< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Uit paragraaf 4.2 van de in COM 2009, 313 neergelegde richtsnoeren inzake Richtlijn 2004/38 blijkt dat lidstaten onder bepaalde omstandigheden individuele gevallen mogen onderzoeken wanneer er een gegrond vermoeden van misbruik of fraude bestaat. Gegeven de specifieke kenmerken in deze zaak en het feit dat verweerder in eerdere, vergelijkbare zaken had vastgesteld dat sprake was schijnhuwelijken, heeft verweerder terecht gemeend dat er sprake was van een aanvraag met dezelfde kenmerken en heeft hij op basis daarvan mogen overgaan tot onderzoek.

Op basis van de door eiser en referente afgelegde tegenstrijdige verklaringen met betrekking tot de manier waarop zij elkaar hebben ontmoet, de aanloop naar de huwelijksdag en de gebeurtenissen tijdens en na afloop van de huwelijksvoltrekking, kon verweerder concluderen dat sprake is van een schijnhuwelijk.

Uitspraak



RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 37306 (beroep)

AWB 10 / 37307 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 januari 2011

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Egyptische nationaliteit,

eiser/verzoeker,

verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. H.D. Streef, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 9 december 2009 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw ) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 19 mei 2010 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt op 9 juni 2010. Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld op 27 oktober 2010.

1.2 Eiser heeft op 27 oktober 2010 verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat op het beroep is beslist.

1.3 Op 28 december 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Eiser is in persoon verschenen en bijgestaan door mr. L.J. Meijering, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Op grond van de stukken van de zaak en de zitting staat het volgende vast. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van artikel 1, aanhef en onder m, Vw. Op 31 augustus 2009 is eiser op de Egyptische ambassade in Den Haag getrouwd met [partner van eiser] (hierna: referente) die de Hongaarse nationaliteit heeft. Naar aanleiding van de door eiser ingediende aanvraag als beschreven in rechtsoverweging 1.1 zijn eiser en referente op 4 mei 2010 door verweerder afzonderlijk van elkaar gehoord over het tussen hen gesloten huwelijk.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het huwelijk tussen eiser en referente een schijnhuwelijk betreft dat enkel is aangegaan om het in de Richtlijn 2004/38/EG (hierna: Richtlijn 2004/38) neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 35 van Richtlijn 2004 /38 en artikel 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) kan eiser geen rechten aan het gemeenschapsrecht ontlenen, aldus verweerder.

2.3 Ter zitting voert eiser daartegen aan dat op 7 oktober 2010 twee medewerkers van de IND een huisbezoek hebben afgelegd in de woning waar hij samen met referente woont en dat deze medewerkers daarbij hebben meegedeeld dat “de situatie goed is”. Gezien deze positieve mededeling van de medewerkers van de IND is het vreemd dat in de beschikking die enkele dagen later volgde, het bezwaar ongegrond is verklaard.

2.4 Ter zitting heeft eiser in dit verband een verklaring getoond van de gemeente waar hij en referente wonen, waarin staat dat hun huwelijk aldaar in de Gemeentelijke Basisadministratie is ingeschreven. Eiser heeft verklaard dat hij deze verklaring heeft ontvangen naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag en naar aanleiding van het huisbezoek. Nog daargelaten dat dit stuk niet afkomstig is van verweerder en niets van doen heeft met de besluitvorming in de onderhavige zaak, is de rechtbank van oordeel dat eiser door zich eerst ter zitting op dit huisbezoek te beroepen, in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde. Temeer nu eiser ter zitting heeft verklaard dat dit huisbezoek reeds enige tijd geleden heeft plaatsgevonden en hij het document reeds langere tijd in zijn bezit heeft. De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook voor het overige buiten beschouwing laten wegens strijd met de goede procesorde.

2.5 Voorts heeft eiser aangevoerd dat - voordat er tot onderzoek mocht worden overgegaan - er een concrete indicatie aanwezig had moeten zijn dat er in zijn geval sprake zou kunnen zijn van een schijnhuwelijk. Van een dergelijke indicatie was geen sprake. Het feit dat er in het algemeen een toename van consulaire huwelijken was, kan daartoe niet dienen, nu dit feit geen betrekking heeft op de specifieke situatie van eiser. Door onderzoek te doen naar consulaire huwelijken tussen Egyptische mannen en Oost-Europese en Portugese vrouwen op de Egyptische ambassade heeft verweerder in strijd gehandeld met het verbod op systematisch onderzoek naar bepaalde bevolkingsgroepen zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Communication from the Commission to the European Parliament and the Council 2009, 313 (hierna: COM 2009, 313.

2.6 Op grond van het bepaalde in artikel 35 van de Richtlijn 2004 /38 kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om een in deze richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Artikel 35 van de Richtlijn 2004 /38 is geïmplementeerd in artikel 8.25 Vb , waarin staat dat verweerder het rechtmatig verblijf kan be ëindigen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf. In overweging 28 van Richtlijn 2004/38 worden schijnhuwelijken omschreven als huwelijken die zijn aangegaan met als enig doel het in de richtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten. Uit paragraaf 4.2 van de in COM 2009, 313, neergelegde richtsnoeren inzake Richtlijn 2004/38 blijkt dat lidstaten individuele gevallen mogen onderzoeken wanneer er een gegrond vermoeden van misbruik of fraude bestaat, waarbij zij zich kunnen baseren op eerdere analyses en ervaringen die aantonen dat er een duidelijk verband bestaat tussen gevallen waarin misbruik is bewezen en bepaalde kenmerken van deze gevallen. Op grond van gemeenschapsrecht is het niet toegestaan systematisch onderzoek te doen naar bepaalde groepen migranten.

2.7 In dit geval beschikte verweerder over informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over consulaire huwelijken waaruit blijkt dat er in de loop van 2009 een forse toename was van het aantal legalisatieverzoeken betreffende consulaire huwelijken gesloten op onder andere de Egyptische ambassade in Den Haag. Daarbij was tevens sprake van indicaties die doen vermoeden dat de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in een deel van de gevallen waarschijnlijk werden misbruikt met als enig doel inbreuk te maken op de nationale immigratiewetgeving. Wat betreft deze indicaties moet volgens verweerder onder meer gedacht worden aan de omstandigheid dat communicatie tussen de echtgenoten moeilijk tot onmogelijk is, aangezien ze elkaars taal niet spreken en soms ook niet een derde taal delen. Het betrof in de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gesignaleerde gevallen bijna uitsluitend huwelijken van Egyptische mannen met vrouwen die afkomstig zijn uit één van de Oost-Europese lidstaten of Portugal en na de huwelijksvoltrekking werd er door de derdelander een aanvraag ingediend om toetsing aan het gemeenschapsrecht. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder steekproefsgewijs twintig zaken uit zijn voorraad gelicht waarin sprake was van een dergelijk huwelijk. Daarbij zijn volgens verweerder steeds de eerdergenoemde richtsnoeren in acht genomen en zijn de betrokkenen gevraagd te verschijnen voor een gehoor. De resultaten in deze twintig zaken waren volgens verweerder dusdanig dat besloten is om de pilot voort te zetten. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aan de hand van de analyses en ervaringen in de pilot is aangetoond dat er een duidelijk verband bestaat tussen gevallen waarin schijnhuwelijken zijn bewezen en aanvragen met bepaalde kenmerken als hiervoor genoemd. Gegeven de criteria zoals aangegeven in de richtsnoeren mag verweerder onder die omstandigheden bij aanvragen met dezelfde kenmerken in individuele gevallen overgaan tot onderzoek. Aangezien in dit geval ook sprake was van een consulair huwelijk gesloten op de Egyptische ambassade in Den Haag tussen een man met de Egyptische nationaliteit en een vrouw afkomstig uit één van de Oost-Europese lidstaten en eiser na de huwelijksvoltrekking als derdelander een aanvraag heeft ingediend om toetsing aan het gemeenschapsrecht, heeft verweerder terecht gemeend dat er sprake was van een aanvraag met dezelfde kenmerken als die van de zaken in de pilot waarbij fraude in de zin van een schijnhuwelijk is komen vast te staan. Een verdere concrete indicatie dat nader onderzoek was aangewezen alvorens het oproepen van eiser en referente voor een gehoor hoefde verweerder niet te hebben. Overigens heeft verweerder ter zitting nog nader toegelicht dat in dit geval ook een rol heeft gespeeld de omstandigheid dat eiser bij zijn aanvraag zeer weinig gegevens had overgelegd.

2.8 Het feit dat bij een dergelijk onderzoek in zijn algemeenheid personen met bepaalde nationaliteiten betrokken zijn, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat sprake is van systematisch onderzoek naar bepaalde groepen migranten. Er is immers geen sprake van dat verweerder onderzoek doet naar alle aanvragen van migranten met de Egyptische nationaliteit, maar uitsluitend in die gevallen waarin de aanvraag gebaseerd is op een consulair huwelijk gesloten op de Egyptische ambassade en waarbij tevens sprake is van de kenmerken zoals genoemd in rechtsoverweging 2.8. Mede in aanmerking genomen dat de eerdere analyses en ervaringen in de pilot hebben aangetoond dat er een duidelijk verband bestaat tussen gevallen waarin misbruik is bewezen en bepaalde kenmerken van deze gevallen, is dit voldoende specifiek en kan niet worden geoordeeld dat er systematisch onderzoek heeft plaatsgevonden in strijd met de richtsnoeren. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

2.9 Voorts heeft eiser in zijn beroepsgronden verwezen naar de gronden van bezwaar waarin hij heeft aangevoerd dat het enkele feit dat eiser en referente tegenstrijdig zouden hebben verklaard over details en gebeurtenissen die zich maanden daarvoor hebben afgespeeld niet tot de conclusie kan leiden dat sprake zou zijn van een schijnhuwelijk. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat op zichzelf niet betwist wordt dat er tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, maar dat deze het gevolg zijn van het feit dat met name referente zo langdurig is gehoord dat het goed mogelijk is dat er daardoor tegenstrijdigheden in haar verhaal zijn geslopen. Ook kunnen verschillen (deels) worden veroorzaakt door een verschil in taal en interpretatie van woorden en zinnen. Uit het feit dat eiser en referente vrijwel gelijkluidend verklaren over recente gebeurtenissen blijkt dat zij een gezamenlijke huishouding voeren en een relatie met elkaar onderhouden en dat dus geen sprake is van een huwelijk met als enig doel het recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten.

2.10 In het primaire besluit heeft verweerder uitgebreid gemotiveerd dat eiser en referente in hun gehoren verschillend en tegenstrijdig hebben verklaard over het ontstaan en verloop van hun relatie. Zo heeft referente verklaard dat zij eiser heeft ontmoet toen zij met haar vriendin op vakantie was in Spanje en dat de eerste ontmoeting met eiser plaatsvond toen referente met haar vriendin in de bar zat waar eiser op dat moment werkzaam was. Eiser heeft daarentegen verklaard dat referente alleen op vakantie was in Spanje en dat hun eerste ontmoeting plaatsvond in de kamer van referente toen eiser deze kamer als werknemer van het hotel wilde schoonmaken. Daarnaast heeft referente aangegeven dat eiser destijds met vier of vijf andere personen in een kamer in het hotel verbleef, terwijl eiser verklaard heeft dat hij bij een vriend thuis verbleef op tien minuten lopen van het hotel. Ook hebben eiser en referente verschillende verklaringen afgelegd met betrekking tot de aanloop naar het huwelijk en de dag van de huwelijksvoltrekking zelf. Zo heeft referente gezegd dat zij heeft voorgesteld om te gaan trouwen, omdat zij eiser niet het gevoel wilde geven dat, als hij het zou vragen, hij dit alleen zou doen om er verblijfsrechten aan te ontlenen. Volgens eiser heeft hij referente ten huwelijk gevraagd. Verder heeft referente aangegeven dat de chauffeur niet aanwezig was bij de huwelijksvoltrekking en heeft eiser verklaard dat dat wel het geval was en dat hij zelfs een van de getuigen was. Referente heeft verder verklaard dat er tijdens de huwelijksvoltrekking ringen zijn uitgewisseld, maar eiser heeft aangegeven dat dat niet het geval was. Eiser en referente zijn het erover eens dat zij na de huwelijksvoltrekking samen zijn gaan eten in een Chinees restaurant, maar volgens eiser was dat samen met de twee getuigen in Den Haag en volgens referente was dat in Amsterdam en alleen in het bijzijn van de chauffeur.

2.11 Uit het voorgaande blijkt dat de tegenstrijdigheden die aan eiser worden tegengeworpen niet zien op inconsistenties in de afzonderlijke gehoren van eiser en referente, maar op tegenstrijdigheden in deze verhalen ten opzichte van elkaar. Het betoog van eiser dat referente door de lange duur van haar gehoor zelf tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, maakt dat niet anders. Ook de stelling dat tegenstrijdigheden verklaard kunnen worden door een verschil in taal en interpretatie van woorden en zinnen volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit heeft verweerder daarover terecht opgemerkt dat eiser is gehoord met behulp van een Arabische tolk en referente met behulp van een Hongaarse tolk, zodat betrokkenen de antwoorden in hun eigen taal hebben kunnen verwoorden. Als er al sprake zou zijn van een verschil in interpretatie van woorden en zinnen dan zou dit uit het verslag naar voren gekomen zijn, maar daarvan is, zoals verweerder juist heeft opgemerkt, niet gebleken.

2.12 In de eerdergenoemde richtsnoeren is aangegeven dat bij het beoordelen van de vraag of een huwelijk enkel tot stand is gekomen met als enig doel het in de Richtlijn 2004/38 neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, lidstaten in het bijzonder in aanmerking mogen nemen de omstandigheid dat de echtelieden inconsistente verklaringen afleggen over hun wederzijdse persoonlijke gegevens, over de omstandigheden van hun eerste ontmoeting of over andere belangrijke persoonlijke informatie die hen betreft. Aangezien de aan eiser en referente tegengeworpen tegenstrijdigheden nu juist betrekking hebben op die omstandigheden, te weten de manier waarop eiser en referente elkaar ontmoet hebben, de aanloop naar hun huwelijksdag en de gebeurtenissen tijdens en na afloop van de huwelijksvoltrekking, kon verweerder tot de conclusie komen dat sprake is van een schijnhuwelijk. Voor wat betreft de in bezwaar door eiser overgelegde documenten zijnde een kopie van het huurcontract van eiser en referente, een zestal poststukken aan zowel eiser als referente op hun oude en hun nieuwe woonadres, een kopie van eisers paspoort, zijn gelegaliseerde geboorteakte, een ongehuwdverklaring die betrekking heeft op eiser ten behoeve van zijn verblijf in Spanje en de gegevens omtrent eisers verblijf in Barcelona en Madrid, heeft verweerder in het bestreden besluit mogen overwegen dat deze documenten thans niet (meer) relevant zijn. Deze stukken doen niet af aan de hiervoor weergegeven gerechtvaardigde conclusie van verweerder dat sprake is van een schijnhuwelijk. Voor wat betreft de door eiser in bezwaar overgelegde verklaringen van vrienden en bekenden heeft verweerder mogen concluderen dat daaraan geen overwegende betekenis kan worden toegekend en dus ook niet kunnen leiden tot een ander oordeel, omdat deze niet afkomstig zijn uit een objectieve en verifieerbare bron. Ten aanzien van de omstandigheid dat op zichzelf juist is dat eiser en referente ook overeenkomstige verklaringen hebben afgelegd, heeft verweerder in het bestreden besluit overwegende betekenis mogen toekennen aan het feit dat het aantal tegenstrijdige verklaringen dusdanig en van dien aard is dat niet aannemelijk wordt geacht dat eiser en referente daadwerkelijk een relatie hebben.

2.13 Eiser heeft in beroep betoogd dat er ten onrechte geen hoorzitting is gehouden naar aanleiding van het bezwaarschrift. Zoals verweerder zelf heeft aangevoerd, is het houden van een hoorzitting de meest aangewezen manier om feiten te kunnen achterhalen en door dit na te laten is eiser de kans ontnomen om de feiten en vermeende tegenstrijdigheden uit te leggen. Dit klemt temeer nu eiser uitdrukkelijk heeft gevraagd om over te gaan tot het houden van een hoorzitting.

2.14 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat hij kon afzien van het horen van eiser omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

2.15 Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het ingevolge artikel 7:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2.16 Het bezwaar is kennelijk ongegrond indien naar objectieve maatstaven bezien op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. De beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar is afhankelijk van de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn.

2.17 Gelet op hetgeen in bezwaar is aangevoerd, zoals hiervoor reeds is besproken, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, was op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit had kunnen leiden. Weliswaar heeft eiser in beroep aangevoerd dat hij gehoord had willen worden om vermeende tegenstrijdigheden uit te kunnen leggen, maar nu hij in bezwaar noch in beroep concreet heeft onderbouwd welke tegenstrijdigheden hij bedoeld heeft en op grond waarvan deze ten onrechte tegenstrijdig zijn geacht, en hij bovendien ter zitting de tegenstrijdigheden heeft erkend, heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en op goede gronden afgezien van het horen van eiser.

2.18 Tot slot heeft eiser in beroep aangevoerd dat er sprake is van een motiveringsgebrek in de beslissing, omdat verweerder met betrekking tot de vertrektermijn heeft gesteld dat eiser geen beroep toekomt op de Richtlijn 2004/38 omdat hij geen familielid zou zijn van een EU-onderdaan. Er is sprake van een rechtsgeldig huwelijk zodat deze overweging van verweerder onjuist is en niet de conclusie kan dragen dat eiser geen beroep toekomt op Richtlijn 2004/38.

2.19 Richtlijn 2004/38 is van toepassing op burgers van de Unie, zijnde iedereen die de nationaliteit van een lidstaat bezit en op hun familieleden, waarbij onder familieleden onder meer wordt verstaan de echtgenoot. Indien een lidstaat een besluit neemt om de vrijheid van verkeer en verblijf van een persoon te beperken en in dat besluit tevens vermeldt dat de betrokkene binnen een bepaalde termijn het grondgebied van de lidstaat moet verlaten, is in artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004 /38 bepaald dat deze genoemde vertrektermijn tenminste een maand dient te zijn. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat weliswaar sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, maar dat aan eiser de in Richtlijn 2004/38 neergelegde rechten zijn ontzegd omdat sprake is van een schijnhuwelijk. Hiervoor is reeds geoordeeld dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiser een schijnhuwelijk is aangegaan met referente als onderdaan van de Unie. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit op goede gronden geconcludeerd dat eiser dan ook geen familielid is van een onderdaan van de Unie, zodat Richtlijn 2004/38 niet op hem van toepassing is. Verweerder heeft op grond van het reguliere Vreemdelingenrecht op goede gronden een vertrektermijn van 28 dagen gehanteerd.

2.20 Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

2.21 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.22 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.23 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.24 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, in tegenwoordigheid van drs. A. F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature