< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Geen onrechtmatige uitlatingen, wel inbreuk auteursrechten door publicatie processtukken; gestaakt houden beheer website en daaraan verbonden e-mailadressen.

Uitspraak



RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 116988 / KG ZA 10-323

datum vonnis: 14 april 2011 (jk)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

In de hoofdzaak:

1. de stichting

Stichting Het Stedelijk Lyceum Enschede,

gevestigd te Enschede,

en

2. [Eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

verder ook te noemen [eisers],

advocaat: M.F. Groen te Hengelo (O),

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. K.J. Slump te Leersum.

Het (verdere) procesverloop

1. In het tussenvonnis van 28 januari 2011 (hierna: het tussenvonnis) gewezen in dit kort geding, is het verzoek tot voeging aan de zijde van gedaagde van de - naar eigen zeggen - vigerende GMR afgewezen en heeft de voorzieningenrechter in de hoofdzaak elke nadere beslissing aangehouden. Op 26 januari 2011 is een incidentele conclusie tot voeging aan de zijde van eisers ingediend door enkele leden van - althans naar hun eigen zeggen - de ‘voormalige GMR’. Na het tussenvonnis van 28 januari is voornoemd verzoek ingetrokken en heeft - na toezending van een aantal (aanvullende) producties door beide partijen - vervolgens de voortgezette behandeling plaatsgevonden op 7 maart 2011. Aan het slot van die behandeling ter terechtzitting is door partijen verzocht om nog geen vonnis te wijzen, omdat zij wilden bekijken of een vergelijk alsnog tot de mogelijkheden zou behoren. Kennelijk is dat niet gelukt, want nadien is bericht van partijen ontvangen dat alsnog vonnis moet worden gewezen. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

Waarvan (verder) kan worden uitgegaan

2. De in het tussenvonnis vermelde feiten dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Verder wordt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 maart 2011 in het geding van het navolgende uitgegaan.

3. [Gedaagde] is niet langer houder van de domeinnaam &lt;gmrhsl.nl&gt;, deze heeft hij overgedragen aan de - naar eigen zeggen - voorzitter van de GMR. Door partijen is genoegzaam aangenomen dat [gedaagde] aldus niet meer “aan de knoppen zit” van de website.

Standpunten van partijen

4. Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] te verbieden zich in algemene zin negatief uit te laten over Stichting HSL en haar bestuurder;

b. [gedaagde] te gebieden binnen 24 uur na betekening van het vonnis alle op de website www.gmrhsl.nl gepubliceerde informatie van het internet te verwijderen en verwijderd te houden en in plaats daarvan een rectificatie te plaatsen en geplaatst te houden;

c. [gedaagde] te gebieden binnen 24 uur na betekening van het vonnis voor eigen rekening zorg te dragen voor een rectificatie in de Twentsche Courant Tubantia;

d. [gedaagde] te gebieden om binnen tien dagen na betekening van het vonnis al datgene te doen wat van zijn kant nodig is teneinde te bewerkstelligen dat de domeinregistratie &lt;gmrhsl.nl&gt; onvoorwaardelijk op naam van HSL wordt gesteld conform het reglement van SIDN;

e. [gedaagde] te gebieden vanaf de dag van de uitspraak het gebruik van de e-mailadressen info@gmrhsl.nl en gmrhsl@gmail.com te staken en gestaakt te houden;

f. [gedaagde] te gebieden vanaf de dag van de uitspraak het gebruik van zowel het woordmerk c.q. teken GMR HSL als de naam van de bestuurder te staken en gestaakt te houden;

g. [gedaagde] te verbieden correspondentie en/of processtukken die door of namens bestuurder zijn opgesteld op enigerlei wijze te openbaren en te verspreiden;

h. althans een zodanige voorziening te treffen die het onrechtmatig handelen van [gedaagde] zal beëindigen, op straffe van een dwangsom bij overtreding van het onder a tot en met h bepaalde, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

5. Eisers stellen daartoe dat [gedaagde] houder is van de domeinnaam &lt;gmrhsl.nl&gt; en als zodanig onrechtmatig jegens eisers handelt doordat hij op de website van de GMR HSL en via genoemde e-mailadressen lasterlijke en tendentieuze berichten over eisers publiceert c.q. verspreidt, met geen ander doel dan het toebrengen van reputatieschade aan eisers. Eisers hebben moeten constateren dat het onrechtmatig handelen ongewijzigd is voortgezet, in die zin dat alle correspondentie tussen partijen en diens advocaten, alsmede alle processtukken, op de website www.gmrhsl.nl worden geplaatst.

6. [Gedaagde] maakt inbreuk op de auteursrechten van eisers door het publiceren van informatie c.q. brieven die door of namens Stichting HSL worden verzonden. Dit geldt ook ten aanzien van alle processtukken die namens eisers in dit geding zijn ingebracht, zoals dagvaardingen en pleitnotities.

7. Stichting HSL heeft op 10 december 2010 de naam GMRHSL als woordmerk gedeponeerd bij het Benelux Merkenbureau. Als eerste gebruiker van de naam GMR HSL is Stichting HSL tot een dergelijke inschrijving gerechtigd, aldus eisers. Eisers stellen dat [gedaagde] het teken GMRHSL gebruikt als domeinnaam en in voornoemde e-mailadressen, waardoor [gedaagde] ongerechtvaardigd voordeel uit de naamsbekendheid van HSL trekt. Doordat het teken identiek is aan het woordmerk GMRHSL legt het publiek een direct verband tussen het teken en het merk en worden zowel de website als de e-mailadressen geassocieerd met Stichting HSL en de formele GMR, aldus eisers. Door het onrechtmatige gebruik van het merk wordt volgens eisers in hoge mate afbreuk gedaan aan het zorgvuldig opgebouwde image van stichting HSL en de GMR HSL.

Verweer [gedaagde] en diens eis in reconventie

6. [Gedaagde] heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in conventie en heeft voorts ter zitting de door hem ingediende eis in reconventie nader toegelicht. Meer in het bijzonder heeft [gedaagde] als verweer aangevoerd dat hij in opdracht van de vigerende GMR heeft gehandeld. Hem kan aldus persoonlijk geen verwijt gemaakt worden. Daarenboven is hij niet langer de domeinnaamhouder van de website www.gmrhsl.nl.

In reconventie:

7. Door [gedaagde] wordt in reconventie onder 1 gevorderd (zie “akte houdende eis in reconventie”) om gedaagden in reconventie op straffe van een dwangsom te verbieden om onjuiste en negatieve informatie te verspreiden over [gedaagde], als voormalig ouder (van een leerling op dit Lyceum) en als voormalig lid van de GMR HSL van het Stedelijk Lyceum, waaronder naar zeggen van [gedaagde] ook is te begrijpen de Scholingsboulevard Enschede.

8. Onder 2 wordt – kort samengevat – gevorderd om gedaagden in reconventie op straffe van een dwangsom te verbieden om te handelen in strijd met het bepaalde in de Wet medezeggenschap op Scholen, waarbij in het door [gedaagde] geformuleerde petitum specifieke bepalingen uit die wet zijn aangehaald.

9. Daarnaast wordt gevorderd om gedaagden in reconventie te veroordelen tot betaling van de aan de zijde van [gedaagde] gemaakte buitengerechtelijke kosten alsmede in de kosten in het geding in reconventie aan de zijde van [gedaagde] gevallen.

10. Gedaagden in reconventie hebben geconcludeerd tot afwijzing van het door [gedaagde] gevorderde. Dit standpunt is schriftelijk vastgelegd in een “conclusie van antwoord in reconventie”.

In conventie en reconventie:

11. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

In conventie en reconventie:

12. Vooropgesteld moet worden dat de voorzieningenrechter ook in dit eindvonnis bij de beoordeling van de verzochte voorlopige voorzieningen in het midden laat of de ‘voormalige GMR’ in wiens opdracht [gedaagde] stelt te hebben gehandeld, ook daadwerkelijk de vigerende GMR is. Een voorlopige voorzieningenprocedure biedt nu eenmaal niet een gedegen platform om een en ander goed uit te zoeken, omdat de stelling is dat haast is geboden bij het treffen van de gevraagde voorzieningen.

Spoedeisend belang

13. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat zowel eisers als [gedaagde] hun spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening als gevorderd voldoende aannemelijk hebben gemaakt, zodat de voorzieningenrechter toekomt aan de materiële beoordeling van het geschil.

In conventie:

14. Ten aanzien van de vorderingen in conventie kan een onderscheid worden gemaakt in het beweerdelijk onrechtmatig handelen van [gedaagde] en diens vermeende inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van de rechtspersoon Stichting HSL. Daarbij is van belang dat ter terechtzitting van 7 maart 2011 aannemelijk is geworden dat [gedaagde] niet langer domeinnaamhouder is van de website www.gmrhsl.nl. Dit heeft aldus tot gevolg dat het ter zaken door eisers gevorderde niet dan wel niet geheel kan worden toegewezen, omdat het niet meer in de macht van [gedaagde] ligt om hieraan te kunnen voldoen. Bij de hiernavolgende beoordeling van voornoemde subonderdelen zal dit aspect worden meegenomen.

Onrechtmatig handelen

15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is vast komen te staan dat [gedaagde] ten tijde van de plaatsing van de stukken tekst op de website www.gmrhsl.nl domeinnaamhouder van die website was en aldus verantwoordelijk voor de plaatsing van genoemde stukken. Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zelf verantwoordelijk is voor het schrijven van de gewraakte uitlatingen.

16. Bij de beoordeling van de vraag of de gedane uitlatingen onrechtmatig zijn staan twee fundamentele rechten – enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting en anderzijds het recht op eerbiediging van eer en goede naam – tegenover elkaar. Meer specifiek het recht van [gedaagde] om ‘de achterban’ van de GMR te informeren tegenover het belang van eisers om niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige insinuaties en verdachtmakingen.

17. Als uitgangspunt heeft te gelden dat terughoudendheid moet worden betracht bij het beperken van dat recht op vrijheid van meningsuiting. Het recht om zich uit te laten vindt zijn begrenzing in de zorgvuldigheid en de betamelijkheid die in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht moeten worden genomen. Als deze zorgvuldigheid of betamelijkheid evident wordt overschreden, is dat onrechtmatig jegens de ander die het betreft. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

18. Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarnaar onder meer door partijen wordt verwezen, beoogt daarbij vooral de bescherming van het publieke debat over politieke aangelegenheden, waarbij de grenzen van een aanvaardbare kritiek ruimer dienen te worden gelegd dan in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een privaatrechtelijk geschil met betrekking tot de vraag wie thans deel uitmaken van de vigerende GMR HSL.

19. De vordering spitst zich toe op de uitlatingen in de e-mail van 28 november 2010, waarvan de tekst ook op de website van gmrhsl.nl is geplaatst, alsmede de berichtgeving op de homepage van de gewraakte website. De inhoud van de e-mail en de berichtgeving op de website zijn op internet geplaatst en derhalve openbaar en voor iedereen toegankelijk gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de gewraakte teksten derhalve worden beschouwd als een publicatie.

20. De Hoge Raad heeft in een reeks van arresten – overigens niet limitatief – de navolgende omstandigheden relevant geacht voor de beoordeling van de vraag of een publicatie onrechtmatig moet worden geacht: de aard van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben; de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen; de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal; de inkleding van de verdenkingen; de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt; de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten terbeschikkingstelling in de publiciteit zou zijn gekomen. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

21. De brief is verspreid onder een groep mensen die behoort tot de ‘achterban’ van Stichting HSL, aldus de ouders en leerlingen van Stichting HSL, waarvan [eiser sub 2] bestuurder is. Het betreft een klein deel van de bevolking van de gemeente Enschede, dat bekend is met het conflict dat tussen partijen speelt. Het is derhalve aannemelijk dat deze groep mensen de gedane uitlatingen en de rechten daartoe op waarde kan schatten. De tekst(en) zijn echter ook op een website geplaatst en daarmee derhalve openbaar en toegankelijk voor het grote publiek gemaakt. Daarenboven is van belang dat de gedane uitlatingen moeten worden bezien in het licht van een langslepend conflict tussen eisers enerzijds en de al dan niet voormalige GMR waarvan [gedaagde] tot voor kort deel uitmaakte.

22. Hoewel de teksten ‘de bestuurder is bezig geweest om de wettelijk voorgeschreven medezeggenschap op HSL monddood te maken’, ‘halve waarheden en leugens te verkondigen’, ‘dat hij in een aantal gevallen toegaf zich ervan bewust te zijn de wet te overtreden’ en ‘het manipulatief gedrag van [eiser sub 2]’ niet van een enkele kritische strekking getuigen, kan het onrechtmatige karakter van deze uitlatingen echter ook niet worden ingezien. De gedane uitlatingen zijn niet van een dermate verregaande aard dat verwacht moet worden dat eisers hierdoor (ernstige) hinder dan wel schade zullen ondervinden. De vorderingen sub a en c dienen derhalve te worden afgewezen.

Auteursrechten

23. De voorzieningenrechter is met eisers van oordeel dat op de door hun of namens hun opgestelde brieven en processtukken auteursrechten rusten. Deze stukken ontberen niet een oorspronkelijk karakter en om die reden komen zij in aanmerking voor volledige auteursrechtelijke bescherming. Het op de website plaatsen van die stukken kan worden gezien als een openbaarmaking in de zin van artikel 12 Auteurswet (hierna te noemen Aw). Gelet op het bepaalde in artikel 1 Aw is openbaarmaking echter uitsluitend voorbehouden aan de maker. [Gedaagde] heeft aldus door plaatsing van genoemde stukken op de website inbreuk gemaakt op de auteursrechten van eisers dan wel hun raadsvrouwe. Nu het niet meer in [gedaagde] zijn macht ligt om de stukken van internet te verwijderen kan het gevorderde onder sub b niet meer worden toegewezen. Dit laat echter onverlet dat de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, wel het gevorderde onder sub g kan en zal toewijzen.

Merkenrecht

24. De voorzieningenrechter is, gelet op het beperkte beoordelingsmogelijkheden die kleven aan een procedure als de onderhavige, voorshands van oordeel dat aan Stichting HSL een merkrecht toekomt op het teken GMR HSL.

25. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat het teken nietig zou zijn omdat het ontbreekt aan enig onderscheidend vermogen. Het onderscheidend vermogen van het teken moet beoordeeld worden aan de hand van de perceptie van het betrokken publiek, waarbij de totaalindruk van belang is. Het relevante publiek zal met name bestaan uit (een deel van) de inwoners van de gemeente Enschede. Door het gebruik van de samenvoeging GMR en HSL zal voor de inwoners van de gemeente Enschede als snel de link gelegd worden naar de Stichting HSL. Voorts zal die samenvoeging gemakkelijk worden begrepen als zijnde de GMR van Stichting HSL. Hoewel aan de (beschrijvende) afkortingen GMR en HSL afzonderlijk nauwelijks onderscheidend vermogen toekomt - zoals [gedaagde] terecht stelt -, is dit voor de samenvoeging van beide afkortingen niet zonder meer aan te nemen. Om die reden zal de voorzieningenrechter vooralsnog aannemen dat het teken voor merkenrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Dit betekent dat [gedaagde] elk gebruik van het teken dient te staken en gestaakt te houden. Zoals reeds door partijen is vastgesteld zit [gedaagde] echter niet meer achter de ‘knoppen’ van de website. Daarvan uitgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de navolgende voorziening te treffen teneinde een stoelendans te voorkomen voor wat betreft het beheer van de website en de daaraan verbonden e-mailadressen.

Termijn instellen hoofdzaak

26. De voorzieningenrechter zal de termijn waarbinnen een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv moet worden ingesteld, bepalen op zes maanden na heden.

Proceskosten

27. [Gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Ten aanzien van de hoogte van die kosten overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

28. Eisers hebben met een beroep op artikel 1019h Rv veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten, die blijkens de door eisers als productie 11 overgelegde facturen en specificatie € 1.694,38 bedragen. Artikel 1019h Rv is de implementatie van artikel 14 van Richtlijn 2004 /48/EG van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deze richtlijn neemt als uitgangspunt dat de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De termen 'redelijk en evenredig' en 'billijkheid' geven hierbij aan dat de veroordeling in de proceskosten enerzijds afhankelijk is van de complexiteit van de vordering en anderzijds van de mate van verwijtbaarheid van de inbreuk. Voorts dienen de gevorderde kosten tijdig te worden opgegeven en gespecificeerd zodat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren (HR 30 mei 2008, NJ 2008,556).

29. Om te beoordelen wat onder redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten moet worden verstaan, wordt aansluiting gezocht bij de ‘Indicatietarieven in IE-zaken’. Volgens deze tarieven zijn in eenvoudige kort gedingen kosten ter hoogte van maximaal

€ 6.000,-- redelijk en evenredig te noemen. In de onderhavige zaak moet worden geoordeeld dat de vordering niet als gecompliceerd kan worden aangemerkt, nu de intellectuele eigendomsrechtelijke aspecten van deze zaak van zeer eenvoudige aard zijn. Het bedrag dat door de advocaat van eisers aan kosten wordt gevorderd, komt mede gezien het feit dat de onderliggende problematiek van onderhavige procedure, te hoog voor. De door eisers gevorderde kosten worden tot een bedrag van € 1.000,-- redelijk en evenredig geoordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden derhalve begroot op totaal € 1.655,93, bestaande uit:

- dagvaardingskosten € 87,93

- vast recht € 568,--

- salaris advocaat € 1.000,-.

In reconventie:

30. Allereerst verdient te worden vastgesteld dat [gedaagde] - ook naar eigen zeggen – geen (ouder)lid meer is c.q. kan zijn van de GMR. Dit ook omdat hij geen kinderen meer heeft die leerling zijn op dit Lyceum. [Gedaagde] heeft in dit kader dus te gelden als voormalig lid van de GMR.

31. Het door [gedaagde] in reconventie onder 1 gevorderde is kennelijk gebaseerd op (dreigend) onrechtmatig handelen aan de zijde van gedaagden in reconventie, en wel in de vorm van het verspreiden van onjuiste en negatieve informatie over [gedaagde]. Door [gedaagde] is onvoldoende geconcretiseerd welke verwijten specifiek door hem worden gemaakt aan het adres van gedaagden in reconventie. In het bijzonder wordt niet in concreto uiteengezet welke onjuiste en/of negatieve informatie over hem in persoon naar buiten is gebracht c.q. over hem in persoon naar buiten dreigt te worden gebracht.

32. Bij gemis aan voldoende feitelijke onderbouwing is de voorzieningenrechter niet in staat om vanwege de nu eenmaal beperkte mogelijkheden om in een procedure als deze nader onderzoek te doen, te beoordelen of en in hoeverre aannemelijk is gemaakt dat door gedaagden in reconventie onrechtmatig jegens [gedaagde] in persoon is gehandeld en/of dreigt te worden gehandeld. Daar komt bij dat de stellingen van [gedaagde] hier hinken op twee gedachten: enerzijds wordt hij om processuele redenen gedwongen voor zich in privé op te komen, doch anderzijds is hem er veel aan gelegen om vanuit zijn oude rol van lid van de GMR juist voor de belangen op te komen waar de GMR voor heeft te staan. Die laatste rol siert hem, maar feit is en blijft in rechte dat [gedaagde] in persoon partij is in deze voorlopige voorziening. Dat heeft zo zijn beperkingen, ook voor wat in reconventie kan worden gevorderd. De slotsom moet dan ook zijn dat het onder 1 gevorderde moet worden afgewezen vanwege – kort gezegd – het ontberen van voldoende grondslag.

33. Voor wat betreft het onder 2 gevorderde – het is geen verrassing meer – moet de voorzieningenrechter vaststellen dat [gedaagde] als privé persoon hier in rechte niet tot een persoonlijk belang kan verheffen het belang van de vigerende GMR bij een juiste nakoming door gedaagden in reconventie van de Wet Medezeggenschap op Scholen. Het is hoogstens aan de GMR zelf om voor die belangen op te komen. De GMR is hier echter geen partij, omdat de voeging aan de zijde van [gedaagde] in conventie niet is toegelaten. De voorzieningenrechter verwijst hier naar wat over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de GMR om zelfstandig in rechte op te treden, is geoordeeld in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 28 januari 2011.

34. De slotsom moet hier dan ook zijn dat [gedaagde] geen in rechte te honoreren belang kan hebben bij het door hem onder 2 gevorderde. Ook dit deel van het gevorderde moet dus worden afgewezen.

35. Het hiervoor overwogene brengt mee dat er ook geen reden is om de door [gedaagde] - zonder aanduiding van een bedrag en dus in algemene zin - gevorderde buitengerechtelijke kosten toe te wijzen. Zulks nog daargelaten de toetsing aan de specifieke vereisten voor het toewijzen van een geldvordering bij wijze van voorlopige voorziening.

36. [Gedaagde] dient in conventie als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die in dit deel van het geding zijn gevallen aan de zijde van gedaagden in reconventie. Deze kostenveroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu daar niet om is verzocht.

Rechtdoende

De voorzieningenrechter:

In conventie

I. Veroordeelt [gedaagde] om per 48 uren na de rechtsgeldige betekening van dit vonnis het beheer van de website www.gmrhsl.nl en de daaraan verbonden e-mailadressen info@gmrhsl.nl en gmrhsl@gmail.com gestaakt te houden en verbiedt [gedaagde] vanaf dat moment om de door of namens eisers opgestelde correspondentie dan wel processtukken te openbaren dan wel te verveelvoudigen.

II. Bij overtreding van deze verboden verbeurt [gedaagde] een onmiddellijk opeisbare eenmalige dwangsom van € 10.000,-.

III. Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op € 655,93 aan verschotten en € 1.000,- aan salaris van de advocaat.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Bepaalt de termijn bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na heden;

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

VII. Wijst af het gevorderde.

VIII. Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de aan de zijde van gedaagden in reconventie gevallen proceskosten, die tot op heden moeten worden begroot op € 600,- voor salaris van de advocaat.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature