voor een chauffeurspas overgelegd een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende VOG overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg.

Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg , worden de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (Stcrt. 24 juni 2008, 119; hierna: de beleidsregels).

Volgens paragraaf 3, voor zover thans van belang, wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Wanneer de aanvrager in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium. Voor een taxichauffeur geldt dat de aanvrager van een VOG vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet mag voorkomen in de justitiële documentatie, althans dat er geen sprake mag zijn van relevante antecedenten. Indien in de voor de aanvraag relevante terugkijktermijn justitiële gegevens zijn aangetroffen, beoordeelt de minister alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.1.2, voor zover thans van belang, wordt voor het bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terug te kijken termijn valt, uitgegaan van de datum van uitspraak in eerste aanleg. Van dit uitgangspunt wordt onder meer afgeweken in het geval van openstaande zaken inzake fraude- en zedendelicten. In dat geval wordt als beginpunt genomen het moment waarop vanwege het openbaar ministerie jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen. Bij de bepaling van deze datum wordt uitgegaan van de datum waarop de strafzaak bij het openbaar ministerie wordt aangebracht en in het Justitieel Documentatie Systeem wordt ingeschreven.

Volgens paragraaf 3.2, voor zover thans van belang, betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit criterium is volgens deze paragraaf gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg . Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3, voor zover thans van belang, kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de VOG heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2, voor zover thans van belang, ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

2.2. De minister heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat ten aanzien van [appellant] in de justitiële documentatie binnen de terugkijktermijn een registratie is aangetroffen ter zake van, primair, feitelijke aanranding van de eerbaarheid, als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair, ontucht met misbruik van gezag, als bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd in de periode van 1 januari 2008 tot en met 29 mei 2008 te Rotterdam. Verder heeft de minister aan het besluit ten grondslag gelegd dat met [appellant] op 20 april 2006 een transactie is overeengekomen tot het betalen van een geldsom van € 85,00 wegens het als taxichauffeur niet zichtbaar aanwezig houden van de chauffeurspas in de taxi, als bedoeld in artikel 75, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 .

Gezien het feit dat [appellant] met justitie in aanraking is gekomen wegens voormeld zedendelict bestaat volgens de minister een risico voor de veiligheid van de personen met wie hij in de uitoefening van de functie van taxichauffeur in aanraking komt. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat door de overtreding van het Besluit personenvervoer 2000 een risico bestaat dat [appellant] taxivervoer zal verrichten zonder te voldoen aan de daarvoor gestelde kwaliteitseisen. Daarnaast bestaat volgens de minister een risico voor het ondeugdelijk of in strijd met de relevante regelgeving besturen van een taxi. Deze overtredingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de veiligheid van de passagiers of voor controlerende instanties, aldus de minister.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter met het oordeel dat aan het objectieve criterium is voldaan, heeft miskend dat gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wjsg de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verdenking van het zedendelict een relevant antecedent vormt. Daartoe voert hij aan dat in deze bepaling wordt gesproken van een strafbaar feit dat, indien herhaald, in de weg zal staan aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd. Uit deze formulering volgt dat op grond van een veroordeling moet vaststaan dat het strafbare feit daadwerkelijk is begaan, aangezien alleen een feit dat is begaan herhaald kan worden, aldus [appellant]. Voorts heeft de voorzieningenrechter volgens hem miskend dat de minister, door de registratie van dit strafbare feit ten grondslag te leggen aan zijn weigering een VOG af te geven, heeft gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie, neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM en artikel 14, tweede lid, van het IVBPR. Hiertoe betoogt hij dat nu de minister bij de uitvoering van zijn taak gebruik maakt van het Justitieel Documentatie Systeem, de waarde van een registratie in dat systeem dient te worden beoordeeld in het licht van dit strafrechtelijke beginsel dat een ieder voor de wet als onschuldig dient te worden gehouden totdat hij is veroordeeld door een onafhankelijke rechter. Dat klemt volgens hem in dit geval te meer, nu het openbaar ministerie sinds de aanvang van de vervolging op 11 november 2008 geen verdere stappen heeft ondernomen en de strafrechter bij uitspraak van 5 oktober 2010 heeft bepaald dat de zaak tegen hem als verdachte is geëindigd. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij zonder nader onderzoek naar de stand van zaken in de strafzaak is afgegaan op de registratie van het zedendelict, ondanks het feit dat in de zienswijze en in het bezwaarschrift was gesteld dat de verdenking van dit delict onterecht was en dat het openbaar ministerie al een lange tijd geen stappen had ondernomen om de vervolging voort te zetten, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009 in zaak nr. 200901285/1/H3, biedt de enkele verdenking van een zedendelict de minister, gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wjsg , voldoende grondslag om een weigering, als bedoeld in deze bepaling, op te baseren. In paragraaf 3.2.1 van de beleidsregels wordt in dit verband vermeld dat ook feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging en sepots een rol kunnen spelen bij de beoordeling van een aanvraag. Volgens paragraaf 3.2.2 van de beleidsregels wordt getoetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. De voorzieningenrechter heeft met juistheid onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2009 in zaak nr. 200809311/1/H3 (www.raadvanstate.nl) overwogen dat de weigering een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument is dat een preventief doel dient en, anders dan een vonnis van de strafrechter, niet het opleggen van een sanctie inhoudt. De minister heeft door de registratie van het zedendelict aan de weigering ten grondslag te leggen geen oordeel gegeven over de vraag of [appellant] schuldig is aan hetgeen waarvan hij werd verdacht en daarmee geen inbreuk gemaakt op artikel 14, tweede lid, van het IVBPR en artikel 6, tweede lid, van het EVRM . De Afdeling ziet evenals de voorzieningenrechter niet in dat de minister onvoldoende onderzoek naar de justitiële gegevens heeft gedaan. Naar de gemachtigde van de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling heeft bevestigd, is driemaal schriftelijk en tevens telefonisch bij het openbaar ministerie informatie over de voortgang van de strafrechtelijke vervolging ingewonnen, waarbij het openbaar ministerie te kennen heeft gegeven dat de vervolging zal worden voortgezet. Dat de strafrechter bij uitspraak van 5 oktober 2010 de strafzaak heeft beëindigd, heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bij de rechtbank bestreden besluit, vanwege de in het bestuursrecht vereiste toetsing van besluiten naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog ter zitting bij de Afdeling dat de minister op grond van de processen-verbaal had moeten vaststellen dat de verdenking onterecht was. Nog daargelaten of dit de taak van de minister is, heeft [appellant] deze processen-verbaal niet overgelegd. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] komt tevergeefs op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de minister de weigering om een VOG te verstrekken in redelijkheid mede heeft mogen baseren op de door hem op 20 april 2006 overeengekomen transactie met betrekking tot de overtreding van artikel 75, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 . Anders dan [appellant] aanvoert, heeft de voorzieningenrechter niet overwogen dat de weigering reeds op de overtreding van deze bepaling had kunnen worden gebaseerd. Zijn betoog dat hij ten tijde van de staande houding niet als taxichauffeur aan het werk was, maar op weg was naar huis, en dat hij toen hij bijna thuis was de chauffeurspas in zijn jaszak had gedaan, opdat hij niet zou vergeten deze mee naar binnen te nemen, slaagt evenmin. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de stelling van [appellant] dat hij voormeld artikellid niet heeft overtreden en dat hij de transactie slechts heeft aanvaard om praktische redenen, er niet aan afdoet dat de minister zich mede op de transactie heeft mogen baseren, aangezien dit justitiële gegeven in het Justitieel Documentatie Systeem staat vermeld.

2.5. De voorzieningenrechter heeft terecht in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot afwijking van het gevoerde beleid noopten. De minister heeft zich in het besluit op bezwaar in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de lopende strafzaak tegen [appellant] en het feit dat onzeker was wat de uitkomst daarvan zou zijn, het tijdsverloop sinds het laatste relevante justitiële gegeven, bezien in het licht van de terugkijktermijn, te kort was om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate was afgenomen. Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, is de omstandigheid dat [appellant] zijn werkzaamheden als taxichauffeur niet meer kan uitoefenen het bedoelde en voorziene gevolg van de weigering van een VOG, nu de wetgever afgifte van een VOG vereist heeft voor het kunnen vervullen van deze functie.

Dit vormt dan ook geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de minister tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat evenmin onredelijk is dat de minister [appellants] niet met bewijs gestaafde stelling dat de gevolgen van de weigering zouden kunnen zijn dat zijn onderneming failliet gaat, minder zwaar heeft laten wegen dan het belang van de samenleving.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

176-598.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature