Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 19 november 2008 heeft de korpsbeheerder geweigerd het verzoek van [appellant] om de over hem opgeslagen gegevens zoals DNA, foto's en vingerafdrukken in het Bedrijfsprocessensysteem (hierna: BPS) en het Herkenningsdienstsysteem (hierna: HKS) van de politie Zuid-Holland-Zuid te verwijderen in te willigen.

Uitspraak



201008329/1/H3.

Datum uitspraak: 27 april 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 juli 2010 in zaak

nr. 09/597 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politie Zuid-Holland-Zuid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2008 heeft de korpsbeheerder geweigerd het verzoek van [appellant] om de over hem opgeslagen gegevens zoals DNA, foto's en vingerafdrukken in het Bedrijfsprocessensysteem (hierna: BPS) en het Herkenningsdienstsysteem (hierna: HKS) van de politie Zuid-Holland-Zuid te verwijderen in te willigen.

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft de korpsbeheerder opnieuw geweigerd dat verzoek in te willigen.

Bij uitspraak van 23 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 mei 2009 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover het betreft de weigering om de persoonlijke gegevens van [appellant] uit het BPS te verwijderen, het verzoek om verwijdering van de persoonlijke gegevens van [appellant] in het HKS toegewezen, de korpsbeheerder opgedragen om deze gegevens onverwijld uit dat systeem te verwijderen en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2011, waar [appellant], in persoon, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door P. van den Boogaart, werkzaam bij de politie Zuid-Holland-Zuid, zijn verschenen.

[appellant] heeft ter zitting met toestemming van de korpsbeheerder een nader stuk ingediend.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder politiegegeven verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt.

Ingevolge de aanhef en onder c wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder verwerken van politiegegevens verstaan elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, worden politiegegevens slechts verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens deze wet geformuleerde doeleinden.

Ingevolge het tweede lid worden politiegegevens slechts verwerkt voor zover zij rechtmatig zijn verkregen en, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, terzake dienend en niet bovenmatig zijn.

Ingevolge het derde lid worden politiegegevens uitsluitend voor een ander doel verwerkt dan waarvoor zij zijn verkregen voor zover deze wet daar uitdrukkelijk in voorziet.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, kunnen politiegegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van één jaar na de datum van de eerste verwerking.

Ingevolge het tweede lid kunnen politiegegevens ten aanzien waarvan de in het eerste lid genoemde termijn is verstreken, voor zover dat noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak, geautomatiseerd worden vergeleken met politiegegevens die worden verwerkt op grond van het eerste lid teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de betreffende gegevens. De gerelateerde gegevens kunnen verder worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.

Ingevolge het derde lid kunnen politiegegevens ten aanzien waarvan de in het eerste lid genoemde termijn is verstreken, voor zover dat noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak, in combinatie met elkaar worden verwerkt teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de betreffende gegevens. Indien zulke verbanden bestaan kunnen de gerelateerde gegevens verder worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de politietaak.

Ingevolge het zesde lid worden de politiegegevens, die zijn verwerkt op grond van het eerste, tweede en derde lid, vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak en worden deze in ieder geval uiterlijk vijf jaar na de datum van eerste verwerking verwijderd.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, voor zover thans van belang, deelt de verantwoordelijke een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens zijn vastgelegd.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, kan degene aan wie overeenkomstig artikel 25 kennis is gegeven van hem betreffende politiegegevens, de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet terzake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 25 of 28 als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Afdeling 7.1 van de Awb is niet van toepassing.

Ingevolge artikel 4:2, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit politiegegevens (hierna: het Besluit) kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de Wpg , voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan een stichting als bedoeld in artikel 1 onderdeel f van de Wet op de jeugdzorg , ten behoeve van de uitvoering van één van de taken als bedoeld in artikel 5, eerste lid, en artikel 10, eerste lid, onderdelen b tot en met e van die wet.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wet op de Jeugdzorg (hierna: de Wjz), wordt, voor zover thans van belang, in deze wet onder stichting verstaan een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, heeft de stichting bovendien tot taak het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling (hierna: het AMK).

2.2. Op 15 april 2007 is [appellant] aangehouden op verdenking van het plegen van het strafbare feit stalking, als bedoeld artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en vervolgens in verzekering gesteld. Van deze verdenking is [appellant] in hoger beroep op 28 juli 2008 vrijgesproken omdat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Van [appellant] zijn in verband met diens aanhouding en de verdenking van stalking gegevens verwerkt in het BPS en HKS.

2.3. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 24 maart 2009 het beroep van [appellant] gegrond verklaard. Hij heeft hierbij, voor zover thans van belang, het opslaan van politiegegevens van [appellant] in het BPS en het HKS onderscheiden van de verdere bewaring van deze gegevens. Ten aanzien van het opslaan heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de korpsbeheerder op goede gronden in april 2007 gegevens van [appellant] in het BPS en het HKS heeft verwerkt. Destijds gold [appellant] als verdachte van het misdrijf stalking. De enkele omstandigheid dat [appellant] nadien van dat misdrijf is vrijgesproken, doet aan de rechtmatigheid van het opslaan van de gegevens van [appellant] ten tijde van de verdenking daarvan in april 2007 niet af, aldus de voorzieningenrechter.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant]i geen hoger beroep ingesteld.

2.4. De Afdeling begrijpt het hoger beroep aldus dat dit is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover het betreft de weigering om de persoonlijke gegevens van [appellant] uit het BPS te verwijderen. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte uitgaat van de juistheid van het eerder gegeven oordeel door de voorzieningenrechter ten aanzien van de rechtmatigheid van de verkrijging en opslag van de hem betreffende politiegegevens. Hij voert aan dat hij niet tegen dat oordeel is opgekomen omdat hij na de uitspraak van de voorzieningenrechter opnieuw in beroep is gegaan bij de rechtbank en een klacht heeft ingediend. Bovendien heeft hij de rechtmatigheid van het verkrijgen van de politiegegevens altijd bestreden en blijkt de onrechtmatigheid van de verkrijging en de opslag van de politiegegevens uit de vrijspraak door het Gerechtshof van 28 juli 2008.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen, onder terechte verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1, dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het ten tweeden male beoordelen van door de rechtbank eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, miskent.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat dit beginsel van procesrecht ook geldt in een zaak als deze. De omstandigheid dat in de procedure die leidde tot de uitspraak van 24 maart 2009 ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wpg bij de voorzieningenrechter het besluit op het verzoek voorlag en na vernietiging ook bij de rechtbank een hernieuwd besluit op het verzoek aan de orde was, doet daar niet aan af. De rechtbank is daarom terecht uitgegaan van het eerder door de voorzieningenrechter gegeven oordeel ten aanzien van de rechtmatigheid van de verkrijging en de opslag van de gegevens van [appellant]. Dat [appellant] opnieuw in beroep is gegaan en een klacht heeft ingediend, dat hij de rechtmatigheid van de verkrijging en opslag van zijn gegevens altijd heeft bestreden en dat het Gerechtshof hem op 28 juli 2008 heeft vrijgesproken doet aan het voorgaande niet af.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder ten onrechte heeft geweigerd de hem betreffende politiegegevens uit het BPS te verwijderen. Volgens [appellant] is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat zijn gegevens uit het BPS door de korpsbeheerder aan derden worden verstrekt. Bovendien worden zijn gegevens gebruikt voor doelen waarvoor de gegevens niet zijn bedoeld. Voorts verzoekt hij de Afdeling om een immateriële schadevergoeding van € 10.000,00 als gevolg van aantasting van zijn eer en goede naam.

2.5.1. Als uitgangspunt geldt dat politiegegevens slechts worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een goede uitvoering van de politietaak, als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993 . De korpsbeheerder heeft ter zitting bij de rechtbank gesteld dat in het BPS met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak alle incidenten waarbij de politie is betrokken, worden verwerkt. Voorts heeft de korpsbeheerder ter zitting bij de Afdeling gesteld dat in het BPS ambtshandelingen en personalia van betrokkenen worden geregistreerd. Gebleken is dat, sinds de eerste opname op 15 april 2007 van [appellant] betreffende politiegegevens in het BPS, een aanzienlijk aantal meldingen afkomstig van [appellant] en in verband met de persoon van [appellant], in het BPS is verwerkt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de korpsbeheerder voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak over de in geding zijnde gegevens moet kunnen beschikken, teneinde in voorkomende gevallen adequaat, want met kennis van de voorgeschiedenis, te kunnen handelen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, gelet op de herhaalde bemoeienis van de politie, de verdere bewaring van gegevens in het BPS ter zake dienend is voor het doel van de bewerking in de zin van artikel 28, eerste lid, van de Wpg. De verwerking van de in geding zijnde gegevens betekent niet dat de korpsbeheerder [appellant] in strafrechtelijke zin schuldig acht aan het misdrijf stalking. Met betrekking tot de [appellant] betreffende politiegegevens die door de korpsbeheerder aan het AMK zijn verstrekt is de Afdeling, gelet op artikel 4:2, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit, gelezen in samenhang met artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wjz , van oordeel dat deze verwerking van [appellant] betreffende gegevens niet in strijd is met een wettelijk voorschrift. Dat de korpsbeheerder [appellant] betreffende politiegegevens heeft verstrekt, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wpg , aan basisschool de Sterrenkijker, heeft de korpsbeheerder ontkend en is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt.

2.6. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op goede gronden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, voor zover het betreft de weigering om de persoonlijke gegevens van [appellant] uit het BPS te verwijderen. Reeds hierom komt [appellant] niet in aanmerking voor vergoeding van de door hem gestelde schade. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

176-671.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature