< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Verlengde Oersebaan, 1e fase Westelijke OntsluitingsRoute" vastgesteld.

Uitspraak



200909739/1/R3.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Oerle, gemeente Veldhoven,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Veldhoven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Verlengde Oersebaan, 1e fase Westelijke OntsluitingsRoute" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2011, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door drs. M.L. Yücesan-van Drunen, ir. J.L. Poelman en drs. H.D. Regnerus, allen werkzaam bij de gemeente, en ing . M.J.M. Coenen, werkzaam bij Arcadis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van de Verlengde Oersebaan ten westen van de kern Veldhoven. De Verlengde Oersebaan vormt het noordelijke gedeelte van de voorgenomen Westelijke Ontsluitingsroute (hierna: WOR).

2.2. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer (V)" heeft vastgesteld dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de Verlengde Oersebaan is voorzien. In dit verband dienen volgens [appellant] de beroepsgronden die in het kader van de beroepsprocedure tegen het projectbesluit "Oerle-Zuid, eerste fase Zilverackers" zijn aangevoerd en die in de zienswijze over het ontwerp van het plan naar voren zijn gebracht, vanwege de samenhang tussen het projectbesluit en het plan, mede te worden beschouwd als zienswijze over het ontwerp van het plan. Op deze gronden is de raad in de Nota van Zienswijzen ten onrechte niet ingegaan, zo voert [appellant] aan. Volgens hem is de samengevatte bespreking door de raad van zijn zienswijze onjuist en onvolledig. In aanvulling hierop voert hij aan dat het verkeerscirculatieplan en de milieueffectrapporten die in het kader van de voorbereiding van het projectbesluit en het plan zijn opgesteld niet voldoende zijn onderbouwd, dan wel onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.

Voorts gaat de raad volgens [appellant] ten onrechte voorbij aan de samenhang tussen de aanleg van de Verlengde Oersebaan en de ontwikkelingen rondom de nieuwe woningbouwlocatie Zilverackers. Het is onzorgvuldig om met het vaststellen van het plan op deze ontwikkelingen vooruit te lopen, aldus [appellant].

Verder betwist [appellant] het nut van de voorziene ontsluiting van het bedrijventerrein Habraken nu in het bestemmingsplan Habraken reeds een regeling voor een ontsluiting is getroffen. De raad heeft ook niet onderbouwd dat er een behoefte is om de Verlengde Oersebaan aan te leggen ten behoeve van de ontsluiting van het voorgenomen bedrijventerrein Oerle Noord-West, zo betoogt [appellant].

Voorts voert [appellant] aan dat hij een verdubbeling van het voorziene aantal rijbanen van de Verlengde Oersebaan en de aansluiting van de WOR op de A67 voorziet en dat dit tot een verhoging van de verkeersintensiteit op de Verlengde Oersebaan zal leiden. De gevolgen hiervan voor de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) zijn in de voorbereiding van het onderhavige plan ten onrechte niet onderzocht.

Verder wordt volgens hem de aantasting van de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS) niet voldoende gecompenseerd.

[appellant] betoogt voorts dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de archeologische waarden in het plangebied.

Verder betoogt hij dat het onderzoek naar de aspecten luchtkwaliteit en geluid onzorgvuldig tot stand is gekomen nu de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met concrete relevante ontwikkelingen.

Daarnaast voert [appellant] aan dat ten behoeve van het plan geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) zal worden verleend dan wel behoort te worden verleend.

Tot slot betoogt [appellant] dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet voldoende is onderbouwd nu deze afhankelijk is gesteld van de exploitatie van naastgelegen gronden waarop de ontwikkeling van woningbouwlocatie Zilverackers is voorzien. Voorts wijst hij op de omstandigheid dat de gemeente niet alle gronden binnen het plangebied in eigendom heeft, zodat een onteigeningsprocedure dient te worden gevolgd met alle onzekerheden van dien.

2.2.1. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de raad had dienen in te gaan op alle beroepsgronden die in het kader van de beroepsprocedure tegen het projectbesluit "Oerle-Zuid, eerste fase Zilverackers" zijn aangevoerd en die hij als zienswijzen over het ontwerp van het plan naar voren heeft gebracht. Het projectbesluit is genomen ten behoeve van de ontwikkeling van het gebied Oerle-Zuid en ziet niet op de aanleg van de Verlengde Oersebaan. Niet is gebleken dat de raad ten onrechte gronden die betrekking hebben op de ontwikkeling van de Verlengde Oersebaan onbesproken heeft gelaten.

2.2.2. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.2.3. Zijn betoog dat het verkeerscirculatieplan en de milieueffectrapporten niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen dan wel onvoldoende zijn onderbouwd, heeft [appellant] in zijn zienswijze over het ontwerp van het plan onderbouwd door verwijzing naar de destijds door hem ingediende inspraakreacties op deze stukken. In de Nota van Zienswijzen is naar aanleiding hiervan verwezen naar de eerder gegeven beantwoording van de inspraakreactie op het verkeerscirculatieplan en van de zienswijzen over de milieueffectrapporten. [appellant] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat deze beantwoording onjuist of onvolledig was en dat in de Nota van Zienswijzen daarom niet mocht worden volstaan met een verwijzing naar die beantwoording.

2.2.4. De enkele stelling van [appellant] dat zich in de toekomst eventueel een verandering kan voordoen in de ontwikkeling van de nieuwe woningbouwlocatie Zilverackers die relevante gevolgen kan hebben voor haar ontsluitingsstructuur, betekent niet dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door het plan vast te stellen. Niet is gebleken van ruimtelijke besluitvorming die de raad ten onrechte niet bij het bestreden besluit heeft betrokken.

2.2.5. De stelling van [appellant] dat de ontsluiting van het bedrijventerrein Habraken reeds is geregeld in het bestemmingsplan Habraken gaat eraan voorbij dat de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen voor een andere ontsluiting kan kiezen. [appellant] heeft niet onderbouwd dat de keuze voor de in het plan voorziene ontsluiting van voornoemd bedrijventerrein onredelijk is.

2.2.6. Volgens de raad wordt met de Verlengde Oersebaan niet alleen het bedrijventerrein Oerle Noord-West ontsloten, maar ook Oerle-Zuid en het bedrijventerrein Habraken. Volgens de raad volgt uit het rapport "Verkeerstoets Verlengde Oersebaan Veldhoven" van Arcadis van

4 mei 2009 dat de aanleg van de Verlengde Oersebaan ertoe zal leiden dat de verkeersintensiteit in de kern Oerle zal afnemen. Dit zal ten goede komen aan de leefbaarheid en verkeersveiligheid in Oerle, aldus de raad.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet voldoende heeft gemotiveerd dat er een behoefte bestaat om de Verlengde Oersebaan aan te leggen.

2.2.7. Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer (V)" aangewezen gronden bestemd voor wegen met niet meer dan 2x1 doorgaande rijstroken. Het plan maakt derhalve geen weg met 2x2 doorgaande rijstroken mogelijk. Evenmin maakt het plan een aansluiting van de WOR op de A67 mogelijk.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad terecht afgezien van een nader onderzoek naar de gevolgen voor de EHS van de door [appellant] bedoelde vermeerdering van het aantal rijstroken van de Verlengde Oersebaan en de aansluiting van de WOR op de A67.

2.2.8. Volgens de plantoelichting zal een gebied in de GHS met een oppervlakte van 4,21 hectare verloren gaan als gevolg van de aanleg van de Verlengde Oersebaan. Dit verlies wordt in het plan gecompenseerd door aan gronden die in eigendom zijn van de gemeente Veldhoven en een totale oppervlakte hebben van 5,77 ha een natuurbestemming te geven, terwijl, uitgaande van het provinciale compensatiebeleid zoals neergelegd in de beleidsregel "Natuurcompensatie", in dit geval een compensatiegebied van minimaal 4,66 ha voldoende is. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de GHS in het licht van het provinciale compensatiebeleid voldoende wordt gecompenseerd.

2.2.9. Op de verbeelding is aan de gronden met de bestemming "Verkeer (V)" mede de bestemming "Waarde-Archeologie (WR-A)" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie (WR-A)" aangewezen gronden, behalve voor de aldaar voorkomende andere bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de bodem aanwezige archeologische waarden.

Ingevolge artikel 10, lid 10. 2, mag op de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden niet worden gebouwd.

Ingevolge artikel 10, lid 10.3, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 10, lid 10. 2. Deze ontheffing kan slechts worden verleend indien uit het schriftelijk advies, ingewonnen bij de Provinciaal Archeoloog, blijkt dat:

a. daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische waarde geen bezwaar bestaat, hetgeen kan blijken uit een rapport waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgelegd;

b. het belang van de Waarde-Archeologie door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad.

Ingevolge artikel 10, lid 10. 4.1, is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde-Archeologie (WR-A)" zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van het college van burgemeester en wethouders de in dat artikel genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren.

2.2.10. Volgens de plantoelichting blijkt uit archeologisch bureauonderzoek dat het plangebied grotendeels archeologische potentie heeft met een hoge of middelhoge archeologische waarde. Het meest noordelijke deel van de voorziene Verlengde Oersebaan kent een lage archeologische waarde.

In 2009 is een inventariserend archeologisch veldonderzoek door middel van het graven van proefsleuven uitgevoerd ten zuiden van Oerle. Volgens de plantoelichting kan uit dit onderzoek geconcludeerd worden dat ter plaatse van de Zandoerleseweg geen sprake is van een hoge archeologische verwachtingswaarde.

Aan het gehele plandeel is de dubbelbestemming "Waarde-Acheologie (WR-A)" toegekend. Daarmee heeft de raad, mede gelet op hetgeen daarover is bepaald in artikel 10 van de planregels, naar het oordeel van de Afdeling in overeenstemming met artikel 38a van de Monumentenwet 1988 bij de vaststelling van het plan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

2.2.11. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit en geluid ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het onderzoek naar deze aspecten onzorgvuldig tot stand is gekomen nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de raad ten tijde van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met concrete relevante ontwikkelingen.

2.2.12. Volgens de plantoelichting heeft in het plangebied een integrale inventarisatie plaatsgevonden van de aanwezige natuurwaarden en zijn binnen de gemeentegrenzen van Veldhoven alle bekende flora- en faunawaarnemingen in beeld gebracht. Ook is het plangebied beoordeeld op de habitatgeschiktheid voor beschermde of bijzondere soorten flora en fauna.

In de plantoelichting staat dat het plan zal leiden tot aantasting van het foerageergebied en enkele migratieroutes van vleermuizen. Het foerageergebied kan en zal gecompenseerd moeten worden door het aanleggen van extra landschapselementen binnen het gebied Zilverackers. Op de locaties waar de WOR een migratieroute doorkruist zullen zogenoemde 'hopovers' gerealiseerd moeten worden. Op grond van het groenstructuurplan zijn voldoende mogelijkheden om het ecologische netwerk voor vleermuizen te versterken, aldus de plantoelichting.

Voorts staat in de plantoelichting dat ter hoogte van Hoogeind de WOR het leefgebied van de groene specht en de kerk- en steenuil zal doorkruisen. Het zogenoemde kampenlandschap dat binnen Zilverackers zal worden gerealiseerd zou gebruikt kunnen worden ten behoeve van de compensatie van de aantasting van het leefgebied van deze soorten waarbij geldt dat compensatie bij voorkeur in de nabijheid van de planlocatie plaatsvindt en de voorgenomen aanlegwerkzaamheden plaats dienen te vinden buiten het broedseizoen. Op basis hiervan kan een ontheffing worden verleend in het kader van de Ffw, aldus de plantoelichting.

Voorts heeft de raad gesteld dat regelmatig ecologische onderzoeken zijn uitgevoerd in Zilverackers ten einde een goed beeld te verkrijgen van de verschillende voorkomende soorten in dit gebied. Ook heeft de raad gesteld dat mitigerende maatregelen zijn voorzien vanwege de aantasting van de vliegroutes Hoogeind en Oude Kerkstraat van de gewone dwergvleermuis en de aantasting van leefgebieden voor de steenuil en de kerkuil, alsmede van het jachtgebied voor de buizerd. Ten aanzien van de patrijs, havik en sperwer zijn geen mitigerende maatregelen voorzien nu het plan niet leidt tot aantasting of vernietiging van de nestlocaties van deze soorten. Daarnaast heeft de raad gesteld dat de patrijs geen jaarrond beschermde soort is en kunnen de havik en sperwer gebruik maken van het jachtgebied van de buizerd, kerkuil en steenuil na het treffen van de voorgenomen mitigerende maatregelen.

De vragen of voor de realisatie van de voorziene Verlengde Oersebaan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing in het kader van de Ffw vereist is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor dit oordeel, nu de door hem aangedragen gegevens betrekking hebben op het gebied Oerle-Zuid.

2.2.13. Volgens de plantoelichting hangt de financiële uitvoerbaarheid van het plan samen met de exploitatie van gronden naast de voorziene Verlengde Oersebaan waarop de ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie Zilverackers is voorzien. Volgens de plantoelichting leidt de exploitatie van deze gronden tot een positief dan wel neutraal saldo. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet voldoende is onderbouwd.

Met de stelling dat de gemeente Veldhoven nog niet alle gronden in het plangebied heeft verworven en dat hiervoor mogelijk een onteigeningsprocedure dient te worden gevolgd, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet uitvoerbaar is binnen de planperiode van 10 jaar. Daarbij komt dat de raad ter zitting het voornemen kenbaar heeft gemaakt om de desbetreffende gronden binnen deze termijn zo nodig te onteigenen.

2.2.14. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer (V)" dat betrekking heeft op de gronden waarop het tracé van de Verlengde Oersebaan is voorzien, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

288-629.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature